rul-20201208-atr-000004

Aanleiding

Er is een bilateraal verzoek ingediend om zekerheid vooraf te verkrijgen over de afwezigheid van een Vaste inrichting in respectievelijk Nederland en een lidstaat van de Europese Unie (EU).

Feiten

X en Y zijn vennootschappen opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. X is een zustervennootschap van Y. X en Y behoren tot een internationaal concern dat actief is in de dienstverlenende sector. In Nederland worden bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend. V en W zijn vennootschappen opgericht naar het recht van een EU-lidstaat waarmee Nederland een Belastingverdrag heeft gesloten (“Verdrag A”) en zijn feitelijk aldaar (“Verdragsland A”) gevestigd. W is een dochtervennootschap van V. V en W behoren eveneens tot een internationaal concern, dat actief is in de dienstverlenende sector. X en Y zijn niet gelieerd aan V en W. X en V hebben een samenwerkingsovereenkomst gesloten ten aanzien van de exploitatie van een bedrijfsmiddel (inclusief een ondersteunend apparaat) dat zich in Nederland en Verdragsland A bevindt. X en V hebben ieder 50% van het juridisch eigendom van het bedrijfsmiddel (en het ondersteunende apparaat) dat onder respectievelijk de jurisdictie van Nederland en Verdragsland A valt. X en V zijn voor een gelijk deel gerechtigd tot de winst en de kosten binnen deze samenwerking, en verrichten de relevante activiteiten – voor eigen rekening en risico – in respectievelijk Nederland en Verdragsland A. X en V hebben met respectievelijk Y en W een gebruikersovereenkomst gesloten ten aanzien van de overcapaciteit van het voornoemde ondersteunende apparaat. Y en W hebben op hun beurt een samenwerkingsovereenkomst gesloten op grond waarvan zij voor een gelijk deel gerechtigd zijn tot de winst en de relevante kosten binnen deze samenwerking.

Rechtskader

Het verzoek van V en W om zekerheid vooraf dat geen sprake is van een Vaste inrichting in Nederland ziet op de toepassing van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a of 17a van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Als sprake is van een Vaste inrichting op basis van deze artikelen, dient op basis van de relevante bepalingen van verdrag A te worden bepaald of Nederland wel kan heffen. Relevant is hierbij het besluit van de Staatssecretaris van 19 juni 2019, nr. 2019/13003, Stcrt. 2019, nr. 35519, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden van de Staatssecretaris van 31 december 2018, nr. DB 2018/216528, Stcrt. 2018, 72064, zoals die is gewijzigd bij artikel VII van de Regeling van de Staatssecretaris van 18 december 2019, nr. 2019-0000199975, Stcrt. 2019, 69810.

Overwegingen

1. In paragraaf 3 van het besluit van 19 juni 2019 is onder a. aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een Ruling met een internationaal karakter slechts wordt aangegaan als sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. In dezelfde paragraaf 3 onder a, laatste zin wordt hierop een uitzondering gemaakt, welke inhoudt dat de bepaling inzake de economische nexus naar zijn aard niet van toepassing is indien zekerheid wordt gevraagd over de aan- of afwezigheid van een Vaste inrichting in Nederland.
2. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting is niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in Staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a van de Wet Vpb wordt voor de toepassing van de Wet Vpb voor de invulling van het begrip ‘vaste inrichting’ of ‘vaste vertegenwoordiger’ verstaan het begrip ‘vaste inrichting’ zoals dat geldt voor de relevante bepalingen van het toepasselijke Belastingverdrag. Daarom wordt direct getoetst of er op basis van de relevante bepalingen van verdrag A geheven kan worden.
4. Op grond van de relevante bepalingen van verdrag A is sprake van een Vaste inrichting in Nederland als V of W een vaste bedrijfsinrichting heeft in Nederland waarin de activiteiten van de desbetreffende onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Als deze activiteiten echter uitsluitend van ondersteunende aard zijn, zal geen sprake zijn van een Vaste inrichting.
5. X en V hebben ieder 50% van het juridisch eigendom van het bedrijfsmiddel (en het ondersteunende apparaat) dat onder respectievelijk de jurisdictie van Nederland en Verdragsland A valt. X en V zijn voor een gelijk deel gerechtigd tot de winst en de kosten binnen deze samenwerking, en verrichten de relevante activiteiten – voor eigen rekening en risico – in respectievelijk Nederland en Verdragsland A. X en V hebben met respectievelijk Y en W een gebruikersovereenkomst gesloten ten aanzien van de overcapaciteit van het voornoemde ondersteunende apparaat. Y en W hebben op hun beurt een samenwerkingsovereenkomst gesloten op grond waarvan zij voor een gelijk deel gerechtigd zijn tot de winst en de relevante kosten binnen deze samenwerking. Alle relevante activiteiten worden derhalve door de partijen in hun staat van vestiging verricht, voor eigen rekening en risico. Hierdoor leiden de activiteiten van V en W niet tot een Vaste inrichting in Nederland zoals bedoeld in verdrag A. Er is tevens geen sprake van een persoon in Nederland welke namens V of W bevoegd is overeenkomsten af te sluiten en dat recht gewoonlijk uitoefent. Hierdoor is ook geen sprake van een vaste vertegenwoordiger van V of W in Nederland.
6. Ten aanzien van dit bilaterale verzoek om zekerheid vooraf zijn de relevante partijen en de bevoegde autoriteiten van beide landen overeengekomen dat partijen geen Vaste inrichting hebben in de respectievelijke landen.

Conclusie

De bevoegde autoriteiten en de relevante partijen hebben overeenstemming bereikt over de afwezigheid van een Vaste inrichting van V samen met haar dochtervennootschap W, en X samen met haar zustervennootschap Y, in respectievelijk Nederland en Verdragsland A. Deze overeenstemming is vervolgens uitgewerkt en geformaliseerd in een vaststellings- overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten en X, Y, V en W. De vaststellingsovereenkomst heeft een looptijd van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2024.