rul-20210427-atr-000008

Aanleiding

Er is een verzoek om zekerheid vooraf ingediend over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling voor de Vennootschapsbelasting. Men vraagt zekerheid voor de boekjaren 2021 tot en met 2025.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X behoort tot een internationaal concern met een hoofdkantoor in een land buiten de Europese Unie (EU), welke actief is in de dienstverlenende sector. X is de moedermaatschappij van een fiscale eenheid voor de Vennootschapsbelasting. X fungeert als Houdstervennootschap en houdt 100% van de aandelen van Y, een vennootschap opgericht in een derde land dat voorkomt in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen), maar die feitelijk is gevestigd in een derde land (buiten de EU) waarmee Nederland een Belastingverdrag heeft gesloten en die niet voorkomt in voornoemde Regeling. Y is een financieringsvennootschap, die zich bezighoudt met het financieren van groepsvennootschappen en is aldaar volledig onderworpen aan de belastingheffing. De fiscale eenheid houdt verder aandelenbelangen in diverse (niet) Europese vennootschappen. De fiscale eenheid oefent operationele activiteiten uit in Nederland en is actief betrokken bij de aansturing van haar deelnemingen.

Rechtskader

Het verzoek tot zekerheid vooraf ziet op de vraag of X de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) kan toepassen op het door haar gehouden belang in Y. Relevant is hierbij het besluit van 9 maart 2020, nr. 2020-0000000002 (besluit deelnemingsvrijstelling) en het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. Het concern oefent in Nederland relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in Staten die zijn voor belastingdoeleinden. Immers, hoewel Y is opgericht in een derde land dat voorkomt in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden, is Y feitelijk gevestigd in een derde land (buiten de EU) waarmee Nederland een Belastingverdrag heeft gesloten en die niet voorkomt in voornoemde Regeling. Y is aldaar volledig onderworpen aan de belastingheffing.
3. Er is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op het belang van X in Y. Aan de eisen in het tweede lid van artikel 13 van de Wet Vpb is voldaan ten aanzien van het belang van X in Y. Y heeft een in aandelen verdeeld kapitaal en het belang van X in Y is gelijk of groter dan 5%, te weten 100%.
4. Vervolgens dient beoordeeld te worden of de deelneming voldoet aan de oogmerktoets van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb en derhalve niet kwalificeert als een beleggingsdeelneming.
5. Y voldoet niet aan de oogmerktoets, aangezien haar functie op grond van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb grotendeels bestaat uit het direct of indirect financieren van verbonden lichamen. Y dient derhalve te worden aangemerkt als een beleggingsdeelneming in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb.
6. Vervolgens dient beoordeeld te worden of er sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming waarop de deelnemingsvrijstelling alsnog van toepassing is.
7. Van een kwalificerende beleggingsdeelneming is onder andere sprake als de deelneming is onderworpen aan een naar Nederlandse begrippen reële heffing. Dit is het gev al als de deelneming is onderworpen aan een belasting naar de winst met een statutair tarief van ten minste 10%, zonder relevante stelselafwijkingen. Daar wordt hier aan voldaan.

Conclusie

De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op het belang van X in Y. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025.