AI-samenvatting
Belanghebbende, een religieuze die haar inkomsten aan een kloostergemeenschap afstaat, kan in aanmerking komen voor giftenaftrek volgens artikel 6.35 van de Wet IB 2001. Het afstaan van inkomsten wordt gezien als een bevoordeling uit vrijgevigheid, aangezien de keuze om lid te worden van de gemeenschap vrijwillig is en de gelofte van armoede omvat. De Hoge Raad heeft in eerdere uitspraken bevestigd dat de waarde van de tegenprestatie (onderdak, levensonderhoud, verzorging) lager is dan de afgestane inkomsten, waardoor een deel van deze inkomsten als andere gift voor aftrek in aanmerking komt. De maximale aftrek bedraagt 10% van het verzamelinkomen.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
Belanghebbende, een religieuze die haar inkomsten aan een kloostergemeenschap afstaat, kan in aanmerking komen voor giftenaftrek volgens artikel 6.35 van de Wet IB 2001. Het afstaan van inkomsten wordt gezien als een bevoordeling uit vrijgevigheid, aangezien de keuze om lid te worden van de gemeenschap vrijwillig is en de gelofte van armoede omvat. De Hoge Raad heeft in eerdere uitspraken bevestigd dat de waarde van de tegenprestatie (onderdak, levensonderhoud, verzorging) lager is dan de afgestane inkomsten, waardoor een deel van deze inkomsten als andere gift voor aftrek in aanmerking komt. De maximale aftrek bedraagt 10% van het verzamelinkomen.
**Documenttitel: 1694084**
**Belastingdienst**
**Vormen de inkomsten van een religieuze, die worden afgestaan aan de gemeenschap, een gift?**
**Casus**
Belanghebbende is religieuze [GEANONIMISEERD] en is [GEANONIMISEERD] jaar oud. Zij woont in een kloostergemeenschap. Haar inkomsten worden gestort op een bankrekening van de kloostergemeenschap. De inkomsten van andere religieuzen worden ook op deze bankrekening gestort. Alle kosten van de kloostergemeenschap en de religieuzen worden vanaf deze bankrekening betaald. De religieuzen hebben geen persoonlijke bankrekeningen. Belanghebbende claimt giftenaftrek voor het maximale bedrag (10% van het persoonlijk inkomen voor aftrek pga).
**Vraag**
Komt belanghebbende voor giftenaftrek in aanmerking?
**Antwoord**
Ja, belanghebbende kan in aanmerking komen voor giftenaftrek voor andere giften als bedoeld in artikel 6.35 van de Wet IB 2001.
**Toelichting**
Voor de toepassing van afdeling 6.9 (aftrekbare giften) van de Wet IB 2001 zijn op grond van artikel 6.32 van de Wet IB 2001 aftrekbare giften: periodieke giften en andere giften. Op grond van artikel 6.33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001 worden onder giften verstaan: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. Giften zijn op grond van artikel 6.35 van de Wet IB 2001 aftrekbaar indien ze, voor zover hier van belang, worden voldaan aan instellingen als bedoeld in artikel 6.33 eerste lid, onder b en tweede lid onder c, van de Wet IB 2001.
**Bevoordeling uit vrijgevigheid**
Belanghebbende heeft ervoor gekozen om lid te worden van de kloostergemeenschap. De gelofte van armoede is onderdeel van de keuze om toe te treden tot de kloostergemeenschap. Deze keuze is vrijwillig waardoor het afstaan van de inkomsten kan worden gezien als vrijgevigheid. De uitspraken van de Hoge Raad van 13 mei 2013, ECLI:HR:2013:BY8105, ECLI:HR:2013:BY8117 en ECLI:HR:2013:BY8147 zijn van overeenkomstige toepassing. Van een bevoordeling uit vrijgevigheid is naar het oordeel van de kennisgroep in deze casus sprake.
**Naam dienstonderdeel**
Kennisgroep IB niet-winst algemeen
**Contactpersoon**
Kennisgroep
**Datum**
18 februari 2020
**Versienummer**
2.0 def
**Referentienummer**
KG-19-202-0019
**Datum vaststelling**
18 februari 2020
**Vastgesteld door**
5.1.2e
**Opdrachtgever**
Kennisgroep IB niet-winst algemeen
**Auteur**
5.1.2e
**Behandeld door**
5.1.2e
**Kopie aan**
Leden kennisgroep
**Bijlagen**
Geen
—
**Verplichte bijdragen**
Dan resteert nog de vraag of sprake is van verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat.
**Periodieke giften**
In het arrest van 21 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0631 komt de Hoge Raad in een casus met betrekking tot een periodieke gift aan een met een kloostergemeenschap vergelijkbare organisatie tot het oordeel dat geen sprake kan zijn van een periodieke gift omdat sprake is van bij voortduring tegenover elkaar staande rechten en verplichtingen. In die casus kwam de Hoge Raad niet toe aan de vraag of de inkomsten die worden afgestaan aan de gemeenschap voor aftrek als andere giften in aanmerking konden komen.
**Andere giften**
In het arrest van 21 maart 2001 komt de Hoge Raad niet toe aan de beantwoording van de vraag of sprake kan zijn van andere giften. In het arrest van 19 december 1956, BNB 1957/46 heeft de Hoge Raad deze vraag echter wel beantwoord. In dit arrest van 19 december 1956 geeft de Hoge Raad aan dat “het karakter van een gift (…) alleen moet worden ontzegd indien en voorzover de tegenover de verplichting staande rechten voor den belastingplichtige een geldswaarde vertegenwoordigen”. In deze casus overtreffen de aan de kloostergemeenschap afgestane inkomsten de geldswaarde van de daartegenover staande rechten. Het inkomen is in dit geval hoger dan de daar tegenover staande tegenprestatie. Er zal dus – op grond van het arrest van de Hoge Raad van 19 december 1956 – beoordeeld moeten worden welk gedeelte van de afgestane inkomsten als andere gift voor aftrek in aanmerking komt. Om de waarde van de tegenprestatie te kunnen bepalen kan aansluiting gezocht bij de waarden zoals staat vermeld in artikel 3.8 van de uitvoeringsregeling van de loonbelasting 2011.
**Gemiddelde uitgaven van 1 persoon**
Per dag | Per jaar
Maaltijden | € 3.35 | € 1.223
Huisvesting en inwoning, het genot van energie, water en bewassing | € 5.55 | € 2.026
Nominale premie zorgverzekeringswet | € 1.362
Op geldswaarde waardeerbare rechten | € 4.611
Er kan van worden uitgegaan dat alle leden van een kloostergemeenschap een inkomen hebben dat zodanig is dat dit het op geldswaarde berekende bedrag van de tegenprestatie altijd het bedrag van het maximaal aftrekbare bedrag voor andere giften, 10% van het verzamelinkomen, overtreft. (Indien dit niet het geval is, is het inkomen zodanig laag dat giftenaftrek niet relevant is omdat dit niet tot een teruggaaf van belasting zal leiden).
Op basis van het bovenstaande moet de conclusie worden getrokken dat een lid van een kloostergemeenschap voor aftrek van andere giften in aanmerking komt tot het maximale bedrag van 10% van het verzamelinkomen.
+ Het afstaan van de inkomsten van de leden van de gemeenschap tegenover het verstrekken van onderdak, levensonderhoud en verzorging in geval van ziekte door de gemeenschap.
**Opmerking**
In het arrest van 21 maart 2001 verwijst de Hoge Raad voor de vraag of aftrek als andere gift mogelijk is wel naar het arrest van 19 december 1956. Deze bedragen komen globaal overeen met de bedragen zoals deze door het CBS zijn berekend.
Geef een reactie