rul-20250701-atr-000001

20250701 ATR 000001

Samenvatting

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2024 tot en met 2028.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X behoort tot een internationaal opererend concern in de dienstverlenende sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [151 – 300] werknemers. X treedt op als houdstervennootschap en is actief betrokken bij het aansturen van haar directe deelnemingen. X houdt aandelen in verschillende vennootschappen opgericht naar het recht van en gevestigd in landen binnen en buiten de Europese Unie. Het verzoek om zekerheid vooraf ziet op één van de deelnemingen, zijnde A. A is gevestigd in een land binnen de Europese Unie. Na oprichting heeft A in het kader van een afsplitsing assets verkregen van een reeds bestaande (groeps)vennootschap, zijnde B. B is een vennootschap opgericht naar en gevestigd in hetzelfde land binnen de Europese Unie als hiervoor. In een eerdere vaststellingsovereenkomst is reeds vastgelegd dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op de belangen van X in de overige deelnemingen, waaronder B. Als gevolg van het voorgaande zijn de relevante feiten en omstandigheden ten aanzien van B gewijzigd en is in principe de zekerheid vooraf ten aanzien van B vervallen. De activiteiten van A liggen in lijn met de activiteiten van het concern. A houdt zich bezig met het ter beschikking stellen van bedrijfsmiddelen aan een groepsmaatschappij die in dezelfde lidstaat is gevestigd als A, namelijk B. De aandelen in X worden indirect, via een andere vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland, gehouden door Y, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie. De aandelen in Y worden gehouden door Z, eveneens een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in dezelfde lidstaat van de Europese Unie als Y. Z is de beursgenoteerde tophoudster van het concern en zij drijft een materiële onderneming. A, Y en Z zijn rechtsvormen die voorkomen op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024 (Staatsblad 2024, 339). De rechtsvormen van A, Y en Z zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvormen waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvormen vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.

Rechtskader

20250701 ATR 000001 Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ziet op artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Er dient voldaan te zijn aan de eisen van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb en er mag geen sprake zijn van een als belegging gehouden deelneming als bedoeld in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming als bedoeld in artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb. De deelnemingsvrijstelling moet op het niveau van de directe deelneming (A) worden getoetst. Voorts is relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Voor het jaar 2024 is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op het belang van X in A. X houdt meer dan 5% van de aandelen in A. A heeft een rechtsvorm die vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap op grond van het besluit van 11 december 2009, nr. CPP2009/519M (Besluit kwalificatie buitenlandse samenwerkingsverbanden), zodat de deelneming kwalificeert als een niet- transparante entiteit. Derhalve wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb.
4. Ook voor het jaar 2025 en verder is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op het belang van X in A. De rechtsvorm van A is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Als gevolg van het voorstaande wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb.
5. Vervolgens is beoordeeld of A voldoet aan de oogmerktoets en derhalve niet dient te worden aangemerkt als een beleggingsdeelneming in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb.
6. A voldoet niet aan de oogmerktoets. Op grond van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb wordt A namelijk geacht een beleggingsdeelneming te zijn, aangezien A zich grotendeels bezighoudt met het ter beschikking stellen van bedrijfsmiddelen binnen de groep. Van een 20250701 ATR 000001kwalificerende beleggingsdeelneming is onder andere sprake als de deelneming is onderworpen aan een naar Nederlandse begrippen reële heffing. Dit is het geval als de deelneming is onderworpen aan een belasting naar de winst met een statutair tarief van ten minste 10%, zonder relevante stelselafwijkingen. Daar wordt hier aan voldaan. Verder zijn er ook geen stelselafwijkingen Om die reden wordt voldaan aan de onderworpenheidstoets van artikel 13, elfde lid, onderdeel a van de Wet Vpb en is de deelnemingsvrijstelling van toepassing op het belang in A.

Conclusie

De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op het belang van X in A. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 juni 2024 tot en met 31 december 2028.

Belang: