1694169

AI-samenvatting

Bij co-ouderschap hebben beide ouders recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) als het kind doorgaans ten minste drie dagen per week bij elk van hen verblijft. De belastingplichtige moet dit aannemelijk maken, waarbij gehuwden, geregistreerde ouders en samenwonende ouders met gezamenlijk gezag die na 2009 uit elkaar gaan verplicht zijn een ouderschapsplan op te stellen. Dit plan kan dienen als bewijs voor de verblijfplaats van het kind. Bij afwezigheid van een ouderschapsplan geldt de vrije bewijsleer, en blijft de bewijslast bij de belastingplichtige. Co-ouderschap is niet wettelijk gedefinieerd, maar verwijst naar een afspraak tussen ouders over de verdeling van de zorg voor het kind.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

AI-samenvatting

Bij co-ouderschap hebben beide ouders recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) als het kind doorgaans ten minste drie dagen per week bij elk van hen verblijft. De belastingplichtige moet dit aannemelijk maken, waarbij gehuwden, geregistreerde ouders en samenwonende ouders met gezamenlijk gezag die na 2009 uit elkaar gaan verplicht zijn een ouderschapsplan op te stellen. Dit plan kan dienen als bewijs voor de verblijfplaats van het kind. Bij afwezigheid van een ouderschapsplan geldt de vrije bewijsleer, en blijft de bewijslast bij de belastingplichtige. Co-ouderschap is niet wettelijk gedefinieerd, maar verwijst naar een afspraak tussen ouders over de verdeling van de zorg voor het kind.

**Documenttitel: 1694169**

**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**

**Is een schriftelijke overeenkomst vereist bij co-ouderschap?**

**Casus**
In artikel 8.14a Wet IB 2001 j.o. artikel 44b Uitvoeringsregeling van de Wet IB 2001 is opgenomen dat in geval van co-ouderschap beide ouders recht hebben op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (Hierna: IACK) indien het kind doorgaans tenminste drie gehele dagen per week in beide huishoudens verblijft. De bewijslast hiervoor ligt bij de belastingplichtige.

**Vraag**
Op welke manier kan/moet een belastingplichtige aannemelijk maken dat het kind tenminste drie dagen per week bij elk van de ouders verblijft als bedoeld in artikel 44b Uitvoeringsregeling van de Wet IB 2001?

**Antwoord**
Voor gehuwden, geregistreerde ouders alsmede samenwonende ouders met gezamenlijk gezag die in het jaar 2009 of volgende jaren uit elkaar gaan geldt de wettelijke verplichting om een ouderschapsplan op te stellen als bedoeld in artikel 815 Burgerlijke rechtsvordering. Door middel van dit ouderschapsplan kan worden aangetoond waar het kind doorgaans verblijft. Mocht er geen ouderschapsplan zijn opgesteld dan geldt de vrije bewijsleer. De bewijslast hiervoor ligt bij de belastingplichtige.

**Beschouwing**
De begrippen co-ouderschap, ouderlijk gezag en erkenning staan los van elkaar. Ouderlijk gezag (zie artikel 1:247 BW) of erkenning (zie artikel 1:204) heeft geen betrekking op de daadwerkelijke verzorging van het kind. Voor co-ouderschap is dit wel van belang.

De term co-ouderschap staat niet in de wet omschreven. In het BW wordt het begrip co-ouderschap na echtscheiding indirect beschreven als bedoeld in artikel 1:247 lid 4 BW (behoud gezamenlijk gezag) en artikel 1:377a lid 1 BW (omgangsrecht). Dit betekent niet dat er na een scheiding automatisch sprake is van co-ouderschap.

J.E. Doek geeft in zijn boek *Het Nederlands Burgerlijk Wetboek 1 / Personen- en Familierecht* de volgende betekenis aan het begrip co-ouderschap na echtscheiding: het gaat hierbij om een afspraak die ouders vrijwillig maken om ongeacht de gezagssituatie de feitelijke verzorging, ieder voor ongeveer 50% voor zijn of haar rekening te nemen, waarbij het kind afwisselend bij één van de ouders verblijft.

**VERTROUWELIJK**
Naam dienstonderdeel: Kennisgroep IB niet-winst algemeen
Contactpersoon: 5.1.2e
Lid Kennisgroep: 5.1.2e
Datum: 20 mei 2015
Versienummer: 1.0
Referentienummer: 15-202-0913
Datum vaststelling: 13 april 2015
Vastgesteld door: Opdrachtgever Kennisgroep IB niet-winst algemeen
Auteurs: 5.1.2e
Behandeld door: 5.1.2e
Kopie aan: Kennisgroepleden Lavaco IB
Bijlagen: Geen

**Pagina 1 van 2**

In de communicatie van de Belastingdienst wordt het begrip co-ouderschap wel gehanteerd. Om te bepalen of een belastingplichtige recht heeft op de IACK is het van belang te weten hoe de feitelijke verzorging van een kind verdeeld is tussen de ouders. Immers in artikel 44b van de Uitvoeringsregeling Wet IB 2001 is opgenomen dat indien het kind doorgaans tenminste drie dagen van de week bij elk van de ouders verblijft, beide ouders recht hebben op de IACK. In de aanhef van artikel 44b van de Uitvoeringsregeling Wet IB 2001 en in de communicatie van de Belastingdienst wordt dit als co-ouderschap geduid.

Ook ongehuwden die een kind hebben gekregen en daarna uit elkaar gaan kunnen co-ouderschap afspreken en kunnen beiden recht hebben op de IACK wanneer zij aan de voorwaarden voldoen als bedoeld in artikel 8.14a van de Wet IB 2001 j.o. artikel 44b Uitvoeringsregeling van de Wet IB 2001. Er is geen apart formeel vereiste hoe co-ouderschap dient te worden vastgelegd.

Wel geldt voor gehuwden, geregistreerde ouders alsmede samenwonende ouders met gezamenlijk gezag die in het jaar 2009 of volgende jaren uit elkaar gaan de wettelijke verplichting om een ouderschapsplan op te stellen als bedoeld in artikel 815 Burgerlijke rechtsvordering. Mocht er geen ouderschapsplan zijn opgesteld dan geldt de vrije bewijsleer. De bewijslast hiervoor ligt bij de belastingplichtige.

**Pagina 2 van 2**

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *