AI-samenvatting
Minderjarige kinderen hebben recht op een vrijstelling van € 512 voor contant geld in box 3. Volgens de Wet IB wordt de rendementsgrondslag voor belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van een minderjarig kind toegerekend aan de ouder met gezag. Het contante geld van het kind tot € 512 behoort niet tot de bezittingen en kan dus niet aan de ouder worden toegerekend. Dit betekent dat elk minderjarig kind, wiens vermogen aan de ouders wordt toegerekend, recht heeft op deze vrijstelling. Bij meerdere minderjarige kinderen geldt de vrijstelling voor elk kind afzonderlijk.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
Minderjarige kinderen hebben recht op een vrijstelling van € 512 voor contant geld in box 3. Volgens de Wet IB wordt de rendementsgrondslag voor belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van een minderjarig kind toegerekend aan de ouder met gezag. Het contante geld van het kind tot € 512 behoort niet tot de bezittingen en kan dus niet aan de ouder worden toegerekend. Dit betekent dat elk minderjarig kind, wiens vermogen aan de ouders wordt toegerekend, recht heeft op deze vrijstelling. Bij meerdere minderjarige kinderen geldt de vrijstelling voor elk kind afzonderlijk.
**Vrijstelling contant geld box 3 voor minderjarig kind**
**Vraag**
Heeft een minderjarig kind ook recht op de vrijstelling voor contant geld ad. € 512?
**Antwoord**
Uit het systeem van de wet volgt dat ook voor minderjarige kinderen een vrijstelling geldt voor contant geld. Op grond van art. 2.15, tweede lid, Wet IB wordt de rendementsgrondslag voor belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van een minderjarig kind toegerekend aan de ouder die het gezag over het kind uitoefent.
Art. 5.3 Wet IB bepaalt dat de rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. Art. 5.10 Wet IB bepaalt dat tot de bezittingen niet behoren: geld (….) voor een bedrag van in totaal € 512 met dien verstande dat indien de bel.pl. gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van art. 2.1 geacht wordt te hebben gehad, het genoemde bedrag voor de bel.pl. en zijn partner gezamenlijk op € 1024 wordt gesteld.
Nu het contante geld van het minderjarige kind tot een bedrag van € 512 niet tot de bezittingen behoort en daarmee geen deel uitmaakt van zijn/haar rendementsgrondslag kan dit vrijgestelde bedrag daarmee ook niet aan de ouder worden toegerekend die het gezag over het minderjarige kind uitoefent. Hiermee heeft dus ieder minderjarig kind, waarvan het vermogen aan de ouder(s) wordt toegerekend, een vrijstelling van max € 512 voor contant geld dat hij/zij bezit.
Als ouders meerdere minderjarige kinderen hebben geldt dit voor elk kind waarvan de rendementsgrondslag via art. 2.15, 2e lid wet IB aan de ouders wordt toegerekend.
Geef een reactie