AI-samenvatting
In een casus betreffende de nalatenschap van een overleden vader, is aan de moeder een levenslang recht van vruchtgebruik van de gehele nalatenschap gelegateerd, terwijl de kinderen elk een onverdeeld aandeel in de woning hebben gekregen. De vragen die zijn gesteld, zijn of een beperkt recht van gebruik en bewoning gelijk te stellen is aan vruchtgebruik en of artikel 5.4, lid 3 van de Wet IB 2001 van toepassing is. Het antwoord op de eerste vraag is ontkennend; een recht van gebruik en bewoning is beperkter dan vruchtgebruik. Hierdoor behoeft de tweede vraag geen beantwoording. Artikel 5.4, lid 3, letter a van de Wet IB 2001 is niet van toepassing, omdat het recht niet op basis van een uiterste wilsbeschikking is gevestigd.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
In een casus betreffende de nalatenschap van een overleden vader, is aan de moeder een levenslang recht van vruchtgebruik van de gehele nalatenschap gelegateerd, terwijl de kinderen elk een onverdeeld aandeel in de woning hebben gekregen. De vragen die zijn gesteld, zijn of een beperkt recht van gebruik en bewoning gelijk te stellen is aan vruchtgebruik en of artikel 5.4, lid 3 van de Wet IB 2001 van toepassing is. Het antwoord op de eerste vraag is ontkennend; een recht van gebruik en bewoning is beperkter dan vruchtgebruik. Hierdoor behoeft de tweede vraag geen beantwoording. Artikel 5.4, lid 3, letter a van de Wet IB 2001 is niet van toepassing, omdat het recht niet op basis van een uiterste wilsbeschikking is gevestigd.
**Documenttitel: 1694211**
**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
**5.1.2e**
**Belastingdienst/Particulieren, dienstverlening en bezwaar Eindhoven/Breda**
**MEMO**
**Defiscalisering van art. 5.4, lid 3 van de Wet IB 2001**
**Casus**
Op [GEANONIMISEERD] is de vader van belanghebbende overleden. Vader was tot zijn overlijden in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Vader heeft bij testament over zijn uiterste wil beschikt. Bij het overlijden is aan de moeder het levenslang recht van vruchtgebruik van de gehele nalatenschap gelegateerd. Onder de last van dit legaat zijn moeder en de vijf kinderen tot erfgenamen benoemd. Op grond van deze verdeling heeft belanghebbende (één van de vijf kinderen) na het overlijden van zijn vader 1/12 van het blote eigendom in de voormalige echtelijke woning te D., waarin zijn moeder nu nog steeds woont. In een notariële akte van [GEANONIMISEERD] zijn de erven overgegaan tot verdeling van de onverdeeldheid van de betreffende woning. Aan moeder is een beperkt recht van gebruik en bewoning toegekend. Aan de kinderen is elk 1/5 onverdeeld aandeel in de eigendom van de woning toebedeeld. Voor het aan de orde zijnde belastingjaar 2012 is met betrekking tot belanghebbende dus sprake van een 1/5 onverdeeld aandeel onder de last van het beperkte recht van gebruik en bewoning van moeder.
**Vragen**
1. Is een beperkt recht van gebruik en bewoning gelijk te stellen aan vruchtgebruik?
2. Indien het antwoord hierop bevestigend is, is dan lid 3 onderdeel a. van artikel 5.4 van de Wet IB 2001 van toepassing?
**Antwoord**
1. Nee.
2. Aangezien de eerste vraag ontkennend is beantwoord, behoeft deze vraag geen beantwoording meer.
**Beschouwing**
Een recht van gebruik en bewoning is niet gelijk te stellen aan een recht van vruchtgebruik. Vruchtgebruik geeft het recht op goederen die aan een ander toebehoren, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten. Op een recht van gebruik en bewoning zijn de regels betreffende het vruchtgebruik van toepassing; echter met uitzonderingen. Als enkel het recht van gebruik is verleend, heeft de rechthebbende de bevoegdheid de aan zijn recht onderworpen zaken te gebruiken en er de vruchten van te genieten, die hij voor zich en zijn gezin behoeft. Als enkel het recht van bewoning is verleend heeft de rechthebbende de bevoegdheid de aan zijn recht onderworpen woning met zijn gezin te bewonen. De rechthebbende op een recht van gebruik of bewoning kan zijn recht niet vervreemden of bezwaren, noch de zaak door een ander laten gebruiken of de woning door een ander laten bewonen. Een recht van gebruik en bewoning is dus beperkter dan – en in die zin afwijkend van – het recht van vruchtgebruik. In lid 3 van artikel 5.4 van de Wet IB 2001 wordt expliciet gesproken van vruchtgebruik. Gelet op de duidelijke bewoordingen van deze bepaling bestaat er geen aanleiding te veronderstellen dat die bepaling ook van toepassing zou zijn ingeval er sprake is van het (beperktere) recht van gebruik en bewoning.
Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat artikel 5.4, lid 3, letter a. van de Wet IB 2001 in ieder geval niet van toepassing is op de onderhavige situatie waarin het recht niet op grond van een uiterste wilsbeschikking is gevestigd. De onderhavige situatie is immers ontstaan doordat er op enig moment later scheiding en deling had plaatsgevonden.
**VERTROUWELIJK**
**Pagina 1 van 2**
**00067**
**Aldus artikel 3:226 van het Burgerlijk Wetboek.**
**VERTROUWELIJK**
**Pagina 2 van 2**
**00067**
Geef een reactie