1693969

AI-samenvatting

De moeder van het kind komt niet in aanmerking voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Volgens artikel 8.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 moet het kind op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staan ingeschreven. Hoewel er in de uitvoeringsregeling een uitzondering is voor co-ouders, geldt dat het kind doorgaans ten minste drie dagen per week bij beide ouders moet verblijven. In deze casus verblijft het kind niet regelmatig genoeg bij de moeder om aan deze eis te voldoen, en bovendien verblijft het kind minder dan zes maanden per jaar in het huishouden van de moeder.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

AI-samenvatting

De moeder van het kind komt niet in aanmerking voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Volgens artikel 8.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 moet het kind op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staan ingeschreven. Hoewel er in de uitvoeringsregeling een uitzondering is voor co-ouders, geldt dat het kind doorgaans ten minste drie dagen per week bij beide ouders moet verblijven. In deze casus verblijft het kind niet regelmatig genoeg bij de moeder om aan deze eis te voldoen, en bovendien verblijft het kind minder dan zes maanden per jaar in het huishouden van de moeder.

**Belastingdienst**
**Memo IACK en co-ouderschap**

**Casus**
Een piloot en een stewardess hebben samen een kind. Het kind staat ingeschreven bij de vader. In het kader van de echtscheiding spreken zij co-ouderschap af. Door de onregelmatige werktijden is het niet mogelijk om vaste wekelijkse afspraken te maken over het verblijf van het kind. Het kind blijft gedurende het jaar onregelmatig bij beide ouders. Per saldo verblijft het kind 193 dagen per jaar bij de moeder. In totaal verblijft het kind 38 weken 3 dagen of meer bij de moeder. Deze weken zijn verspreid over het hele jaar. Het kind verblijft in totaal 25 weken per jaar 3 dagen of meer bij beide ouders.

**Vraag**
Komt de moeder in aanmerking voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting?

**Antwoord**
Nee

**Beschouwing**
Artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel b, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) stelt als voorwaarde voor de toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting dat het kind op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven. Bij co-ouders die de zorg voor hun kind binnen een week verdelen behoort het kind onder bepaalde omstandigheden tot het huishouden van beide co-ouders. Inschrijving in de basisregistratie personen is echter slechts mogelijk op het woonadres van een van beide ouders.

In artikel 44b uitvoeringsregeling IB 2001 kan daarom worden afgeweken van deze voorwaarde. Artikel 44b bepaalt dat voor de toepassing van artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel b, van de wet, een kind dat niet op hetzelfde woonadres staat ingeschreven in de basisregistratie personen, wordt beschouwd toch op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige te staan ingeschreven in de basisregistratie personen gedurende de periode van het kalenderjaar dat het kind tegelijkertijd tot het huishouden van diens beide ouders behoort en het kind op hetzelfde woonadres als diens andere ouder staat ingeschreven in de basisregistratie personen.

Voor de toepassing van de eerste volzin behoort een kind tegelijkertijd tot het huishouden van diens beide ouders indien hij doorgaans ten minste drie gehele dagen per week in elk van beide huishoudens verblijft.

In de ministeriële regeling is hierover het volgende opgenomen:
“In de slotzin wordt opgenomen wanneer een kind tegelijkertijd tot het huishouden van beide ouders behoort. Hier wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie op dit punt. Recentelijk (HR 2 november 2001, nr. 36 588) maar ook eerder (HR 25 november 1998, nr. 33 642) is door de Hoge Raad aangegeven dat een verblijf van doorgaans ten minste drie tot drieënhalve dag per week bij de belastingplichtige voldoende is, om (volledig) tot diens huishouden te behoren. In de regeling ís daarbij aangestoten door op te nemen dat indien een kind doorgaans ten minste drie gehele dagen (3 x 24 uur) in de week bij de belastingplichtige verblijft en de overige dagen van de week doorgaans bij de andere ouder, het kind tegelijkertijd tot het huishouden van beide, niet samenwonende, co-ouders behoort.”

Ministeriële regeling van 20 december 2001, nr. WDB 2001/760M, Stcrt. 2001, 250.

De bepaling in de uitvoeringsregeling is, zoals hiervoor blijkt, gebaseerd op jurisprudentie, met name HR 2 november 2001, nr. 36.588, NTFR 2001/1512. In dit arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een kind niet tot het huishouden van een belastingplichtige behoort indien het verblijf van dat kind bij die belastingplichtige te bijkomstig is. Meer specifiek heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ingeval een kind van niet samenwonende ouders behoort tot het huishouden van een der ouders, slechts kan worden aangenomen dat het verblijf bij de andere ouder niet te bijkomstig is indien het kind in gelijke of vrijwel gelijke mate, dat wil zeggen doorgaans ten minste 3 tot 3,5 dag per week in het huishouden van die ouder heeft verbleven. Vervolgens heeft de Hoge Raad nog expliciet overwogen dat het niet voldoende is dat een kind in het kalenderjaar gemiddeld 3 tot 3,5 dag per week bij de ene ouder heeft verbleven omdat dat niet automatisch meebrengt dat het kind doorgaans ten minste 3 tot 3,5 dag per week in het huishouden van die ouder heeft verbleven. Uit het arrest kan niet worden afgeleid dat de eis van doorgaans ten minste 3 tot 3,5 dag per week beperkt is tot gevallen waarin het kind binnen een week bij beide ouders verblijft. Door die specifieke toevoeging lijkt het er veeleer op dat het doorgaans criterium een welbewust onderdeel is van de beoordeling ‘in gelijke of vrijwel gelijke mate verblijven bij de andere ouder’. De Hoge Raad lijkt met het ‘doorgaans’ criterium dan ook bedoeld te hebben om met een verblijf van doorgaans 3 tot 3,5 dag per week een duidelijke grens te stellen tussen bijkomstig en niet bijkomstig verblijf.

De aanvullende voorwaarde gaat uit van de reguliere situatie; het kind moet doorgaans drie dagen per week tot het huishouden van de co-ouder behoren. Het gebruik van de term ‘doorgaans’ maakt het mogelijk om in bijzondere situaties, zoals vakanties, af te wijken van de basisregel.

Rechtbank Gelderland (14 juni 2016, nr. 15/6067, NTFR 2016/1854) heeft geoordeeld dat ook in een situatie dat het kind steeds gedurende een week tot het huishouden van de ene en een week tot het huishouden de andere ouder behoort, beide ouders recht hebben op de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

In het geval van belanghebbende is er geen sprake van een wekelijkse wisseling maar zijn er ieder kwartaal periodes van 3 tot 4 weken waarin het kind meer dan 5 dagen bij de ene of de andere ouder verblijft. In dat geval kan niet gezegd worden dat het kind doorgaans tenminste ten minste drie gehele dagen per week in elk van beide huishoudens verblijft.

Ook indien in voorgaande situatie wel aan het begrip doorgaans zou worden voldaan, komt de moeder nog niet in aanmerking voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Op grond van art. 44b uitvoeringsregeling wordt het kind beschouwd toch op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige te staan ingeschreven gedurende de periode dat het kind tegelijkertijd tot het huishouden van diens beide ouders behoort. Dit is in de casus 25 weken van het jaar. Dit is minder dan zes maanden.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *