rul-20200811-tonnage-000004

Aanleiding

De fiscale eenheid X heeft een verzoek ingediend voor een beschikking voor toepassing van het tonnageregime en een verzoek om zekerheid vooraf over de winstbepaling in verband met de exploitatie van een schip dat deels kwalificeert voor toepassing van het tonnageregime.

Feiten

X is een feitelijk in Nederland gevestigde vennootschap (moeder van een fiscale eenheid) en maakt onderdeel uit van een concern dat internationaal actief is in de olie-en gas en zeescheepvaartsector. De uiteindelijke moedermaatschappij van het concern is gevestigd in een staat die vermeld wordt in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. X voert een nieuwe activiteit binnen het concern uit, en beschikt daarvoor in Nederland over een hoofdkantoor en een bedrijfscomplex, waar operationele activiteiten uitgeoefend worden. X verkrijgt tegen de waarde in het economisch verkeer van een buitenlandse groepsvennootschap een schip, genoemd in artikel 3.22, lid 4 letter a, ten vijfde Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) met de vlag van een land buiten de Europese Unie, dat zal worden omgevlagd naar een vlag van een lidstaat van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte. X heeft een verzoek ingediend voor het afgeven van een beschikking tot toepassing van het tonnageregime ex artikel 3.22, lid 1 Wet IB 2001 met ingang van 1 januari 2020. Het schip wordt gedeeltelijk gebruikt voor werkzaamheden die niet zien op het vervoer van zaken dan wel personen over zee. X heeft daarom ook verzocht om zekerheid vooraf over de wijze waarop de winst van deze werkzaamheden bepaald moet worden zoals bedoeld in artikel 3.23 Wet IB 2001. Het strategisch, commercieel, technisch en bemanningsbeheer van het schip wordt door belastingplichtige uitgevoerd in Nederland.

Rechtskader

Voor het verzoek zijn relevant artikel 8, eerste lid, van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet VPB) jo. artikel 3.22 tot en met 3.24 van de Wet IB en het Besluit over winst uit zeescheepvaart van 26 juni 2013 (nr. BLKB 2013/1025M). Tevens zijn relevant het besluit van 19 juni 2019 nr. 2019/13003, Stcrt. 2019, nr. 35519, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden van de Staatssecretaris van 31 december 2018, nr. DB 2018/216528, Stcrt. 2018, 72064, zoals die is gewijzigd bij artikel VII van de Regeling van de Staatssecretaris van 18 december 2019, nr. 2019-0000199975, Stcrt. 2019, 69810.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland relevante operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van de lichamen binnen de groep.
2. Tevens is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties.
3. De gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in Staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
4. X voldoet aan de beheerseis van artikel 3.22 lid 5 onderdeel a Wet IB
2001. Het ter zake van de exploitatie van het schip verrichte beheer wordt ten minste in belangrijke mate in Nederland verricht.
5. De in aanmerking te nemen belastbare winst wordt op grond van artikel 3.23 lid 1 Wet IB 2001 allereerst forfaitair vastgesteld op basis van het tonnage van het schip. Deze winst wordt vermeerderd met de winst die is behaald met werkzaamheden die niet zien op het vervoer van zaken dan wel personen over zee. Laatstgenoemde winst dient te worden bepaald volgens de normale winstbepaling. Voor de bepaling van het vervoersdeel wordt een overeengekomen winstsplitsingspercentage van [50 – 75 %] gehanteerd dat is gebaseerd op het gemiddelde van het aantal werknemers dat verantwoordelijk is voor de vervoersfunctie als percentage van het totaal aantal werknemers aan boord van het schip en de kosten van het kale schip als percentage van de totale kosten van het schip inclusief de bijzondere uitrusting.
6. Eventuele voorkoming van dubbele belasting zal slechts worden verleend voor zover deze bestanddelen ook daadwerkelijk in de Nederlandse grondslag worden betrokken. Dit betekent dat bestanddelen van de belastbare winst die in het buitenland zijn opgekomen en toerekenbaar zijn aan het op basis van artikel 3.23 lid 1 Wet IB 2001 forfaitair belaste vervoersdeel niet worden meegenomen bij het bepalen van de voorkoming dubbele belasting.
7. X zal de overeengekomen winstsplitsing verwerken in de aangiften Vennootschapsbelasting. Met het indienen van de aangifte Vennootschapsbelasting zal X elk jaar een afzonderlijke specificatie van de winstsplitsing en de berekening van de winst uit zeescheepvaart aan de Belastingdienst verstrekken.
8. Van een Zeescheepvaart Onbelaste Reserve (ZOR) ex artikel 3.23, lid 2 Wet IB 2001 is geen sprake.
9. De Belastingdienst en X treden uiterlijk binnen 4 jaren met elkaar in overleg om de werking van de vaststellingsovereenkomst en de winstvaststelling met elkaar te bespreken en te evalueren.

Conclusie

De Belastingdienst is tot de conclusie gekomen dat aan de eisen voor toepassing van de tonnageregeling wordt voldaan. Er is overeenstemming bereikt over de toepassing van de tonnageregeling. De Belastingdienst zal een beschikking toepassing van de tonnageregeling afgeven, zoals bedoeld in artikel 3.22, lid 2 Wet IB 2001. Het verzoek is tijdig ingediend. De tonnageregeling is van toepassing met ingang van het eerste boekjaar waarin de belastingplichtige winst uit zeescheepvaart geniet zodra aan het vlagvereiste wordt voldaan. Voor de geldigheidsduur van deze overeenkomst sluiten partijen aan bij de duur van de op grond van artikel 3.22, lid 2 Wet IB 2001 af te geven beschikking, hetgeen betekent dat deze overeenkomst geldig is over de periode 1 januari 2020 tot en met 31 december 2029.