1704103

AI-samenvatting

De kennisgroep heeft vastgesteld dat elke overeenkomst zelfstandig beoordeeld moet worden op basis van de relevante feiten en omstandigheden. In het geval van de ABAB-overeenkomst is enkel het aspect van verhandelbaarheid volgens artikel 2, lid 3 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aan de orde. Er is een discussie over de expliciete vermelding van vervreemding aan derden zonder toestemming. Artikel 1 van de overeenkomst stelt dat participaties vrij verhandelbaar zijn en artikel 1c bevestigt dat vervreemding aan derden mogelijk is, wat impliceert dat er geen verbod op verhandelbaarheid bestaat. De kennisgroep concludeert dat de modelovereenkomst, ondanks het ontbreken van een expliciete bepaling over vervreemding, voldoet aan de vereisten van de wet.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

AI-samenvatting

De kennisgroep heeft vastgesteld dat elke overeenkomst zelfstandig beoordeeld moet worden op basis van de relevante feiten en omstandigheden. In het geval van de ABAB-overeenkomst is enkel het aspect van verhandelbaarheid volgens artikel 2, lid 3 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aan de orde. Er is een discussie over de expliciete vermelding van vervreemding aan derden zonder toestemming. Artikel 1 van de overeenkomst stelt dat participaties vrij verhandelbaar zijn en artikel 1c bevestigt dat vervreemding aan derden mogelijk is, wat impliceert dat er geen verbod op verhandelbaarheid bestaat. De kennisgroep concludeert dat de modelovereenkomst, ondanks het ontbreken van een expliciete bepaling over vervreemding, voldoet aan de vereisten van de wet.

**Documenttitel: 1704103**

17-211-5002
Betr: OFGR ABAB model
02-03-2017 17:13

Aan:
Ce: krv kgb

Hallo,

De kennisgroep is van mening dat elke overeenkomst (hierna: ovk) zelfstandig beoordeeld moet worden aan de hand van de weging van voorliggende feiten en omstandigheden. Zo ook die van het kantoor ABAB.

Aan de kennisgroep wordt alleen gevraagd het aspect van de verhandelbaarheid in de zin van art 2, lid 3 Vpb in de voorgelegde overeenkomst te beoordelen. Volgens jou wordt er een passage gemist, waarin uitdrukkelijk de vervreemding aan derden zonder toestemming is toegestaan (wel geregeld zijn de toetreding en de uitbreiding participatie in art 4 ovk). De kennisgroep onderkent dat punt: artikel 1 ovk gaat over de overwegingen, artikel 4 over de toetreding en uitbreiding; het zou voor de hand liggen om (ook) daar de verhandelbaarheid naar derden op te nemen. Toch ziet de kennisgroep artikel 1 resp 1c ovk als doorslaggevend. Dat artikel vermeldt dat de participaties vrij verhandelbaar zijn en artikel 1c geeft aan dat vervreemding ook aan derden kan plaatsvinden: vervreemding aan derden zonder toestemming (verhandelbaarheid) is dus wel mogelijk. Ook zou het ontbreken van een verbod juist impliceren dat verhandelbaarheid aanwezig is.

Ik hoop jou hiermee voldoende te hebben ingelicht.

Met vriendelijke groet,

Van: 5.1.2e
Aan: 5.1.25.7 2e 5.1.2e @ st
Datum: 07-02-2017 08:35
Onderwerp: OFGR ABAB model

Beste 6.1.24,

Bijgaand ontvang je een (model-)overeenkomst tot instelling van een open fonds voor gemene rekening zoals [67 Awr] deze gebruikt.

In casu gaat het om een fonds tussen een man en vrouw die ongehuwd samen wonen (in het verleden wel gehuwd geweest maar gescheiden en nu weer bij elkaar). Zij brengen in de verhouding 90/10 ieder een (eigen) bankrekening in.

Mijn (rechts)vraag ziet echter uitsluitend op het onderdeel verhandelbaarheid van de participaties in de modelovereenkomst van [67 Awr].

De instructie van [67 Awr] biedt als handvat bij het materieel toetsen van de verhandelbaarheid het volgende:

"e. Verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid
Als uitsluitend aan het fonds zelf kan worden vervreemd, of aan bloed- en aanverwanten in rechte linie, is geen sprake van verhandelbaarheid (ook zonder dat daarvoor de toestemming van alle participanten nodig is). Vervreemding is het doen overgaan in andere handen."

In het model van [67 Awr] is de verhandelbaarheid geregeld in artikel 1a, 1c en artikel 4. Toetreding tot het fonds, alsmede uitbreiding van bestaande deelname worden expliciet genoemd in deze artikelen. Ik mis echter een expliciete bepaling over vervreemding door een zittende participant. Ik ben dan ook van mening dat fondsen opgericht onder bijgaande modelvoorwaarden niet voldoen aan artikel 2 eerste lid onderdeel f en derde lid van de Wet Vpb 1969.

Mijn vraag is hoe de kennisgroep dit ziet zodat in het model in het land op gelijke wijze wordt behandeld.

Met vriendelijke groet,

Belastingdienst Midden- en Kleinbedrijf
OV-terminal | Gravinnen van Nassauboulevard 75 | 4811 BN Breda
Postbus 90 121 | 4800 RA | Breda
5.1.2e
5.1.2e @ belastingdienst.nl

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *