AI-samenvatting
In een familiestichting zijn certificaten uitgegeven voor een vakantiewoning, waarbij de belastingplichtige, zijn partner en kinderen deze certificaten ontvangen. De vraag is hoe deze certificaten in box 3 moeten worden gewaardeerd. De adviseur stelt voor om de waardering te baseren op de WOZ-waarde minus de betaalde erfpachtcanon, conform artikel 5.20 van de Wet IB 2001. De kennisgroep deelt deze visie en bevestigt dat de certificaten jaarlijks naar de waarde in het economische verkeer moeten worden aangegeven. De certificaten geven de houders recht op waardemutaties van het gecertificeerde vermogen, maar de juridische eigendom blijft bij de stichting, waardoor deze niet als afgezonderd particulier vermogen wordt aangemerkt. De certificaathouders bezitten enkel de rechten die in de certificaten zijn vervat, en niet de onderliggende bezittingen en schulden van de stichting. Daarom moeten de certificaten worden gewaardeerd volgens artikel 5.19, lid 1 van de Wet IB 2001 op de peildatum.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
In een familiestichting zijn certificaten uitgegeven voor een vakantiewoning, waarbij de belastingplichtige, zijn partner en kinderen deze certificaten ontvangen. De vraag is hoe deze certificaten in box 3 moeten worden gewaardeerd. De adviseur stelt voor om de waardering te baseren op de WOZ-waarde minus de betaalde erfpachtcanon, conform artikel 5.20 van de Wet IB 2001. De kennisgroep deelt deze visie en bevestigt dat de certificaten jaarlijks naar de waarde in het economische verkeer moeten worden aangegeven. De certificaten geven de houders recht op waardemutaties van het gecertificeerde vermogen, maar de juridische eigendom blijft bij de stichting, waardoor deze niet als afgezonderd particulier vermogen wordt aangemerkt. De certificaathouders bezitten enkel de rechten die in de certificaten zijn vervat, en niet de onderliggende bezittingen en schulden van de stichting. Daarom moeten de certificaten worden gewaardeerd volgens artikel 5.19, lid 1 van de Wet IB 2001 op de peildatum.
**Documenttitel: 1694281**
**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
**Belastingdienst/Kantoor Utrecht**
**MEMO Waardering certificaten box 3**
**Casus**
In Awtis B7 een familiestichting opgericht. Daarin wordt een vakantiewoning gecertificeerd, waarna belastingplichtige (in 7 Awd verleden), zijn partner en zijn [GEANONIMISEERD] kinderen certificaten van de stichting ontvangen. Vanwege de uitgifte van certificaten is geen sprake van een afgezonderd particulier vermogen (APV). De vraag is hoe de certificaten moeten worden gewaardeerd in box 3. De adviseur kijkt door de certificaten heen en geeft waardes in box 3 aan volgens de waardering van artikel 5.20 van de Wet IB 2001. Dat wil zeggen: WOZ-waarde -/- (17x betaalde erfpachtcanon).
**Vraag**
Het certificaat moet ieder jaar naar de waarde in het economische verkeer (WEV) worden aangegeven. Deelt de kennisgroep deze visie?
**Antwoord**
Ja.
**Beschouwing**
De door de stichting verstrekte certificaten verschaffen de houders ervan in ieder geval het recht op de waardemutaties en de vruchten van het gecertificeerde vermogen. Een uitgereikt certificaat wordt algemeen beschouwd als een vorderingsrecht van de certificaathouder op de stichting als voortvloeisel van de beheersovereenkomst die tussen de gerechtigde tot het te certificeren vermogen en deze stichting wordt gesloten. Logisch uitvloeisel van deze visie is dat de juridische eigendom van de vermogensbestanddelen na de overdracht volledig berust bij de stichting, terwijl de certificaathouder het economische belang bij dit vermogen bezit. De certificaathouder wordt civielrechtelijk niet als eigenaar van de onderliggende zaken beschouwd.
Het voorgaande leidt tevens tot de conclusie dat de stichting niet kan worden aangemerkt als een afgezonderd particulier vermogen, zoals bedoeld in artikel 2.14a van de Wet IB 2001. De stichting is dus niet fiscaal transparant.
Zoals hiervoor reeds is vermeld, is de algemene opinie dat de certificaten de houders ervan het recht op de waardemutaties verschaffen. Dit betreft echter de waardemutaties van het geheel van alle bezittingen en schulden van de stichting en niet (uitsluitend) de waardemutaties van (bijvoorbeeld) de onroerende zaak die door de stichting wordt gehouden. Het recht op de waardemutaties van (een deel van) de bezittingen en schulden van de stichting kan niet worden gezien als een recht dat direct of indirect betrekking heeft op door de stichting gehouden bezittingen en schulden.
De certificaathouders bezitten dus “slechts” de in hun certificaten vervatte rechten en niet de gecertificeerde bezittingen en schulden van de stichting. Voor die certificaten geldt, nu een specifieke waarderingsregel daarvoor ontbreekt, dat ze overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.19, lid 1 van de Wet IB 2001 op de peildatum in aanmerking moeten worden genomen voor de waarde in het economische verkeer.
**VERTROUWELIJK**
**Pagina 2 van 2**
Geef een reactie