20251014 RULOV 000009
Samenvatting
Aanleiding
Z heeft verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) ten aanzien van een deel van een grensoverschrijdende financiering. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een afspraak tot en met 2024.
Feiten
Z, een vennootschap opgericht naar Nederlands recht en feitelijk gevestigd in Nederland, maakt onderdeel uit van een groot internationaal concern dat actief is in de industriële sector, de A- groep. De A-groep verricht middels diverse in Nederland gevestigde groepsvennootschappen bedrijfseconomische operationele activiteiten in Nederland en heeft in Nederland [301 – 500] personeelsleden. A, de tophoudster van het concern, is een vennootschap gevestigd buiten Europa. Z houdt diverse deelnemingen gevestigd binnen en buiten Nederland en functioneert als Europees hoofdkantoor. Z is gevoegd in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met diverse in Nederland gevestigde groepsvennootschappen. De A-groep heeft in 2020 een aantal vennootschappen van de Y-groep overgenomen, een derde partij. Specifiek heeft Z een aantal vennootschappen direct verworven. Ook heeft Z financiering verstrekt aan een vennootschap gevestigd buiten Europa, B, om deze vennootschap in staat te stellen een vennootschap van de Y-groep, gevestigd in dezelfde regio, direct te verwerven. Aanvankelijk waren beide transacties gefinancierd met kortlopende leningen die de A-groep extern had ingeleend via een in Nederland gevestigde groepsvennootschap, C, die gevoegd is in dezelfde fiscale eenheid als Z. Na een korte periode heeft A een langlopende obligatielening aangetrokken uit de markt en doorgeleend aan Z door middel van een langlopende lening. Z heeft de gelden onder andere aangewend om haar kortlopende leningen terug te betalen aan C. C heeft op haar beurt de gelden aangewend om de door haar aangetrokken externe financiering af te lossen. De voorwaarden van de langlopende lening van A aan Z zijn vrijwel geheel gelijk aan die van de langlopende obligatielening qua looptijd, rente en aflossingsschema. De gelden zijn niet via hybride financieringen verstrekt of via hybride entiteiten geleid. Ten tijde van de herfinanciering is de vordering van Z op B omgezet in kapitaal omdat de financiële positie van B dermate verslechterd was dat het de operationele activiteiten van B in gevaar bracht.
Rechtskader
20251014 RULOV 000009Het verzoek ziet op de toepassing van artikel 10a van de Wet Vpb ten aanzien van de langlopende lening die Z is aangegaan bij A in zoverre deze is aangewend voor de directe verwerving van de vennootschappen van de Y-groep alsmede het deel dat in verband staat met de kapitaalstorting in B. Specifiek zoekt men bevestiging dat een geslaagd beroep kan worden gedaan op de tegenbewijsregeling van artikel 10a, derde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb en de rente niet in aftrek beperkt wordt door de toepassing van artikel 10a van de Wet Vpb. Relevant zijn hierbij het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen van belang.
Overwegingen
1. De A-groep oefent in Nederland operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van Z uitgeoefend. De activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern.
2. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting is niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handelingen of transacties. Aanvullend heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Artikel 10a van de Wet Vpb dient getoetst te worden als ware er geen fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (artikel 15, zestiende lid, van de Wet Vpb). De langlopende lening die Z is aangegaan bij A is een lening van een verbonden lichaam en valt onder de reikwijdte van het eerste lid van artikel 10a, van de Wet Vpb. Zij houdt verband met verwervingen van aandelen in vennootschappen die na de verwervingen verbonden lichamen zijn van Z. Ook het deel van de lening van Z dat in verband staat met de kapitaalstorting in B (door het omzetten van een vordering in kapitaal in een verbonden lichaam), valt onder deze reikwijdte.
4. Tenzij Z aannemelijk maakt dat aan de rechtshandelingen en aan de schuld in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen (“dubbele zakelijkheidstoets”) of indien er sprake is van compenserende heffing, is de rente op de langlopende lening aan Z, kosten daaronder begrepen, in aftrek beperkt.
5. Z heeft aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de dubbele zakelijkheidstoets voor wat betreft het deel van de langlopende lening dat samenhangt met de directe externe acquisities. Aan deze rechtshandelingen liggen in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag. Dit geldt ook voor de daarmee samenhangende schuld nu Z een reële financieringsbehoefte aannemelijk heeft gemaakt en de externe financiering aangetrokken op het niveau van A niet onzakelijk omgeleid is naar Z. Van belang is hierbij ook geacht dat er op het doorlenen van de gelden vanuit A naar Z geen gebruik is gemaakt van hybride leningen en ook niet van hybride entiteiten.
6. Z heeft ook aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de dubbele zakelijkheidstoets voor wat betreft het deel van de langlopende lening dat samenhangt met de kapitaalstorting in B. Ten aanzien van de omzetting van de vordering van Z in aandelenkapitaal in B heeft Z, gezien de specifieke feiten en omstandigheden, aannemelijk gemaakt dat daar overwegend zakelijke overwegingen aan ten grondslag liggen. Ook heeft Z aannemelijk gemaakt dat aan de 20251014 RULOV 000009daarmee samenhangende schuld overwegend zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Hierbij is onder andere meegewogen dat er sprake was van een reële financieringsbehoefte en de externe financiering aangetrokken op niveau van A niet onzakelijk omgeleid is naar Z. Van belang is hierbij ook geacht dat er op het doorlenen van de gelden vanuit A naar Z geen gebruik is gemaakt van hybride leningen en ook niet van hybride entiteiten.
Conclusie
Z kan een geslaagd beroep doen op de tegenbewijsregeling van artikel 10a, derde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb voor de langlopende lening die samenhangt met de directe externe acquisities en het deel dat samenhangt met de kapitaalstorting in B. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.