Aanleiding
De fiscale eenheid X heeft een verzoek om vooroverleg ingediend voor toepassing van de innovatiebox over de periode 2024 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2023. De aangiften vennootschapsbelasting zijn ingediend tot en met het jaar 2024.
Feiten
X is een industriële onderneming met [151 – 300] personeelsleden in Nederland. De omzet van X wordt (deels) behaald met eigen producten waarin (gepatenteerde) technologie is verwerkt die is ontwikkeld door X (productgroep A).
X maakt onderdeel uit van een internationaal concern. De fiscale eenheid X verricht transacties met buitenlandse groepsvennootschappen (met een (in-)directe verbondenheid groter dan 25%) die onder andere de producten van X wereldwijd verkopen. Een klein deel van de R&D- werkzaamheden is uitbesteed aan een gelieerde vennootschap.
X is entrepreneur en eigenaar van de door haar zelf voortgebrachte immateriële activa. Naast het verrichten van routinematige activiteiten met betrekking tot productie, heeft X ook een entrepreneursrol met bijbehorende functies als Corporate Excellence, Marketing & Sales en R&D. In dat kader beschikt X over een R&D-afdeling en brengt immateriële activa voort waarvoor jaarlijks WBSO-verklaringen worden verkregen, met over de periode 2020 tot en met 2024 gemiddeld [> 50.000] toegekende en gerealiseerde S&O-uren per jaar. Bij deze S&O-activiteiten zijn gemiddeld [> 50] R&D medewerkers betrokken. De succesvol afgeronde S&O-projecten hebben geleid tot meerdere aangevraagde en verleende patenten.
In het verzoek om vooroverleg wordt verzocht om toepassing van de afpelmethode.
Rechtskader
Het verzoek van X om toepassing van de innovatiebox ziet op de artikelen 12b t/m 12bg van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Voorts zijn het Innovatieboxbesluit 2021 en het Innovatieboxbesluit 2025, hierna (gezamenlijk) te noemen "besluit innovatiebox", het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, paragraaf 3 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) aan de orde.
Overwegingen
1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten
voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties.
2. De door X gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. X kwalificeert niet als een kleinere belastingplichtige als bedoeld in artikel 12ba, lid 2, van de Wet Vpb, omdat gedurende 2025 en de vier voorafgaande boekjaren tezamen de groep (waar X gedurende die boekjaren deel van uitmaakte) een netto-omzet als bedoeld in artikel 12ba, lid 2, onderdeel b, van de Wet Vpb, heeft behaald die gelijk of hoger is dan € 250.000.000.
4. X heeft de economische eigendom van één of meer zelf voortgebrachte kwalificerende immateriële activa als bedoeld in artikel 12b van de Wet Vpb. Deze kwalificerende immateriële activa zijn voortgevloeid uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor één of meer S&O-verklaringen zijn afgegeven aan X. In aanvulling daarop is sprake van aan X verleende en door haar aangevraagde patenten.
5. Door X is op het laagst mogelijke aggregatieniveau en op de meest passende wijze bepaald wat de met de kwalificerende immateriële activa samenhangende voordelen zijn. Het aggregatieniveau is daarbij vastgesteld op de fiscale EBIT die specifiek toerekenbaar is aan de in Nederland ontwikkelde technologie. Gelet op de belangrijke functie van R&D in de onderneming is deze functie aangemerkt als kernfunctie, hetgeen meebrengt dat het gebruik van de afpelmethode hier het meest geschikt is om de kwalificerende voordelen te bepalen. Bij de bepaling van de voordelen is derhalve het verzoek van X gevolgd om in lijn met het besluit innovatiebox de afpelmethode te hanteren en de fiscale kwalificerende operationele winst (de EBIT) toerekenbaar aan productgroep A als startpunt te nemen waarbij rekening wordt gehouden met voortbrengingskosten.
6. De vaststelling van het voordeel is ontleend aan het gedachtegoed van de verrekenprijzen en meer in het bijzonder aan een functionele analyse op hoofdlijnen en is door de Belastingdienst beoordeeld op basis van door de belastingplichtige (desgevraagd) verstrekte informatie.
7. Daarbij wordt eerst een beloning in aanmerking genomen voor de in de onderneming uitgevoerde routinematige functie. De routinematige activiteiten zijn ondergebracht in een separate maatschappij binnen de fiscale eenheid van X. De fiscale EBIT van deze maatschappij valt niet onder de innovatiebox en wordt belast tegen het reguliere tarief.
8. De restwinst met betrekking tot productgroep A wordt vervolgens gealloceerd op basis van een relatieve weging van de onderkende kernfuncties. In de analyse naar het belang van de R&D-functie zijn de volgende factoren meegewogen. X verricht grote inspanningen op het gebied van R&D. Dat uit zich o.a. in de relatief aanzienlijke omvang van het aantal S&O-uren, maar ook in de aantallen medewerkers die betrokken zijn bij de R&D- activiteiten in verhouding tot de aantallen medewerkers die betrokken zijn bij de overige (kern-)functies. Voorts is sprake van unieke technologie hetgeen blijkt uit de aangevraagde en verkregen patenten.
9. Op basis van deze analyse is geconcludeerd dat een gedeelte van [31% – 45%] van de resterende operationele winst door X kan worden toegerekend aan artikel 12b van de Wet Vpb. De overige operationele winst is toerekenbaar aan de kernfuncties Marketing & Sales en Corporate Excellence, en wordt belast tegen het reguliere tarief.
10. Er is sprake van uitbestede R&D-werkzaamheden als bedoeld in artikel 12bb van de Wet Vpb aan een buitenlandse groepsmaatschappij die kan worden aangemerkt als verbonden lichaam. De Nexuscorrectie wordt op het aggregatieniveau van productgroep A toegepast, en is voor 2025 en de vier boekjaren jaren voorafgaand aan het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2025 vastgesteld op [0,76 – 1]. Er is geen sprake van gekochte immateriële activa.
Conclusie
De Belastingdienst is in het vooroverleg tot de conclusie gekomen dat aan de eisen voor de gevraagde toepassing van de innovatiebox is voldaan. Er is overeenstemming bereikt over de toepassing van de innovatiebox. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029, en is van overeenkomstige toepassing op het jaar 2024, waarvoor de aangifte vennootschapsbelasting al is ingediend.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie