rul-20200818-atr-000002

Aanleiding

Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf over de inhoudingsvrijstelling. Men wenst zekerheid voor het boekjaar 2020.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. X behoort tot een concern, actief in de dienstverlenende sector. X en haar dochtermaatschappij oefenen operationele activiteiten uit in Nederland. De aandelen van X worden gehouden door Y en Z. Y en Z zijn vennootschappen opgericht en gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie (EU). Z wordt gehouden door een natuurlijke persoon welke woonachtig is in het land waar Z is gevestigd. Z is als persoonlijke holding actief betrokken bij haar deelneming in Nederland. Z heeft kantoorruimte ter beschikking van waaruit de activiteiten worden verricht. X heeft de intentie om Z uit te kopen, middels een inkoop van de aandelen van Z in X.

Rechtskader

X verzoekt om zekerheid vooraf over toepassing van de inhoudingsvrijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede lid en verder van de Wet op de Dividendbelasting 1965 (Wet DB). Deze zekerheid vraagt men voor de uitkering van X aan Z. Relevant in deze casus is hierbij tevens het eerste lid, onderdeel a van artikel 3 Wet DB. Relevant is hierbij het besluit van de Staatssecretaris van 19 juni 2019, nr. 2019/13003, Stcrt. 2019, nr. 35519, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden van de Staatssecretaris van 31 december 2018, nr. DB 2018/216528, Stcrt. 2018, 72064, zoals die is gewijzigd bij artikel VII van de Regeling van de Staatssecretaris van 18 december 2019, nr. 2019-0000199975, Stcrt. 2019, 69810.

Overwegingen

1. De groep oefent in Nederland relevante economische activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van het lichaam binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in Staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Op basis van het eerste lid onderdeel a van artikel 3 Wet DB behoort tot de opbrengst als bedoeld in artikel 2 Wet DB hetgeen ter gelegenheid van de inkoop van aandelen wordt uitgekeerd boven het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal. In casu is sprake van inkoop van aandelen en dient te worden bepaald of ter zake van de opbrengst de inhoudingsvrijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede lid en verder Wet DB van toepassing is.
4. X wordt deels gehouden door Z, een vennootschap opgericht naar het recht van een EU– lidstaat en aldaar onderworpen aan belastingheffing. Z houdt op het moment v an uitkeren een belang in X waarop de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening van toepassing zou zijn indien de opbrengstgerechtigde in Nederland was gevestigd. Artikel 4, tweede lid van de Wet DB is derhalve van toepassing.
5. Aangezien de opbrengstgerechtigde in geen van de betrokken landen als een transparante vennootschap wordt gezien, is geen sprake van een Hybride vennootschap en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van het negende en tiende lid van artikel 4 van de Wet DB.
6. Vervolgens is beoordeeld of de uitzonderingen van artikel 4, derde lid van toepassing zijn. Z wordt niet geacht te zijn gevestigd in een derde staat en vervult ook geen vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet Vpb. De onderdelen a en b van voornoemd artikellid zijn derhalve niet van toepassing.
7. Tenslotte is beoordeeld of de antimisbruikbepaling van artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB van toepassing is. Er is sprake van misbruik indien – kort gezegd – de aandelen in de in Nederland gevestigde vennootschap worden gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van Dividendbelasting bij een ander te ontgaan (‘subjectieve toets’) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie (‘objectieve toets’).
8. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of Z het belang houdt met als hoofddoel om Nederlandse Dividendbelasting te ontgaan. Z is een persoonlijke holding en wordt direct gehouden door een natuurlijk persoon. Z wordt als gevolg van de ‘wegdenkgedachte’ – zoals verwoord in de parlementaire geschiedenis – weggedacht. Bij uitkeringen van X aan de natuurlijke persoon zou – indien deze het belang in X direct had gehouden – op grond van de Wet DB Dividendbelasting worden ingehouden. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis sprake is van het ontgaan van Dividendbelasting.
9. Vervolgens is beoordeeld of wordt voldaan aan de objectieve toets. Hiertoe is van belang of sprake is van een kunstmatige constructie. Uit de parlementaire geschiedenis kan worden opgemaakt wanneer er in ieder geval geen sprake is van een kunstmatige constructie. Dit is het geval indien: a) de directe aandeelhouder drijft een materiële onderneming (waaronder bijvoorbeeld een tophoudster) en het belang in het Nederlandse lichaam kan functioneel tot zijn ondernemingsvermogen worden gerekend of b) de directe aandeelhouder vervult een schakelfunctie en beschikt over voldoende relevante substance als bedoeld in artikel 1bis Uitvoeringsbeschikking Dividendbelasting 1965 (Uitv. besch. DB). Ingeval sprake is van relevante substance als bedoeld in artikel 1bis Uitv. besch. DB., kan de inspecteur met ingang van 1 januari 2020 het tegendeel bewijzen en stellen dat alsnog sprake is van misbruik als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB.
10. Z is als persoonlijke Houdstervennootschap actief betrokken bij haar deelneming. Z heeft kantoorruimte ter beschikking. Z verricht een economische functie, zodat er geen sprake is van een kunstmatige constructie. Er wordt voldaan aan de objectieve toets.

Conclusie

Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkering van X aan Z geen Nederlandse Dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 23 januari 2020 tot en met 31 december 2020.