rul-20231205-rulov-000009

20231205 RULOV 000009

Samenvatting

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of X als vrijgestelde organisatie kwalificeert in de zin van het relevante Belastingverdrag en ten aanzien van haar Nederlandse inkomsten verdragsvoordelen geniet.

Feiten

X is ingesteld op basis van lokale wetgeving van een land buiten de Europese Unie waarmee Nederland een Belastingverdrag heeft gesloten (Verdragsland A). X is onderdeel van Verdragsland A, beschikt over verordenende bevoegdheid en verricht een publieke taak van Verdragsland A waarmee niet in concurrentie wordt getreden. X is onderworpen aan winstbelasting in Verdragsland A maar geniet een vrijstelling. X investeert direct of indirect in Nederland gelegen vastgoed. Deze investeringen betreffen het rendabel maken van vermogen op een wijze die gezien wordt als normaal vermogensbeheer. Bij een indirecte investering zal een in Nederland gevestigde dochtermaatschappij van X investeren in Nederlands vastgoed. De inspecteur heeft eenzijdig een standpunt ingenomen en gecommuniceerd. Partijen sluiten alsnog een vaststellingsovereenkomst met inachtneming van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter.

Rechtskader

X vraagt zekerheid dat zij als vrijgestelde organisatie kwalificeert in de zin van het relevante Belastingverdrag. Specifiek dat het heffingsrecht dat Nederland mogelijk toekomt op grond van artikel 3 juncto artikel 17, juncto artikel 17a van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) beperkt wordt door het relevante Belastingverdrag en dat X gerechtigd is tot een teruggave van ten laste van haar (in te houden) Dividendbelasting op grond van de relevante uitvoeringsvoorschriften. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

20231205 RULOV
0000091. Indien X direct investeert in Nederlands vastgoed beschikt zij per definitie over voldoende economische nexus. In het geval X investeert via een dochtermaatschappij beschikt deze vennootschap door het houden van Nederlands vastgoed per definitie over voldoende economische nexus. Ten aanzien van de gevraagde zekerheid omtrent de buitenlandse belastingplicht is het vereiste van economisch nexus naar haar aard niet toepasbaar.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. X veronderstelt dat zij buitenlands belastingplichtig is voor de Wet Vpb op grond van artikel 3 juncto artikel 17, juncto artikel 17a van de Wet Vpb. Mogelijk is X vergelijkbaar met een Nederlands publiekrechtelijk rechtspersoon en drijft zij geen onderneming waardoor er geen sprake is van buitenlandse belastingplicht voor de Wet Vpb. Dit is niet nader onderzocht omdat X deze uitzondering niet gesteld heeft en de toepassing van het relevante Belastingverdrag noodzakelijk is voor de gevraagde zekerheid voor de Dividendbelasting.
4. Bij een indirecte investering zal ten laste van X in de toekomst Dividendbelasting ingehouden worden, indien de opbrengst aan haar ter beschikking gesteld wordt in de zin van artikel 3 van de Wet op de Dividendbelasting 1965 (Wet DB). X is niet gerechtigd tot een teruggaaf van Dividendbelasting op grond van artikel 10 van de Wet DB.
5. Op basis van het Belastingverdrag tussen Nederland en Verdragsland A dient te worden bepaald of Nederland beperkt wordt in haar nationale heffingsrecht. X kwalificeert als inwoner op grond van het inwonersartikel van het Belastingverdrag en heeft derhalve toegang tot het Belastingverdrag. Het relevante Belastingverdrag kent een bepaling voor vrijgestelde organisaties, waaronder voor organisaties werkzaam voor openbare doeleinden zoals X.
6. Een dergelijke organisatie wordt op grond van het Belastingverdrag vrijgesteld van belasting, indien zij: 1) in Verdragsland A van belasting is vrijgesteld; en 2) zij ook vrijgesteld zou zijn van belastingen ten aanzien van die inkomensvoordelen in de andere staat, indien zij aldaar opgericht zou zijn en al haar activiteiten aldaar zou uitoefenen; en 3) de voordelen niet opkomen uit bedrijfsmatige activiteiten.
7. Aan de eerste voorwaarde wordt voldaan. X is in Verdragsland A vrijgesteld van winstbelasting. Voor de tweede voorwaarde dient gekeken te worden hoe Nederland, als de andere staat, X nationaal in de heffing zouden betrekking indien X in Nederland zou zijn opgericht en hier al haar activiteiten zou verrichten. Op grond van artikel 2 van de Wet Vpb zou Nederland X alleen onderwerpen als binnenlands belastingplichtige voor de Wet Vpb zover zij een onderneming zou drijven. X heeft aangetoond dat van een dergelijke onderneming geen sprake is. X zou in Nederland niet onderworpen worden. In deze specifieke verdragscontext kan dit gelijkgesteld worden met vrijgesteld, zodat aan de tweede voorwaarde wordt voldaan. Aan de derde voorwaarde wordt ook voldaan. Het Belastingverdrag specificeert niet nader wat bedoeld wordt met 20231205 RULOV 000009bedrijfsmatige activiteiten. Hiervoor wordt teruggegrepen op het nationale recht. X verricht geen bedrijfsmatige activiteiten omdat er in dit geval geen sprake is van het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal actief vermogensbeheer te buiten gaat.
8. Gezien het voorgaande kwalificeert X als vrijgestelde organisatie in de zin van het relevante Belastingverdrag. Als gevolg daarvan wordt Nederland beperkt in haar nationale heffingsrecht. X is dientengevolge effectief niet buitenlands belastingplichtig voor de Wet Vpb voor haar Nederlands inkomen. Ook is zij als gevolg van toepassing van het Belastingverdrag in beginsel gerechtigd tot een teruggaaf van Dividendbelasting die ten laste van haar wordt ingehouden, de formaliteiten zoals opgenomen in de van toepassing zijnde uitvoeringsvoorschriften moeten hierbij in acht worden genomen.

Conclusie

X kwalificeert als vrijgestelde organisatie in de zin van het relevante Belastingverdrag en kan aanspraak maken op verdragsvoordelen ten aanzien van haar Nederlands inkomen. De formaliteiten zoals opgenomen in de van toepassing zijnde uitvoeringsvoorschriften moeten in acht worden genomen. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2027.