rul-20231107-atr-000011

20231107 ATR 000011

Samenvatting

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2023 tot en met 2027, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2022.

Feiten

X is een fiscale eenheid voor de Vennootschapsbelasting. X bestaat uit drie vennootschappen, A, B en C, opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X heeft een moedervennootschap gevestigd in een land binnen de Europese Unie (EU). X behoort tot een internationaal opererend concern in de industriële sector. In Nederland worden bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door X. De activiteiten worden uitgeoefend door [26 – 75] werknemers in Nederland. X houdt diverse (in)directe deelnemingen, zowel binnen als buiten de EU. X is actief betrokken bij het aansturen van haar (in)directe deelnemingen. De juridische aandeelhouders van de deelnemingen zijn A en B. A houdt direct een deelneming in Z. Z houdt op haar beurt weer (in)direct enkele deelnemingen. Z en de (in)directe deelnemingen worden op termijn geliquideerd. Momenteel houden deze deelnemingen vrijwel alleen (intra groep)vorderingen aan. De (in)directe deelnemingen van B zijn operationele vennootschappen met activiteiten die in het verlengde liggen van de activiteiten van het concern als geheel. De uiteindelijke moedermaatschappij van X, Y, is gevestigd in een land buiten de EU waarmee Nederland een Belastingverdrag heeft gesloten. Y is de tophoudster van de groep en actief in de aansturing van het concern.

Rechtskader

Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ziet op artikel 13 van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Er dient voldaan te zijn aan de eisen van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb en er mag geen sprake zijn van als belegging gehouden deelnemingen als bedoeld in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming als bedoeld in artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen). 20231107 ATR 000011

Overwegingen

1. De groep oefent in Nederland relevante economische activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Er is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op het belang van A en B in de deelnemingen. A en B houden elk meer dan 5% van de aandelen in de deelnemingen. Derhalve wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb.
4. Vervolgens is beoordeeld of de deelnemingen voldoen aan de oogmerktoets en derhalve niet dienen te worden aangemerkt als beleggingsdeelnemingen in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb. Op basis van de parlementaire geschiedenis wordt aan deze toets voldaan indien een deelneming een materiële onderneming drijft en de ondernemingsactiviteiten van deze deelneming overeenkomen met de activiteiten van de groep in haar geheel.
5. Ten aanzien van de deelneming van A in Z is sprake van een gemengd oogmerk, omdat er financieringsactiviteiten worden verricht door de (in)directe deelnemingen van A. De uitzondering van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb is in dit geval van toepassing. Er is beoordeeld of sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming waarop de deelnemingsvrijstelling alsnog van toepassing is. Van een kwalificerende beleggingsdeelneming is onder andere sprake als aan de bezittingentoets van artikel 13, elfde lid, onderdeel b van de Wet Vpb wordt voldaan.
6. Uit de verstrekte informatie kan worden opgemaakt dat de bezittingen van de (in)directe deelnemingen van A, onmiddellijk of middellijk, doorgaans niet voor meer dan de helft bestaan uit laagbelaste vrije beleggingen. De (in)directe deelnemingen kwalificeren als kwalificerende beleggingsdeelnemingen. Dit betekent dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op het belang van A in Z.
7. De deelnemingen van B zijn operationele deelnemingen. Zij verrichten activiteiten die in het verlengde liggen van de activiteiten van het concern in haar geheel. B legt een relatie tussen de bedrijfsmatige activiteiten van de moedermaatschappij en de activiteiten van de kleindochtermaatschappij(en). De (in)directe deelnemingen worden aldus bij B niet als belegging gehouden. Om deze reden is voor de deelnemingen aan de oogmerktoets, zoals opgenomen in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, voldaan.
8. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt ten aanzien van het belang van B in de deelnemingen.

Conclusie

De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de belangen van X in de deelnemingen. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2027.