rul-20240227-rulov-000003

Aanleiding

X heeft een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf inzake de toepassing van het tonnageregime en de vaststelling van de winst uit zeescheepvaart voor de gebroken boekjaren 2024/2025 tot en met 2028/2029.

Feiten

Groep A is een multinationale onderneming die onder meer zeescheepvaartactiviteiten verricht. X, opgericht naar Nederlands recht en in Nederland gevestigd, maakt onderdeel uit van Groep A. Binnen X worden zeescheepvaartactiviteiten ontplooid in de zin van artikel 3.22, eerste lid, onderdeel a, onder 1° Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB). X verricht strategisch en commercieel beheer en een deel van het technisch nautisch beheer en bemanningsbeheer van de zeeschepen vanuit een kantoor in Nederland met ter zake kundig personeel. Op basis van een in het verleden ingediend verzoek, dat ingewilligd is door afgifte van een beschikking, past X op grond van artikel 8, eerste lid, Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) juncto artikel 3.22, tweede lid, Wet IB reeds geruime tijd het tonnageregime toe. X wenst met onderhavig verzoek zekerheid vooraf voor de duur waarop het overgangsrecht (artikel XVII Overige fiscale maatregelen 2020) inzake de uitzondering op het vlagvereiste van toepassing is.

Rechtskader

Voor het verzoek zijn relevant artikel 8, eerste lid, van de Wet Vpb juncto artikel 3.22 tot en met 3.24 van de Wet IB. en het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 19 februari 2021, nr. 2021-9301. Het genoemde overgangsrecht is opgenomen in de Wet Overige fiscale maatregelen 2020 (Wet van 18 december 2019, Stb. 2019, 512). Relevant is hierbij het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. Groep A oefent als concern in Nederland relevante economische activiteiten uit (de zogenoemde economische neus) en voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van X binnen het concern;
2. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting is niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties;
3. De gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden;
4. De zeeschepen die worden ingezet door X kwalificeren voor de toepassing van het tonnageregime omdat ze a. zijn bestemd voor het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee als bedoeld in artikel 3.22, vierde lid, onderdeel a, onder 1°, Wet IB; b. ze kwalificeren voor het overgangsrecht inzake de uitzondering op het vlagvereiste (artikel 3.
22. lid 6 Wet IB) zoals dat is opgenomen in artikel XVII van de Wet Overige fiscale maatregelen 2020 (Wet van 18 december 2019, Stb. 2019, 512); c. ze in eigendom zijn van X, dan wel door X in rompbevrachting worden gehouden en; d. ze in belangrijke mate namens X in Nederland worden beheerd in de zin van artikel 3.22, vijfde lid, sub a, Wet IB.

Conclusie

X kwalificeert voor de tonnageregeling. De behaalde winst uit zeescheepvaart die kan worden toegerekend aan de door X geëxploiteerde zeeschepen kan op grond van artikel 8, eerste lid, Wet Vpb juncto artikel 3.23, eerste lid Wet IB forfaitair worden vastgesteld op basis van de tonnage van de zeeschepen. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2029.