rul-20240312-atr-000009

Aanleiding

Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf over toepassing van de Hybridemismatchmaatregelen voor de Vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2022 tot en met 2026.

Feiten

X is een Vaste inrichting in Nederland. X behoort tot een internationaal opererend concern in de dienstverlenende sector. In Nederland worden door X activiteiten uitgeoefend door [11 – 25] werknemers. Y is een buitenlands samenwerkingsverband opgericht naar het recht van een staat buiten de Europese Unie (staat A) en treedt op als hoofdkantoor van de groep. Y fungeert als hoofdhuis van de Vaste inrichting X. Y houdt verder een 100% belang in Z via D1 en D2. Z, D1 en D2 zijn buitenlandse samenwerkingsverbanden opgericht naar het recht van staat A (de samenwerkingsverbanden). Y wordt nagenoeg volledig gehouden door M, een vennootschap opgericht naar het recht van en gevestigd in staat A. M is de tophoudster van het concern en de indirecte moedermaatschappij van het hoofdhuis van X. De aandelen in M worden volledig gehouden door natuurlijke personen die allen fiscaal inwoner zijn van staat A. Het resterende belang in Y wordt eveneens, indirect via fiscaal transparante entiteiten, gehouden door natuurlijke personen. Deze natuurlijke personen zijn eveneens inwoner van staat A. M, Y en D1 worden voor Nederlandse fiscale doeleinden als niet-transparante lichamen aangemerkt M, Y, X en de samenwerkingsverbanden zijn onderdeel van een consolidatieregime. Het resultaat van M, Y, X en de samenwerkingsverbanden wordt toegerekend aan de natuurlijke personen die participeren in M en aan de natuurlijke personen die indirect participeren in Y. Het hiervoor bedoelde resultaat wordt bij de natuurlijke personen in de lokale inkomstenbelasting betrokken, deze heffing is vergelijkbaar met de heffing over ondernemingswinsten in box 1 van de Wet Inkomstenbelasting 2001. X levert ondersteunende diensten aan Y en Z. Y en Z betalen daarvoor een vergoeding aan X. De ondersteunende diensten van X worden door Y en Z gebundeld tot een product en vervolgens geleverd aan derden. Hiervoor maakt X operationele kosten in het kader van haar bedrijfsvoering en doet daarvoor betalingen aan derden.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat er geen sprake is van een aftrekbeperking op grond van artikel 12aa, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Relevant hierbij is het besluit van 31 oktober 2022, nr. 2022-23956 (Besluit hybridemismatches). Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse Vaste inrichting, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. X levert diensten aan Y en Z en Y en Z betalen daarvoor een vergoeding aan X. Y en Z leveren deze diensten vervolgens aan derden. Om deze diensten te kunnen leveren maakt X operationele kosten in het kader van haar bedrijfsvoering en doet daarvoor betalingen aan derden.
4. Artikel 12aa, eerste lid, onderdeel g, van de Wet Vpb ziet op vergoedingen, betalingen, lasten of verliezen voor zover die leiden tot een dubbele aftrek. De operationele kosten van X worden in Nederland in aftrek gebracht. Door de kwalificatie van X, M, Y en de samenwerkingsverbanden – als gevolg van het consolidatieregime van staat A – als transparante lichamen kunnen deze operationele kosten ook door de natuurlijke personen in staat A in aftrek worden gebracht. Dit betekent dat er sprake is van een dubbele aftrek.
5. Vervolgens is beoordeeld of er sprake is van dubbel in aanmerking genomen inkomen als bedoeld in artikel 12ac, eerste lid, onderdeel d van de Wet Vpb. Op grond van artikel 12aa, derde lid, van de Wet Vpb is artikel 12aa, eerste lid, onderdeel g van de Wet Vpb niet van toepassing voor zover de aftrek in mindering komt op een bedrag dat dubbel in aanmerking genomen inkomen is.
6. In het Besluit hybridemismatches is in paragraaf 6.3 een voorbeeld opgenomen wanneer sprake van dubbel in aanmerking genomen inkomen is als bedoeld in artikel 12aa, derde lid van de Wet Vpb.
7. Op basis van de feiten en omstandigheden kan worden bevestigd dat wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in paragraaf 6.3 van het Besluit hybridemismatches en kan er sprake zijn van dubbel in aanmerking genomen inkomen als bedoeld in artikel 12aa, derde lid van de Wet Vpb.
8. Derhalve kan het Besluit hybridemismatches worden toegepast en kan sprake zijn van dubbel in aanmerking inkomen in de zin van artikel 12aa, derde lid van de Wet Vpb. Artikel 12aa, eerste lid, onderdeel g van de Wet Vpb is niet van toepassing voor zover er sprake is van dubbel in aanmerking genomen inkomen.

Conclusie

Artikel 12aa, eerste lid, onderdeel g, van de Wet Vpb is niet van toepassing ter zake van de operationele kosten van X voor zover er sprake is van dubbel in aanmerking genomen inkomen. X zal dit jaarlijks beoordelen. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2026.