rul-20211221-apa-000020

Aanleiding

X heeft verzocht om zekerheid vooraf over Verrekenprijzen.

Feiten

X is een in Nederland gevestigde entiteit en maakt onderdeel uit van de A-groep. De A-groep is actief in de dienstverlenende sector. De uiteindelijke moedermaatschappij van de A-groep is in Nederland gevestigd. De A-groep opereert voor de vestigingen buiten Europa op basis van een gedecentraliseerd operationeel model. De lokale vestigingen binnen de A-groep hebben de autonomie om zelfstandig te opereren en de risico’s te dragen die samenhangen met haar bedrijfsactiviteiten. X ondersteunt de groepsentiteiten buiten Europa door het verlenen van centrale managementdiensten. Dit betreft bijvoorbeeld diensten gerelateerd aan management, financiën, HR, juridisch, IT, inkoop en verkoop. Bij het verlenen van bovenstaande concerndiensten door X zijn diverse teams en personeelsleden van X betrokken. X draagt beperkte risico’s ten aanzien van de concerndiensten en gebruikt geen immateriële activa bij het verlenen van deze diensten.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Relevant is hierbij het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter en de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO-commentaar op artikel 9 van het OESO- modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s-lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. De OESO-richtlijnen geven een internationaal geaccepteerde invulling aan het arm’s- lengthbeginsel en worden daarom in het besluit van 22 april 2018, nr. 2018-6865 (verrekenprijsbesluit) als een passende uitleg en verduidelijking van het in artikel 8b Wet Vpb 1969 omschreven beginsel gezien.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. De OESO-richtlijnen schrijven voor dat een arm’s-length beloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van de tested party te worden meegewogen. Binnen de gelieerde transactie zijn de functies van X als uitvoerend te duiden. X kan daarom worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde transactie en is aangemerkt als tested party.
3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s-length resultaten. Als deze aanwezig is, geeft de CUP-methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Voor de activiteiten van X is echter geen CUP aangetroffen. Een andere traditionele methode is de (bruto) cost plus methode die uitgaat van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method met in dit geval de relevante operationele kosten als maatstaf) een betrouwbaardere uitkomst.
4. X maakt onderscheid tussen kosten die zien op concerndiensten en kosten die zien op aandeelhoudersactiviteiten. Kosten die zien op activiteiten die in de hoedanigheid van aandeelhouder worden verricht, worden niet doorbelast. De verdeling en onderliggende stukken zijn beoordeeld en de uitkomst is passend bevonden.
5. X heeft een benchmark studie uitgevoerd ten aanzien van de verschillende soorten van concerndienstverlening. Deze benchmark studie is beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van X in relatie tot deze activiteiten.

Conclusie

Partijen hebben vastgesteld dat voor de concerndienstverlening van X aan de lokale entiteiten een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de relevante operationele kosten van X at arm’s-length is. Het percentage dat in de vaststellingsovereenkomst is gehanteerd valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan de lower quartile 3,1% bedraagt en de upper quartile 21,7%. In de vaststellingsovereenkomst is de mediaan gehanteerd. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst over een looptijd van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2023 en is van overeenkomstige toepassing op het jaar 2018, waarvoor de aangifte Vennootschapsbelasting reeds is ingediend.