rul-20201208-rulov-000003

Aanleiding

Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf over de toepassing van artikel 10a van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (‘Wet Vpb”).

Feiten

X is een Coöperatie opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. X behoort tot een internationaal opererend concern actief in de industriële sector. X treedt op als Houdstervennootschap. Het concern waartoe X behoort heeft de A-groep overgenomen van een derde. Een deel van de A-groep is vervolgens door X intern geacquireerd. X heeft dit gefinancierd met een financiering verstrekt door een concernvennootschap. Het verzoek is ingetrokken.

Rechtskader

Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat de rentelasten – kosten en valutaresultaten inbegrepen – met betrekking tot de financiering van de acquisitie niet in aftrek zijn beperkt ziet op artikel 10a van de Wet Vpb. Er wordt een beroep gedaan op de tegenbewijsregeling van artikel 10a, derde lid, letter a Wet Vpb. Op grond daarvan is de renteaftrekbeperking niet van toepassing als er aannemelijk wordt gemaakt dat aan de schuld en de daarmee verband houdende rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Relevant is hierbij het besluit van de Staatssecretaris van 19 juni 2019, nr. 2019/13003, Stcrt. 2019, nr. 35519, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden van de Staatssecretaris van 31 december 2018, nr. DB 2018/216528, Stcrt. 2018, 72064, zoals die is gewijzigd bij artikel VII van de Regeling van de Staatssecretaris van 18 december 2019, nr. 2019-0000199975, Stcrt. 2019, 69810

Overwegingen

Het beleid om zekerheid vooraf te krijgen indien sprake is van een Ruling met een internationaal karakter is sinds 1 juli 2019 gewijzigd met bovengenoemd besluit. Uit overleg tussen partijen is naar voren gekomen dat in het voorliggende geval wellicht niet wordt voldaan aan het vereiste van paragraaf 3, onderdeel a van het hiervoor aangehaalde besluit (de zogenoemde relevante economische nexus in Nederland). Vervolgens is het verzoek ingetrokken.

Conclusie

Er is geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen omdat het verzoek is ingetrokken.