AI-samenvatting
In het memo van de Belastingdienst wordt een casus besproken over co-ouderschap en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (ACK). A en B hebben samen een kind en na hun scheiding in 2018 is er sprake van co-ouderschap. B claimt de ACK, wat terecht is, omdat het kind bij A woont en ook op dat adres is ingeschreven. In 2021 gaat B samenwonen met C, die in 2022 de ACK claimt. De vraag is of C recht heeft op de ACK voor het kind. Het memo concludeert dat C, mits aan de overige voorwaarden voldaan is, recht heeft op de ACK, omdat C als fiscaal partner wordt aangemerkt en het kind als eerstegraads aanverwant wordt beschouwd. B heeft in deze situatie geen recht op de ACK.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
In het memo van de Belastingdienst wordt een casus besproken over co-ouderschap en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (ACK). A en B hebben samen een kind en na hun scheiding in 2018 is er sprake van co-ouderschap. B claimt de ACK, wat terecht is, omdat het kind bij A woont en ook op dat adres is ingeschreven. In 2021 gaat B samenwonen met C, die in 2022 de ACK claimt. De vraag is of C recht heeft op de ACK voor het kind. Het memo concludeert dat C, mits aan de overige voorwaarden voldaan is, recht heeft op de ACK, omdat C als fiscaal partner wordt aangemerkt en het kind als eerstegraads aanverwant wordt beschouwd. B heeft in deze situatie geen recht op de ACK.
**Belastingdienst**
**VERTE OU EL IJK**
**memo Co-ouderschap, inkomensafhankelijke combinatiekorting en nieuwe partner**
Dit standpunt is een actualisering van KG 07-202-0014 d.d. 16 mei 2007. Het standpunt is aangepast naar aanleiding van gewijzigde wetgeving.
**Casus**
A en B hebben samen een kind. In 2018 gaan zij uit elkaar, hierna is er sprake van co-ouderschap. Het kind blijft bij A wonen en staat ook op dat woonadres ingeschreven. Omdat B heeft aangetoond dat het kind tegelijkertijd tot het huishouden van diens beide ouders behoort (co-ouderschap), claimt B in deze periode terecht de inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna: ACK) op basis van artikel 14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) jo. artikel 44b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: URIB 2001). Per 2021 besluit B te gaan samenwonen met C. Aangezien B en C samen een eigen woning hebben gekocht, worden zij vanaf dit jaar aangemerkt als fiscaal partners. C heeft in 2022 een lager arbeidsinkomen dan 8. In 2022 claimt C de ACK. Het kind heeft in 2022 de leeftijd van 12 jaar nog niet bereikt.
**Vraag**
Heeft C een kind als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 en bestaat daarmee recht op de ACK?
**Antwoorden**
Ja, in dit geval heeft C een kind als bedoeld in artikel 8.143, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001. Ervan uitgaande dat C aan de overige voorwaarden voldoet, heeft C recht op toepassing van de ACK.
**Beoordeling**
**Wettelijk kader**
In artikel 1.2, zesde lid, Wet IB 2001 is bepaald dat voor de toepassing van de gehele wet en de daarop berustende bepalingen de partner voor de bepaling van aanverwantschap wordt gelijkgesteld met een gehuwde.
In artikel 8.142, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 is voor toepassing van de ACK de volgende voorwaarde neergelegd:
“In het kalenderjaar gedurende ten minste zes maanden een kind dat bij aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen.”
**Beoordeling**
De bepaling in artikel 1.2, zesde lid, Wet IB 2001 heeft tot gevolg dat bloedverwanten van de partner of van de belastingplichtige worden aangemerkt als aanverwant van de belastingplichtige respectievelijk zijn partner. Ook op dit terrein vindt derhalve fiscaal een behandeling plaats van ongehuwd samenwonenden die identiek is aan de behandeling van gehuwden.
Op basis van de hiervoor genoemde bepaling heeft C een kind in de zin van artikel 2, derde lid, onderdeel i, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het kind is voor C een eerstegraads aanverwant in de neergaande lijn.
Vanwege de hiervoor genoemde gelijkstellingen heeft C een kind als bedoeld in artikel 8.143, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001. Ervan uitgaande dat het kind ook in 2022 tegelijkertijd tot het huishouden van diens beide ouders behoort en C een lager arbeidsinkomen heeft dan zijn partner, heeft C in dat jaar recht op toepassing van de ACK. B heeft in deze situatie geen recht op de ACK.
**Conclusie**
In deze casus heeft C een kind als bedoeld in artikel 8.143, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001. Ervan uitgaande dat hij aan de overige voorwaarden voldoet, heeft hij recht op toepassing van de ACK.
Geef een reactie