1695968

AI-samenvatting

Artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 regelt de toerekening van gemeenschappelijke bestanddelen tussen fiscale partners. Partners kunnen kiezen hoe zij tien specifieke gemeenschappelijke bestanddelen, zoals de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen en aftrekbare giften, onderling verdelen. Bij gebrek aan een gezamenlijke keuze geldt een wettelijk vermoeden van een 50/50 verdeling. De gekozen onderlinge verhouding kan alleen gezamenlijk worden herzien tot het moment dat de aanslagen onherroepelijk vaststaan. Historisch gezien is de wetgeving gericht op individualisering van het belastingstelsel, maar biedt ruimte voor gezamenlijke toerekening van bepaalde inkomensbestanddelen.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

AI-samenvatting

Artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 regelt de toerekening van gemeenschappelijke bestanddelen tussen fiscale partners. Partners kunnen kiezen hoe zij tien specifieke gemeenschappelijke bestanddelen, zoals de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen en aftrekbare giften, onderling verdelen. Bij gebrek aan een gezamenlijke keuze geldt een wettelijk vermoeden van een 50/50 verdeling. De gekozen onderlinge verhouding kan alleen gezamenlijk worden herzien tot het moment dat de aanslagen onherroepelijk vaststaan. Historisch gezien is de wetgeving gericht op individualisering van het belastingstelsel, maar biedt ruimte voor gezamenlijke toerekening van bepaalde inkomensbestanddelen.

**Documenttitel: 1695968**

**Belastingdienst**
**Memo Verdeling artikel 2.17 van de Wet IB 2001**

**Inleiding**
Artikel 2.17 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) regelt de toerekening van gemeenschappelijke bestanddelen tussen partners die het gehele jaar elkaars fiscaal partner zijn of voor voljaarpartnerschap hebben gekozen (hierna: partners). In dit memo wordt de werking van artikel 2.17 Wet IB 2001 uitgelegd. De focus ligt hierbij op de toerekening van gemeenschappelijke bestanddelen. De mogelijkheid voor deeljaarpartners om voor de toerekening voor voljaarpartnerschap te kiezen, blijft buiten beschouwing.
Als eerste wordt uiteengezet hoe artikel 2.17 Wet IB 2001 volgens de huidige stand van wetgeving en jurisprudentie dient te worden toegepast. Hierop volgen enkele voorbeelden. Tenslotte wordt als achtergrondinformatie een historisch overzicht van de regeling gegeven.

**Stand per 2020 en standaardregels**
Op basis van het huidige artikel 2.17 Wet IB 2001 zijn tien afzonderlijke gemeenschappelijke bestanddelen te onderscheiden die partners onderling kunnen verdelen:
1. de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen;
2. als voorheffing in aanmerking te nemen geheven dividendbelasting;
3. belastbare inkomsten uit eigen woning;
4. het inkomen uit aanmerkelijk belang vóór vermindering met de persoonsgebonden aftrek;
5. het restant persoonsgebonden aftrek;
6. uitgaven voor onderhoudsverplichtingen;
7. uitgaven voor specifieke zorgkosten;
8. weekenduitgaven voor gehandicapten;
9. scholingsuitgaven;
10. aftrekbare giften.

Partners mogen bij het doen van aangifte een onderlinge verhouding kiezen per gemeenschappelijk bestanddeel. Voor zover de partners geen onderlinge verhouding kiezen, wordt het gemeenschappelijke bestanddeel geacht bij ieder voor de helft te zijn opgekomen (wettelijk vermoeden onderlinge verhouding, artikel 2.17, derde lid, Wet IB 2001). De onderlinge verhouding kan slechts gezamenlijk worden herzien totdat beide aanslagen onherroepelijk vaststaan. Aanslagen staan onherroepelijk vast als geen bezwaar of beroep meer mogelijk is. Dat ambtshalve vermindering van één of beide aanslagen mogelijk is op grond van artikel 9.6 Wet IB 2001, betekent niet dat de aanslagen niet onherroepelijk vaststaan.

De tot stand gekomen onderlinge verhouding geldt slechts voor gemeenschappelijke bestanddelen of delen daarvan die in de onherroepelijk vaststaande aanslagen zijn opgenomen.
Als een gemeenschappelijk bestanddeel niet, of voor een lager bedrag, in de onherroepelijk vaststaande aanslagen is opgenomen, mogen partners bij navordering of ambtshalve vermindering alsnog een onderlinge verhouding kiezen van het niet eerder opgenomen (deel van het) gemeenschappelijke bestanddeel. Als belastingplichtige en zijn partner geen gezamenlijke keuze maken, wordt het (deel van het) gemeenschappelijke bestanddeel 50/50 toegerekend.

**Voorbeelden**
1. Vraag
Belastingplichtige en zijn partner hebben in belastingjaar 2017 een gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van € 1.000.000. Dit hebben ze 60/40 toegerekend. In de aanslagen wordt deze onderlinge verhouding gevolgd. Als beide aanslagen onherroepelijk vaststaan, blijkt dat een buitenlandse bankrekening van belastingplichtige van € 500.000 niet is aangegeven. Je wilt navorderen. Hoe wordt het niet aangegeven deel van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen toegerekend?
Antwoord
Belastingplichtige en zijn partner mogen gezamenlijk een onderlinge verhouding kiezen. Indien zij geen gezamenlijke keuze maken voor een onderlinge verhouding, geldt het wettelijk vermoeden en zal het niet aangegeven deel van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen 50/50 toegerekend worden.

2. Vraag
Belastingplichtige en zijn partner zijn uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting 2017, maar dienen geen aangifte in. Er wordt aan beide partners een ambtshalve aanslag opgelegd waarbij rekening wordt gehouden met een gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van € 1.000.000. Deze is conform het wettelijke vermoeden 50/50 toegerekend. Beide aanslagen staan onherroepelijk vast als belanghebbende en zijn partner gezamenlijk verzoeken om een herziening van de onderlinge verhouding naar 40/60. Kom je aan dit verzoek tot ambtshalve vermindering tegemoet?
Antwoord
Neen. Er is een onderlinge verhouding tot stand gekomen. Deze is definitief, omdat beide ambtshalve aanslagen onherroepelijk vaststaan.

**Geschiedenis van artikel 2.17 van de Wet IB 2001**
De wetgever heeft de invoering van de Wet IB 2001 aangegrepen om het inkomstenbelastingstelsel verder te individualiseren. “Individualiseren op het terrein van de inkomenstoerekening betekent dat bij partners inkomsten worden belast bij de partner die genieter is van de inkomsten. Aftrekbare uitgaven komen dan in aanmerking bij de partner die de uitgaven (verschuldigd) betaalt c.q. op wie de uitgaven 'drukken'.” Deze individualisering is niet aan de orde bij de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. Fiscale partners kunnen kiezen hoe ze deze onderling toerekenen. Dit is uitgewerkt in artikel 2.17 van de Wet IB 2001.

**Wettekst op 1 januari 2001**
1. Inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner worden in aanmerking genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten of op wie deze drukken.
2. Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner worden geacht bij hen op te komen respectievelijk tot hun bezit te behoren, in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het doen van aangifte kiezen.
3. De gekozen onderlinge verhoudingen kunnen door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk worden herzien tot het moment dat de aanslag van de belastingplichtige of zijn partner onherroepelijk vaststaat.
4. Een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft op te komen en een bestanddeel van de rendementsgrondslag wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft tot hun bezit te behoren indien:
1. de gekozen onderlinge verhouding niet leidt tot een volkomen verdeling van het gemeenschappelijke inkomensbestanddeel of het bestanddeel van de rendementsgrondslag of
2. een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel of een bestanddeel van de rendementsgrondslag niet in de aangiften van de belastingplichtige en zijn partner is opgenomen.
5. Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft, zijn gemeenschappelijke inkomensbestanddelen:
a. belastbare inkomsten uit eigen woning;
b. de uitgaven voor kinderopvang;
c. het inkomen uit aanmerkelijk belang vóór vermindering met de persoonsgebonden aftrek;
d. de persoonsgebonden aftrek.

**Einde document**

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *