rul-20220913-atr-000001

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf ten aanzien van de vraag of er sprake is van buitenlandse belastingplicht voor de Vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2020 tot en met 2024 (aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2019).

Feiten

X, een vennootschap opgericht naar het recht van en gevestigd in een staat buiten de Europese Unie, is commanditair vennoot in Y. X is actief in de dienstverlenende sector. Y is een besloten commanditaire vennootschap opgericht naar het recht van Nederland. Y fungeert als een platform waar arbeid en kapitaal samenkomen. De arbeid wordt geleverd door een van de beherend vennoten, Z, een naar Nederlands recht opgerichte en in Nederland gevestigde vennootschap. Het personeel in Nederland van de groep waartoe Y en Z behoren, werkt voor rekening en risico van Y en beschikt over professionele kennis en (internationale) ervaring in deze sector. Y heeft eigen kantoorruimte ter beschikking. In Nederland worden door Y en Z en de Nederlandse groepsvennootschappen bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door [11 – 25] werknemers. Het doel van Y is om te investeren in verschillende portfoliovennootschappen. Het personeel is verantwoordelijk voor de selectie en aansturing van de investeringen en zal in dat kader verantwoordelijk zijn voor strategische beslissingen. De investeringen in de portfoliovennootschappen houdt Y aan via een Coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid, opgericht naar het recht van en gevestigd in Nederland.

Rechtskader

Het verzoek ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat X gelet op artikel 3, vierde lid, onderdeel a van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a juncto artikel 17a, onderdeel b van de Wet Vpb beschikt over een Vaste inrichting in Nederland. Relevant is hierbij het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. De groep oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X (via Y) uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties. De gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Y is een besloten commanditaire vennootschap opgericht naar het recht van Nederland. De investeringsactiviteiten van Y worden gekenmerkt door actieve betrokkenheid (beleidsmatige invloed) bij de portfoliovennootschappen en gaan normaal vermogensbeheer te boven. Deze activiteiten worden vanuit Nederland verricht. Derhalve drijft Y een materiële onderneming in Nederland voor toepassing van de Nederlandse belastingwet.
4. Op grond van artikel 3, vierde lid van de Wet Vpb in combinatie met artikel 17a, onderdeel b van de Wet Vpb kan een buitenlandse vennootschap aangemerkt worden als buitenlands belastingplichtige indien zij deelneemt in een in Nederland gedreven onderneming. Dit betekent dat de buitenlandse commanditaire vennoten in de commanditaire vennootschap buitenlands belastingplichtig kunnen zijn indien de commanditaire vennootschap een onderneming drijft naar Nederlandse fiscale maatstaven. Zoals hiervoor opgemerkt, drijft Y een materiële onderneming. Dit betekent dat X als buitenlandse commanditaire vennoot van Y wordt geacht een onderneming te drijven middels een Vaste inrichting in Nederland op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a jo. artikel 17a, onderdeel b van de Wet Vpb. Een evenredig gedeelte van alle activa en passiva van Y alsmede de daarmee verband houdende resultaten worden toegerekend aan de Vaste inrichting van X.

Conclusie

X wordt als medegerechtigde in Y geacht een onderneming te drijven middels een vaste inrichting in Nederland. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de Belastingdienst en X ook overeenstemming hebben bereikt over aspecten die niet vallen onder het bereik van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Het betreft hier de deelnemingsvrijstelling en de inhoudingsvrijstelling, beiden in de nationale situatie. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2024.