rul-20221115-apa-000004

Aanleiding

X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over Verrekenprijzen voor de boekjaren 2020 tot en met 2024.

Feiten

X is gevestigd in Nederland en maakt onderdeel uit van een multinationale groep. Y is gevestigd buiten Europa en is de moedermaatschappij van de multinationale groep. Y heeft eenmalige kosten gemaakt in verband met een beursgang in het land van vestiging. Voorts maakt Y jaarlijks kosten voor het aanhouden van de beursnotering. Y wil deze kosten via X doorbelasten aan buitenlandse en Nederlandse gelieerde werkmaatschappijen. Y is van mening dat de beursgang economische en commerciële voordelen oplevert voor de gelieerde werkmaatschappijen. Het verzoek om zekerheid vooraf is afgewezen.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Relevant is hierbij het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO- modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. De OESO-richtlijnen geven een internationaal geaccepteerde invulling aan het arm’s-lengthbeginsel en worden daarom ingevolge het besluit van 22 april 2018, nr. 2018-6865 en/of het besluit van 14 juni 2022, nr. 2022-0000139020, hierna (gezamenlijk) te noemen “verrekenprijsbesluit” als een passende uitleg en verduidelijking van het in artikel 8b Wet Vpb omschreven beginsel gezien.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. In paragraaf 6.2.1, punt 2 van het verrekenprijsbesluit is opgenomen dat activiteiten met betrekking tot het aanvragen/aanhouden van een (buitenlandse) beursnotering van het lichaam zelf een aandeelhoudersactiviteit is. Voor aandeelhoudersactiviteiten behoort geen vergoeding in rekening te worden gebracht aan andere groepsmaatschappijen. De Belastingdienst heeft daarom geen zekerheid vooraf gegeven over de doorbelasting van de beursnoteringskosten door Y, via X, aan de gelieerde werkmaatschappijen.

Conclusie

De Belastingdienst heeft het verzoek om zekerheid vooraf afgewezen.