rul-20210817-atr-000001

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling en de toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten voor de Vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2021 tot en met 2025.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X behoort tot een internationaal opererend concern (de A-groep), actief in de dienstverlenende sector, dat in het buitenland en in Nederland operationele activiteiten ontplooit. In Nederland worden door X en de Nederlandse groepsvennootschappen bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door [501-1.000] werknemers (X-groep). X houdt alle aandelen in Y en Z. Y houdt op haar beurt alle aandelen in W1 en W2. Y, Z en W1 en W2 zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X, Y, W1 en W2 zijn onderdeel van een fiscale eenheid voor de Vennootschapsbelasting. Y houdt naast haar belang in W1 en W2 aandelen in een groot aantal deelnemingen, opgericht naar het recht van een staat buiten de Europese Unie (EU). Verder houdt W1 op haar beurt aandelen in meerdere deelnemingen, opgericht naar het recht van een staat binnen en buiten de EU. Alle deelnemingen zijn operationele vennootschappen en zijn net als het concern actief in de dienstverlenende sector. Zij verrichten voornamelijk marketingactiviteiten. Deze activiteiten liggen in het verlengde van de activiteiten van de groep in haar geheel. Z voert werkzaamheden uit in een staat buiten de EU waarmee Nederland een Belastingverdrag heeft gesloten. Daarnaast houdt Z belangen van minder dan 5% in enkele buitenlandse deelnemingen. A is de tophoudster van dit concern en is gevestigd in een staat buiten de EU. A is beursgenoteerd, treedt op als hoofdkantoor van de groep en drijft tevens een actieve onderneming. Voorheen hield A direct alle aandelen in X. Als gevolg van een herstructurering heeft A vennootschap B opgericht. B is een vennootschap opgericht naar het recht van een staat buiten de EU waarmee Nederland een Belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (Verdragsland B). B is na de herstructurering de directe aandeelhouder van X. A verricht in haar staat van vestiging actieve werkzaamheden, enerzijds in de vorm van actieve werkzaamheden die passen bij de A-groep en anderzijds verricht zij sturende activiteiten voor de A-groep in haar geheel.

Rechtskader

Het verzoek om zekerheid vooraf ziet allereerst op de toepassing van de deelnemingsvrijstelling ter zake van de belangen van Y, Z en W1 in door hen gehouden buitenlandse deelnemingen. Bij toepassing van de deelnemingsvrijstelling dient er voldaan te zijn aan de eisen van artikel 13, tweede lid van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Er mag tevens geen sprake zijn van een als belegging gehouden deelneming als bedoeld in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming als bedoeld in artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb. De deelnemingsvrijstelling moet op het niveau van de directe deelnemingen worden getoetst. Tevens ziet het verzoek op de bevestiging dat Z beschikt over een Vaste inrichting in een staat buiten de EU waarmee Nederland een Belastingverdrag heeft gesloten als bedoeld in artikel 15e van de Wet Vpb. Relevant is hierbij het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. De A-groep oefent in Nederland relevante operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van de X-groep uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van de X-groep binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Er is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op het belang van Y, Z en W1 in de buitenlandse deelnemingen. Y houdt (bijna) alle aandelen en W1 houdt alle aandelen in de verschillende deelnemingen, opgericht naar het recht van een staat binnen en buiten de EU. Voor zover Y niet het volledige belang houdt in de deelnemingen, houdt Z de resterende aandelen van deze deelnemingen. Ten aanzien van deze deelnemingen wordt voldaan aan de eis om ten minste 5% van de aandelen te houden middels de meetrekregeling op grond van artikel 13, vijfde lid, onderdeel a van de Wet Vpb. De deelnemingen hebben allen een rechtsvorm die vergelijkbaar is met een Nederlandse besloten vennootschap op grond van het besluit van 11 december 2009, nr. CP2009/519M, zodat zij kwalificeren als niet-transparante entiteiten. Derhalve wordt ten aanzien van alle deelnemingen voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb.
4. Vervolgens is beoordeeld of de buitenlandse deelnemingen voldoen aan de oogmerktoets en derhalve niet dienen te worden aangemerkt als beleggingsdeelnemingen in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb.
5. Op basis van de parlementaire geschiedenis wordt aan deze toets voldaan indien een deelneming een materiële onderneming drijft en de ondernemingsactiviteiten van deze deelneming overeenkomen met de activiteiten van de groep in haar geheel.
6. Alle deelnemingen van Y, Z en W1 zijn operationele vennootschappen. Zij verrichten activiteiten die in het verlengde liggen van de activiteiten van de A-groep in haar geheel. X, Y, Z en W1 leggen een relatie tussen de bedrijfsmatige activiteiten van de moedermaatschappij en de activiteiten van de kleindochtermaatschappijen. Het oogmerk van het houden van de deelnemingen is om een hoger rendement te behalen dan wat bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. De deelnemingen worden aldus niet als belegging gehouden. Om deze reden is voor deze deelnemingen voldaan aan de oogmerktoets, zoals opgenomen in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb.
7. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is bij Y, Z en W1 op de belangen die zij houden in de buitenlandse deelnemingen.
8. Verder zijn de werkzaamheden van Z beoordeeld, die zij uitoefent in een staat buiten de EU waarmee Nederland een Belastingverdrag heeft gesloten. Deze werkzaamheden resulteren op basis van het Belastingverdrag tot een Vaste inrichting aldaar. De winst die toerekenbaar is aan de buitenlandse onderneming in de andere staat valt onder de objectvrijstelling van artikel 15e van de Wet Vpb.

Conclusie

1. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing bij Y, Z en W1 op de belangen die zij houden in de buitenlandse deelnemingen. 2. De werkzaamheden van Z in een staat buiten de EU kwalificeren als een Vaste inrichting. De winsten toerekenbaar aan deze Vaste inrichting vallen onder de objectvrijstelling van artikel 15e van de Wet Vpb en behoren derhalve niet tot de Nederlandse grondslag. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 15 februari 2021 tot en met 31 december 2025. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de Belastingdienst en X ook overeenstemming hebben bereikt over aspecten die niet vallen onder het bereik van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Het betreft hier de deelnemingsvrijstelling in de nationale situatie.