rul-20210406-atr-000007

Aanleiding

Er is een verzoek om zekerheid vooraf ingediend ten aanzien van de vraag of er sprake is van een aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige in het kader van de conditionele bronbelasting op renten en royalty’s. Men vraagt zekerheid voor de boekjaren 2021 tot en met 2025.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X behoort tot een internationaal concern met een hoofdkantoor in een land buiten de Europese Unie (EU), welke actief is in de financiële sector. De aandelen van X worden gehouden door een Coöperatie opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. De Coöperatie en X vormen een fiscale eenheid voor de Vennootschapsbelasting. Y, een samenwerkingsverband opgericht naar het recht van een land buiten de EU (Verdragsland A), is één van de leden in de Coöperatie. Y wordt als transparante entiteit aangemerkt voor fiscale maatstaven in Verdragsland A. De beherend vennoot in Y is Z, een vennootschap opgericht naar het recht van en gevestigd in Verdragsland A. De commanditaire vennoten zijn W1, W2 en W3. Y heeft aandeelhoudersleningen verstrekt aan X. Het verzoek is ingetrokken.

Rechtskader

Het verzoek tot zekerheid vooraf ziet op de vraag of er sprake is van een aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige voor de conditionele bronbelasting op renten en royalty’s als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c en d van de Wet bronbelasting 2021 (Wet BB). Relevant is hierbij het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. Op basis van de aangeleverde feiten lijkt het verzoek op voorhand aan de voorwaarden voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zoals genoemd in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter te zijn voldaan. Om die reden is het verzoek in eerste instantie in behandeling genomen, maar omdat het verzoek is ingetrokken, is dit niet verder feitelijk beoordeeld.
2. Y is een samenwerkingsverband opgericht naar het recht van een land buiten de EU. Om de vraag te kunnen beantwoorden of er sprake is van een aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige, is gekeken of de vennoten in Y een samenwerkende groep (kunnen) vormen. De beoordeling of sprake is van een samenwerkende groep, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Het gaat daarbij om een door lichamen die deel uitmaken van een samenwerkende groep gedane gecoördineerde investering die – voor de toepassing van de bronbelasting – gezamenlijk tot een kwalificerend belang leidt, maar waarbij (een of meer van) die lichamen individueel geen kwalificerend belang hebben. Gelet op deze invulling die tijdens de parlementaire behandeling aan het begrip samenwerkende groep is gegeven, is aan X medegedeeld dat in de specifieke casus van X niet kan worden bevestigd dat er geen samenwerkende groep is. De gevraagde zekerheid kan derhalve niet worden gegeven. Daaropvolgend heeft X haar verzoek tot het verkrijgen van zekerheid vooraf ingetrokken.
3. Een verdere inhoudelijke analyse van het verzoek is daardoor achterwege gebleven.

Conclusie

Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Derhalve is er geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen.