rul-20211012-atr-000011

Aanleiding

Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf ten aanzien van de toepassing van de deelnemingsvrijstelling voor de Vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2021 tot en met 2025.

Feiten

A, B, C en D zijn vennootschappen opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. A, B, C en D behoren tot een internationaal opererend concern dat actief is in de dienstverlenende sector. Het doel van het concern is om te investeren in verschillende portfoliovennootschappen. Het concern beschikt over een investeringsplatform in Nederland. Het personeel in Nederland heeft professionele kennis en ervaring, is verantwoordelijk voor de selectie en aansturing van de investeringen en zal in dat kader verantwoordelijk zijn voor strategische beslissingen. A, B, C en D functioneren als houdstervennootschappen voor het concern en zijn actief betrokken bij de aansturing van hun deelnemingen. Voor zover nodig, wordt personeel ter beschikking gesteld aan A, B, C en D. Hiervoor is voldoende personeel aanwezig in Nederland dat in dienst is bij een groepsvennootschap. Daarnaast ontplooit het concern operationele activiteiten in Nederland via een in Nederland gevestigde vennootschap. De activiteiten worden uitgeoefend door [301-500] medewerkers in Nederland. A houdt 100% van de aandelen in X, een vennootschap opgericht naar het recht van en gevestigd in een land binnen de Europese Unie (EU). X drijft een materiële onderneming en houdt verschillende dochtervennootschappen die ook operationele activiteiten uitoefenen. B houdt 100% van de aandelen in Y, een vennootschap opgericht naar het recht van en gevestigd in een land buiten de (EU). Y verricht financieringsactiviteiten voor het concern en is onderworpen aan een winstbelasting in het land van vestiging. C houdt circa 10% van de aandelen in Z, een vennootschap opgericht naar het recht van en gevestigd in een land binnen de (EU). Z drijft een materiële onderneming. C en D houden gezamenlijk 100% van de aandelen in Q, een vennootschap opgericht naar het recht van en gevestigd in een land buiten de (EU). Q bezit enkel contanten en verricht geen operationele activiteiten. Q is onderworpen aan een winstbelasting in het land van vestiging.

Rechtskader

Het verzoek van A, B, C en D om zekerheid vooraf dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is, ziet op artikel 13 van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Er dient voldaan te zijn aan de eisen van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb en er mag geen sprake zijn van als belegging gehouden deelnemingen als bedoeld in het negende lid van artikel 13 Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming als bedoeld in het elfde lid van artikel 13 Wet Vpb. Relevant is hierbij het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. Het concern oefent bedrijfseconomische operationele activiteiten uit in Nederland (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van de verzoekende lichamen uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van de verzoekende lichamen binnen het concern.
2. De gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Tevens is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties.
4. Q, X, Y en Z hebben allen een rechtsvorm die vergelijkbaar is met een Nederlandse besloten vennootschap op grond van het besluit van 11 december 2009, CP2009/519M (Besluit kwalificatie buitenlandse samenwerkingsverbanden), zodat de deelnemingen kwalificeren als niet-transparant. A, B, C en D houden belangen van ten minste 5% in de deelnemingen. Derhalve wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb.
5. Vervolgens dient beoordeeld te worden of de deelnemingen niet dienen te worden aangemerkt als beleggingsdeelnemingen in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb.
6. X en Z verrichten operationele activiteiten. A legt een relatie tussen de bedrijfsmatige activiteiten van de moedermaatschappij en de activiteiten van X en C legt een relatie tussen de bedrijfsmatige activiteiten van de moedermaatschappij en de activiteiten van Z. Om deze reden is voor X en Z aan de oogmerktoets, zoals opgenomen in artikel 13, negende lid, van de Wet Vpb, voldaan.
7. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb zijn niet van toepassing met betrekking tot X en Z, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt ten aanzien van het belang van A in X en het belang van C in Z.
8. Q voldoet niet aan de oogmerktoets van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb. Zij houdt namelijk enkel contanten en verricht geen operationele activiteiten. Derhalve is op basis van artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb beoordeeld of er sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming waarop de deelnemingsvrijstelling alsnog van toepassing is.
9. Van een kwalificerende beleggingsdeelneming is onder andere sprake als de deelneming is onderworpen aan een naar Nederlandse maatstaven reële heffing. Dit is het geval als de deelneming wordt onderworpen aan een heffing van tenminste 10% belasting naar de winst, zonder relevante stelselafwijkingen. Uit de verstrekte informatie kan worden opgemaakt dat Q onderworpen is aan een naar Nederlandse maatstaven reële heffing. Om deze reden is aan de onderworpenheidstoets van artikel 13, elfde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb voldaan en is de deelnemingsvrijstelling van toepassing op de belangen van C en D in Q.
10. Y voldoet niet aan de oogmerktoets van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb. Op grond van artikel 13, tiende lid, onderdeel b, van de Wet Vpb wordt Y namelijk geacht een beleggingsdeelneming te zijn, aangezien haar functie grotendeels zal bestaan uit financieringsactiviteiten in de zin van artikel 13, tiende lid, onderdeel b, van de Wet Vpb. Derhalve is op basis van artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb beoordeeld of er sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming waarop de deelnemingsvrijstelling alsnog van toepassing is.
11. Uit de verstrekte informatie kan worden opgemaakt dat Y onderworpen is aan een naar Nederlandse maatstaven reële heffing. Om deze reden is aan de onderworpenheidstoets van artikel 13, elfde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb voldaan en is de deelnemingsvrijstelling van toepassing op het belang van B in Y.

Conclusie

De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op het belang van A in X, B in Y, C in Z en de belangen van C en D in Q. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 10 juni 2021 tot en met 31 december 2025.