rul-20201229-apa-000009

Aanleiding

X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over Verrekenprijzen.

Feiten

X is een Nederlands hoofdhuis met vaste inrichtingen in de Europese landen A en B (hierna: “vaste inrichtingen”). X alsmede de vaste inrichtingen maken onderdeel uit van een multinationale onderneming (“MNO”), welke actief is in de financiële sector. X functioneert als het wereldwijde hoofdkantoor en is de principaal binnen de MNO. In de waardeketen van de MNO onderneemt X de belangrijkste functies (waaronder de Key Entrepreneurial Risk Taking Functions), is X eigenaar van de belangrijkste (immateriële)  activa en draagt X de belangrijkste risico’s. De vaste inrichtingen verrichten lokale sales- en marketing activiteiten. Gezien de waardeketen van de MNO zijn de activiteiten van de vaste inrichtingen ondersteunend van aard. De activiteiten van de vaste inrichtingen vinden plaats onder regie en aansturing van X.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Relevant is hierbij het Besluit van 19 juni 2019, nr. 2019/13003, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden van 31 december 2018, nr. DB 2018/216528, zoals die is gewijzigd bij artikel VII van de Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2019, nr. 2019-0000199975, Stcrt. 2019,  69810. Het arm’s- lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd door artikel 8b van de Wet  op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming  van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO-commentaar op artikel 9 van het  OESO- modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s-lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. De OESO-richtlijnen geven een internationaal geaccepteerde invulling aan het arm’s- lengthbeginsel en worden daarom in het verrekenprijsbesluit van 11 mei 2018 (2018-6865) als een passende uitleg en verduidelijking van het in artikel 8b Wet Vpb 1969 omschreven beginsel  gezien. De winstallocatie aan vaste inrichtingen vindt plaats op grond van artikel 7 OESO-model- verdrag. In juli 2008 is het OESO-rapport ‘Report on the Attribution of Profits to Permanent  Establishments’ (PE-Report) gepubliceerd, dat in 2010 is aangepast aan een eveneens in 2010 gepubliceerd nieuw artikel 7 OESO modelverdrag. In dit rapport wordt beschreven hoe  winsten aan vaste inrichtingen toegerekend dienen te worden onder toepassing van artikel 7  OESO- modelverdrag. In het Besluit ‘winstallocatie vaste inrichtingen’ nr. IFZ 2010/457M, geeft  de Staatssecretaris inzicht in zijn standpunten met betrekking tot de winstallocatie aan vaste inrichtingen en wordt bevestigd dat het Nederlandse beleid aansluit bij de conclusies van het PE-Report.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van de Vaste inrichting binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten  die zijn gevestigd in Staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. De OESO-richtlijnen schrijven voor dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van de tested party te worden meegewogen. Binnen de gelieerde transacties worden de functies van de vaste inrichtingen uitgeoefend onder aansturing en regie van X. De vaste inrichtingen handelen binnen de door X gestelde kaders en dragen daarbij beperkte risico’s. Daarmee zijn binnen de waardeketen van de groep de functies van de vaste inrichtingen in vergelijking met die van X als uitvoerend te duiden. Uit de weging van functies, activa en risico’s van X en die van de vaste inrichtingen volgt dat binnen de gelieerde transacties de vaste inrichtingen als minst complex geduid dienen te worden. Daarom zijn laatstgenoemden aangemerkt als tested parties.
3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de CUP methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Voor de activiteiten van de vaste inrichtingen zijn echter geen CUP aangetroffen.
4. Een andere traditionele methode is de resale price methode die uitgaat van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (transactional net margin Method) een betrouwbaardere uitkomst voor de bepaling van de beloning van de vaste inrichtingen in de gelieerde transacties. Voor de beloning van de vaste inrichtingen wordt de omzet als maatstaf genomen.
5. De bij het verzoek gevoegde benchmark studies zijn beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van de vaste inrichtingen.

Conclusie

Partijen hebben vastgesteld dat voor de activiteiten van de vaste inrichtingen een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de omzet van betreffende vaste inrichtingen at arm’s length is. Het percentage dat is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst valt binnen een range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 2.13% bedraagt en de upper quartile 4,78%. In de vaststellingsovereenkomst is de mediaan gehanteerd. De vaststellingsovereenkomst heeft een looptijd van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2023.