1694293

AI-samenvatting

Een inwoner van een niet nader genoemd land heeft collegegeld betaald aan de Technische Universiteit ter voorbereiding op zijn studie in Nederland. Hij verzoekt om aftrek van scholingsuitgaven in zijn belastingaangifte, omdat hij meent dat de betaling als een depotstorting kan worden beschouwd, waarbij hij de beschikkingsmacht over het geld zou hebben behouden tot de start van zijn studie. De Belastingdienst oordeelt echter dat het betalingsmoment het moment is waarop het bedrag van zijn rekening is afgeschreven, en dat dit plaatsvond voordat hij binnenlands belastingplichtig werd. Hierdoor heeft hij geen recht op aftrek van scholingsuitgaven. Ook een eventuele terugbetaling van een lening voor deze kosten kan niet als aftrekpost worden aangemerkt, omdat het moment van betaling bepalend is voor de aftrekbaarheid.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

AI-samenvatting

Een inwoner van een niet nader genoemd land heeft collegegeld betaald aan de Technische Universiteit ter voorbereiding op zijn studie in Nederland. Hij verzoekt om aftrek van scholingsuitgaven in zijn belastingaangifte, omdat hij meent dat de betaling als een depotstorting kan worden beschouwd, waarbij hij de beschikkingsmacht over het geld zou hebben behouden tot de start van zijn studie. De Belastingdienst oordeelt echter dat het betalingsmoment het moment is waarop het bedrag van zijn rekening is afgeschreven, en dat dit plaatsvond voordat hij binnenlands belastingplichtig werd. Hierdoor heeft hij geen recht op aftrek van scholingsuitgaven. Ook een eventuele terugbetaling van een lening voor deze kosten kan niet als aftrekpost worden aangemerkt, omdat het moment van betaling bepalend is voor de aftrekbaarheid.

**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
Naam dienstonderdeel: Kennisgroep IB-niet winst
Datum: 4 maart 2021
Versienummer: 03
Referentienummer: 20-202-0026

**Casus**
Een inwoner van [GEANONIMISEERD] wil gaan studeren aan de Technische Universiteit [GEANONIMISEERD]. Ten behoeve van de inschrijving volgt hij de procedure van de TU. In die procedure moet vóór een bepaald moment een bedrag aan de TU worden betaald. Na betaling van dat bedrag, wordt de verblijfsvergunning aanvraag/visumaanvraag voor de toekomstige student door de TU in gang gezet. Als de toekomstige student om enige reden (waaronder ook de afwijzing van de verblijfsvergunning of het visum) niet naar Nederland kan komen en zich voor de studie uitschrijft, wordt het betaalde bedrag (grotendeels) teruggestort. De TU schrijft in de casus van belanghebbende het volgende over de betaling:
In [GEANONIMISEERD] heeft belanghebbende € [GEANONIMISEERD] betaald. Op het moment van deze betaling woont belanghebbende nog in [GEANONIMISEERD]. Belanghebbende emigreert in [GEANONIMISEERD] naar Nederland en start op [GEANONIMISEERD] met zijn studie aan de TU. Belanghebbende is met ingang van [GEANONIMISEERD] kwalificeren als binnenlands belastingplichtige en verzoekt in zijn aangifte om aftrek scholingsuitgaven van € [GEANONIMISEERD].

**Belanghebbende stelt dat er met de betaling in [GEANONIMISEERD] sprake is van een zogenaamde depotstorting. Hij stelt dat hij de beschikkingsmacht over het betaalde geld behoudt, totdat de studie feitelijk aanvangt. Pas bij aanvang van de studie, op [GEANONIMISEERD], heeft de betaling van het collegegeld plaatsgevonden door afboeking op het depot. Aangezien belanghebbende op dat moment binnenlands belastingplichtige is, is er recht op aftrek van scholingsuitgaven, aldus belanghebbende.**

**Opmerking ter zijde:**
Overigens zien we in veel situaties dat er enkele jaren na afloop van het betreffende belastingjaar een schriftelijke overeenkomst (vaak met een familielid of met een derde) wordt overgelegd, waarbij wordt overeengekomen om de studiekosten die door de geldverstrekker zijn betaald/voorgeschoten in de buitenlandse periode van het betreffende migratiejaar, rentedragend terug te betalen nadat belanghebbende is afgestudeerd.

**Vragen**
Heeft belanghebbende recht op aftrek van scholingsuitgaven?
Ter beantwoording van deze vraag zijn de volgende deelvragen van belang:
a. Wat is het betalingsmoment of het moment van ter beschikking stellen in de zin artikel 6.40 van de Wet IB 2001?
b. Meer specifiek: Heeft belanghebbende recht op aftrek van de persoonsgebonden aftrekpost (scholingsuitgaven) welke in hetzelfde belastingjaar, maar in de periode vóór immigratie naar Nederland, vooruit zijn betaald?
c. Kan een geldlening achteraf voor kosten betaald in de buitenlandse periode als persoonsgebonden aftrekpost (PGA) aangemerkt worden?

**Antwoorden**
Nee.
a. Het betalingsmoment of het moment van ter beschikking stellen van de scholingsuitgaven (collegegeld) is in dit geval het moment waarop het bedrag bestemd voor betaling van collegegeld van de rekening van belanghebbende is afgeschreven c.q. op de rekening van de TU is bijgeschreven.
b. Nee, belanghebbende heeft geen recht op aftrek van een persoonsgebonden aftrekpost, omdat hij op het betalingsmoment geen binnenlands belastingplichtige is (en hij niet kan worden aangemerkt als een z.g. kwalificerende buitenlandse belastingplichtige).
c. Nee, een latere terugbetaling van een schuld die verband houdt met de eerdere persoonsgebonden aftrekpost, is geen persoonsgebonden aftrekpost.

**Beschouwing**
Vraag a
Het tijdstip waarop uitgaven ter zake van persoonsgebonden aftrekposten – waartoe de scholingsuitgaven behoren – voor aftrek in aanmerking komen, wordt bepaald door artikel 6.40, lid 1, van de Wet IB 2001. Dat artikellid bepaalt dat dergelijke posten in aanmerking worden genomen op het tijdstip waarop zij:
a. zijn betaald;
b. zijn verrekend;
c. ter beschikking zijn gesteld, of;
d. rentedragend zijn geworden.

De vraag of en wanneer er sprake is van betaling, verrekening, terbeschikkingstelling of rentedragend worden, is civielrechtelijk van aard.
Betaald
De kennisgroep neemt primair het standpunt in dat de overschrijving van het geldbedrag door belanghebbende op de rekening van de TU te kwalificeren is als een ‘betaling’ in de zin van artikel 6.40, lid 1, sub a, van de Wet IB 2001. Voor de beantwoording van de hoofdvraag is het van belang om vast te stellen op welk moment de betaling heeft plaatsgevonden.

Vanuit civielrechtelijk oogpunt vindt een betaling plaats op het moment dat een bedrag op de rekening van de crediteur is gecrediteerd (artikel 6:114 van het Burgerlijk Wetboek). Omdat dit moment voor een belastingplichtige vaak niet bekend is, wordt binnen de Wet IB 2001 ter bepaling van het tijdstip van aftrek bij girale betalingen, een ander tijdstip gehanteerd. Namelijk het tijdstip waarop de bank het bedrag van de rekening van de debiteur heeft afgeschreven. Uit de aan de kennisgroep voorgelegde casus is de precieze afschrijvingsdatum niet op te maken. Wel valt op te maken dat belanghebbende het bedrag aan collegegeld in [GEANONIMISEERD] heeft overgemaakt aan de TU. Dat is dus het betaalmoment. Dat er sprake is van een vooruitbetaling, maakt dat niet anders.

Ter beschikking gesteld
Voor zover het giraal overmaken van het bedrag aan de TU niet kwalificeert als betaling, neemt de kennisgroep subsidiair het standpunt in dat er sprake is van het ter beschikking stellen in de zin van artikel 6.40, lid 1, sub c, van de Wet IB 2001. Van terbeschikkingstelling is sprake indien een debiteur een zodanige handeling verricht, dat de rechthebbende tot het inkomensbestanddeel de beschikkingsmacht over het inkomensbestanddeel krijgt en de debiteur deze verliest. Met het overmaken van het bedrag aan collegegeld is belanghebbende de beschikkingsmacht over het geldbedrag verloren en heeft de TU de beschikkingsmacht verkregen. Op het moment dat het geldbedrag op de rekening van de TU stond, was de TU vrij om dit bedrag naar eigen inzicht aan te wenden.

De stelling van belanghebbende, dat hij de beschikkingsmacht over het betaalde bedrag heeft behouden totdat de studie daadwerkelijk op 1 september is aangevangen, wordt daarmee niet gevolgd. Beslissend voor dit standpunt is dat belanghebbende het als collegegeld bestemde bedrag, na de betaling niet zomaar van de TU kan terugvorderen. Alleen als belanghebbende – ongeacht de reden – een uitschrijvingsverzoek doet, krijgt hij een vordering op de universiteit tot terugbetaling van het betaalde bedrag. Als belanghebbende het door hem overgemaakte bedrag alleen maar kan terugkrijgen door een uitschrijvingsverzoek te doen, kan niet worden gezegd dat de beschikkingsmacht is behouden.

Belanghebbende is hoogstens in staat – door het in leven roepen van een nieuwe rechtstoestand – de beschikkingsmacht te herkrijgen. Dit is niet anders dan bij binnenlandse studenten die hun collegegeld vooruitbetalen en op een later moment beslissen dat zij de studie geen aanvang laten nemen en op dat moment het vooruitbetaalde collegegeld terugbetaald krijgen.

Bij het voorgaande heeft de kennisgroep mede in acht genomen, dat zowel uit de betalingstoelichting als uit het algemene systeem van inschrijvingen en betaling van collegegelden volgt, dat de betaling is gedaan ter kwijting van de verplichting tot betaling van het collegegeld. In de betalingstoelichting staat namelijk dat vóór [GEANONIMISEERD] een bedrag van € [GEANONIMISEERD] betaald moet zijn. Een deel van dit bedrag bestaat uit het collegegeld. Ten aanzien van het bedrag voor levensonderhoud staat uitdrukkelijk vermeld dat het bedrag strekt tot waarborg voor de aanvraag van de verblijfsvergunning of het visum. Ten aanzien van het collegegeld staat dit niet vermeld.

Dat achter ‘Total amount’ tussen haakjes én aanhalingstekens het woord ‘Guarantee’ staat opgenomen, maakt dat niet anders. Overigens is het in de situatie dat het collegegeld wél als waarborg zou strekken voor de aanvraag van een verblijfsvergunning/visum, ook nog maar de vraag of de beschikkingsmacht bij de betalende partij blijft. Dat zal aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval dienen te worden beoordeeld.

Dat de betaling ter kwijting van de verplichting tot betaling van het collegegeld strekt en niet als waarborg kwalificeert, strookt daarnaast met het algemene systeem van inschrijving en betaling van collegegelden. Als naar de huidige ‘Regeling inschrijving en collegegeld’ van de TU wordt gekeken, staat daarin opgenomen dat een verschuldigd bedrag aan collegegeld in zijn geheel voorafgaand aan de inschrijving bij de TU dient te zijn voldaan. De stelling van belanghebbende dat het collegegeld pas verschuldigd is op het moment van inschrijving is hiermee in tegenspraak.

**Vraag b**
Uit het voorgaande volgt dat de betaling dan wel terbeschikkingstelling heeft plaatsgevonden op het moment dat het bedrag van de rekening van belanghebbende is afgeschreven c.q. op het moment dat de TU de beschikkingsmacht over het geldbedrag had. Omdat dit tijdstip is gelegen op een moment dat belanghebbende niet in Nederland (maar in [GEANONIMISEERD] woont), kan het collegegeld niet als een persoonsgebonden aftrek voor de Nederlandse inkomstenbelasting in aanmerking worden genomen. In dit verband verwijzen wij naar ons antwoord op vraag KG 19-202-0015.

N.B.: Het EU-recht is niet van toepassing omdat belanghebbende inwoner van [GEANONIMISEERD] is op het moment dat hij de kosten maakt. Dus ook via die route kan geen beroep gedaan worden op Nederlandse fiscale faciliteiten.

**Vraag c**
Als er naderhand een — al dan niet achteraf opgemaakte — schriftelijke leningsovereenkomst wordt overgelegd, waaruit volgt dat een derde het collegegeld van het onderhavige belastingjaar aan belanghebbende heeft geleend of heeft voorgeschoten, kan de aflossing van het geleende of voorgeschoten bedrag niet als scholingsuitgaven in mindering worden gebracht als belanghebbende op het moment van aflossing binnenlands belastingplichtige is. Op grond van artikel 6.40 van de Wet IB 2001 geldt dat het moment van betaling of verrekening van de scholingsuitgaven zelf doorslaggevend is. Een latere terugbetaling van een schuld die verband houdt met de eerdere persoonsgebonden aftrekpost, is zelf geen persoonsgebonden aftrekpost. Zie ook vraag/antwoord 5.4 van het besluit 21 januari 2010, nr. DGB2010/372M. Dit besluit is ingetrokken bij besluit van 4 april 2013, nr. BLKB2013/473M, waarin onderdeel 5.4 niet meer is opgenomen vanwege het voorlichtende karakter en de omstandigheid dat het geen beleid bevat. In het voorlichtingsmateriaal op www.belastingdienst.nl is dit antwoord echter nog wel opgenomen in de brochure “Vragen en antwoorden over persoonsgebonden aftrekposten 2019”, onder 5.3.

**VERTROUWELIJK**
**Pagina 5 van 5**

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *