rul-20251202-rulov-000012

20251202 RULOV 000012

Samenvatting

Aanleiding

X heeft verzocht om zekerheid vooraf over de gevolgen voor de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB) ter zake van toekomstige dividenden en inkopen van aandelen. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025.

Feiten

X is tophoudster van een beursgenoteerd concern dat wereldwijd actief is in de industriële sector. X is een vennootschap opgericht naar Nederlands recht en was aanvankelijk feitelijk gevestigd in Nederland. X beschikte over personeel en kantoorruimte in Nederland. Inmiddels is X vanwege zakelijke overwegingen feitelijk gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (Verdragsland A). X wordt op basis van de nationale wetgeving van Verdragsland A gezien als inwoner aldaar en is aan een winstbelasting onderworpen in haar land van vestiging. Daarnaast is X ook inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting onder de wetgeving van Verdragsland A. Ook op grond van het van toepassing zijnde belastingverdrag tussen Nederland en Verdragsland A wordt X gezien als inwoner van Verdragsland A. X heeft als beursvennootschap geen volledig zicht op haar aandeelhoudersbestand. X is voornemens om dividend uit te keren dan wel over te gaan tot een inkoop van aandelen. In het van toepassing zijnde belastingverdrag tussen Nederland en Verdragsland A is een bepaling opgenomen die vergelijkbaar is met artikel 10, vijfde lid, van het OESO-Modelverdrag.

Rechtskader

X is op grond van artikel 1, eerste en derde lid, van de Wet DB inhoudingsplichtig voor de Nederlandse dividendbelasting. In het verzoek wordt verzocht om zekerheid vooraf over de gevolgen voor de Wet DB ter zake van toekomstige dividenden en inkopen van aandelen waarbij rekening wordt gehouden met het verbod op extraterritoriale heffing (op grond van een bepaling in het belastingverdrag conform artikel 10, vijfde lid van het OESO-Modelverdrag). Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

20251202 RULOV
0000121. In paragraaf 3, onderdeel a van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter is voorbehouden aan situaties waarin sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. In dezelfde paragraaf 3, onderdeel a, laatste zin wordt hierop een uitzondering gemaakt, indien de bepaling inzake de economische nexus naar haar aard niet van toepassing is. Het feit dat X als zelfstandig verzoekend lichaam niet langer beschikt over economische nexus in Nederland staat in dit specifieke geval het vooroverleg niet in de weg, nu dat passend is bij de aard van de gevraagde zekerheid.
2. De gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting is niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties.
3. Op grond van de vestigingsplaatsfictie van artikel 1, derde lid, van de Wet DB in combinatie met artikel 1, eerste lid, van de wet DB, is X inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting. Op grond van het van toepassing zijnde belastingverdrag tussen Nederland en Verdragsland A wordt Nederland niet beperkt in haar heffingsrecht over dividenden uitgekeerd aan de aandeelhouders van X die inwoner zijn van Nederland. Nederland wordt echter beperkt in het heffingsrecht voor zover de dividenden worden betaald aan aandeelhouders die geen inwoner van Nederland zijn en deze aandeelhouders geen vaste inrichting in Nederland hebben waaraan de aandelen zijn toe te rekenen. Een inkoop van aandelen werkt in dit specifieke geval niet anders uit onder het van toepassing zijnde belastingverdrag.
4. Omdat X als beursvennootschap geen volledig zicht heeft op haar aandeelhoudersbestand, en dus niet van al haar aandeelhouders weet in welk land zij inwoner zijn, maakt X kort vóór elke terbeschikkingstelling van een opbrengst in de zin van artikel 3 Wet DB, een benadering c.q. schatting van het gedeelte van haar aandeelhoudersbestand dat is toe te rekenen aan inwoners van Nederland. Deze benaderingsmethodiek is een overeengekomen invulling van de vrije bewijsleer en is gebaseerd op publieke objectieve data in combinatie met een schatting. X zal op grond van artikel 6 van de Wet DB de opbrengst die voortvloeit uit toepassing van de uitkomst van de benaderingsmethodiek bruteren, uitgezonderd van mogelijke Nederlandse aandeelhouders van wie de identiteit is vastgesteld en ten laste van wie ingehouden kan worden dan wel ten aanzien van wie een inhoudingsvrijstelling kan worden toegepast. De dividendbelasting die over deze gebruteerde opbrengst verschuldigd is, zal worden afgedragen aan de Belastingdienst.

Conclusie

X blijft inhoudingsplichtig voor de Wet DB. Nederland wordt op grond van het belastingverdrag niet beperkt in dit nationale heffingsrecht voor zover betaald wordt aan inwoners van Nederland. Een schatting c.q. benaderingsmethodiek van het gedeelte van het aandeelhoudersbestand dat is toe te rekenen aan inwoners van Nederland is overeengekomen. Op basis van artikel 6 van de Wet DB zal de opbrengst worden gebruteerd, uitgezonderd van mogelijke Nederlandse aandeelhouders van wie de identiteit is vastgesteld en ten laste van wie ingehouden kan worden dan wel ten aanzien van wie een inhoudingsvrijstelling kan worden toegepast. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.

Belang: