rul-20211012-atr-000007

Aanleiding

Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf ten aanzien van de toepassing van de liquidatieverliesregeling voor de Vennootschapsbelasting. Men vraagt zekerheid voor het boekjaar 2020.

Feiten

X is een fiscale eenheid voor de Vennootschapsbelasting. X bestaat uit verschillende vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk in Nederland gevestigd (X-groep). De X-groep heeft haar hoofdkantoor in Nederland en is actief in de dienstverlenende sector. De X- groep ontplooit operationele activiteiten in Nederland en in het buitenland. In Nederland worden door X en de Nederlandse groepsvennootschappen bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door [>1.000] werknemers. X heeft diverse dochtervennootschappen, voornamelijk gevestigd in Nederland maar ook binnen en buiten de Europese Unie (EU). Eén van de dochtervennootschappen is Y, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een staat binnen de EU waarmee Nederland een Belastingverdrag heeft gesloten. Bij de ontbinding en vereffening van Y in 2020 is een liquidatieverlies naar voren gekomen. Het verzoek is ingetrokken.

Rechtskader

X verzoekt om zekerheid vooraf over de toepassing van de liquidatieverliesregeling als bedoeld in artikel 13d van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Relevant is hierbij het Besluit van 9 maart 2020, nr. 2020-0000000002 (besluit deelnemingsvrijstelling) en het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. De groep oefent, middels haar Nederlandse dochtermaatschappijen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Op grond van artikel 13d, eerste lid van de Wet Vpb vindt de deelnemingsvrijstelling geen toepassing ten aanzien van een verlies op een deelneming dat tot uitdrukking komt nadat het lichaam waarin X deelneemt is ontbonden. X houdt aandelen in Y. De ontbinding en vereffening van Y heeft in 2020 plaatsgevonden. Er kan derhalve mogelijk een liquidatieverlies in aanmerking worden genomen.
4. Op grond van artikel 13d, tweede lid van de Wet Vpb wordt het liquidatieverlies gesteld op het bedrag waarmede het voor de deelneming opgeofferde bedrag het totaal van de liquidatie- uitkeringen overtreft waarbij rekening moet worden gehouden met de componenten van het opgeofferde bedrag als bedoeld in artikel 13d, tweede lid van de Wet Vpb en voor het totaal van de liquidatie-uitkeringen met artikel 13d, derde lid van de Wet Vpb.
5. Artikel 13d, elfde lid van de Wet Vpb bepaalt dat het liquidatieverlies eerst op het tijdstip waarop de vereffening is voltooid in aanmerking wordt genomen. Daarbij gelden enkele voorwaarden. Eén van deze voorwaarden is dat de onderneming van het ontbonden lichaam geheel is gestaakt dan wel geheel of gedeeltelijk is voortgezet uitsluitend door een ander dan de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam. In het voorliggende geval verschillen partijen van mening of er sprake is van voortzetting van de activiteiten door een met X verbonden lichaam. X heeft na het initiële overleg besloten om het vooroverleg te staken en het verzoek ingetrokken.
6. Een verdere inhoudelijke analyse is daardoor achterwege gebleven.

Conclusie

Het verzoek tot zekerheid vooraf is ingetrokken. Derhalve is er geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat de genoemde transactie zal worden beoordeeld in het kader van de reguliere behandeling van de aangifte Vpb.