20251125 RULOV 000002
Samenvatting
Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of X kwalificeert als buitenlands belastingplichtige voor de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Het verzoek ziet op de jaren 2023 tot en met 2027.
Feiten
X is ingesteld op basis van lokale wetgeving van een land buiten de Europese Unie waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland A). X is een organisatorisch onderdeel van een bepaalde regio van verdragsland A en verricht een publieke taak. X heeft een mandaat om het pensioenvermogen te beheren van een groep ambtenaren werkzaam voor een bepaalde regio van verdragsland A. X investeert door middel van samenwerkingsverbanden in Nederlands vastgoed. Voor doeleinden van het verzoek wordt ervan uitgegaan dat deze fiscaal transparant zijn naar Nederlandse maatstaven. Deze investeringen betreffen het rendabel maken van vermogen op een wijze die gezien wordt als normaal vermogensbeheer. X heeft geen andere band met Nederland dan het houden van deze investeringen.
Rechtskader
X vraagt zekerheid dat zij niet buitenlands belastingplichtig is voor de Wet Vpb. Specifiek stelt zij dat zij vergelijkbaar is met een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon en geen onderneming drijft als bedoeld in artikel 3, derde lid van de Wet Vpb. Als gevolg daarvan kwalificeert zij niet als buitenlands belastingplichtige in zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet Vpb. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het vereiste van economisch nexus is naar haar aard, gezien de gevraagde zekerheid (buitenlandse belastingplicht van X), niet toepasbaar ten aanzien van X. Desalniettemin beschikt X in dit specifieke geval over economische nexus in Nederland gezien haar investeringen in Nederlands vastgoed. 20251125 RULOV
0000022. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. In beginsel is X buitenlands belastingplichtig voor de Wet Vpb op grond van de hoofdregel van artikel 3, eerste lid, juncto artikel 17, juncto artikel 17a van de Wet Vpb vanwege het Nederlands vasgoed wat zij houdt. Hiervan wordt afgeweken op grond van artikel 3, derde lid van de Wet Vpb indien X vergelijkbaar is met een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon en geen onderneming drijft.
4. X heeft aangetoond dat zij vergelijkbaar is met een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon. Hierbij is onder andere meegewogen dat X geen privaatrechtelijke rechtspersoon is, maar bij speciale wet is ingesteld, daarbij rechtspersoonlijkheid heeft verkregen, een wettelijk opgedragen taak uitvoert en daarbij verordende bevoegdheid bezit.
5. Vervolgens is beoordeeld of X een materiële onderneming drijft in Nederland. De fictie van artikel 17a van de Wet Vpb is niet van toepassing bij deze beoordeling. X heeft aangetoond dat van een dergelijke materiële onderneming in Nederland geen sprake is. X verricht normaal vermogensbeheer in Nederland dat het beleggingskarakter niet ontstijgt. Ook de fictie van artikel 4, onderdeel b, van de Wet Vpb maak dit niet anders aangezien de pensioenwerkzaamheden van X slechts plaatsvinden vanuit verdragsland A en niet vanuit Nederland.
Conclusie
X is vergelijkbaar met een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon en drijft geen materiële onderneming in Nederland als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet Vpb. X is dientengevolge niet buitenlands belastingplichtig in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet Vpb voor haar Nederlands inkomen uit (vastgoed)beleggingen. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2027.