rul-20200728-apa-000003

Aanleiding

X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over Verrekenprijzen.

Feiten

Een multinational met als uiteindelijke moedermaatschappij A (gevestigd buiten Europa) verricht productie- en verkoopactiviteiten. X, gevestigd in Nederland, is een deelneming van A. X voert productiediensten uit voor B (een andere groepsentiteit gevestigd in Europa), waarbij B de entrepreneur is. B voert onder meer functies uit die verband houden met inkoop, service, controle en planning en loopt alle daaraan gerelateerde risico’s. B heeft ook de eigendom van de grondstoffen en de geproduceerde goederen. X is een zogenaamde “toll manufacturer” voor B. Tussen X en B bestaat een overeenkomst op basis waarvan X productieactiviteiten verricht, volgens de instructies van B en naar aanleiding van orders geplaatst door B. X is niet de eigenaar van de immateriële activa die verband houden met de producten die zij vervaardigt en heeft niet het recht om immateriële activa te gebruiken die eigendom zijn van of in licentie zijn gegeven door andere ondernemingen van de multinational. X is wel de eigenaar van de productiefaciliteiten en -apparatuur die nodig zijn voor de productieactiviteiten.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning) zoals bedoeld in het Besluit van 19 juni 2019, nr. 2019/13003, Stcrt. 35519, met inachtneming van artikel 900 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden van de Staatssecretaris van 31 december 2018, nr. DB 2018/216528, Stb. 2018, 72064, zoals die is gewijzigd bij artikel VII van de Regeling van de Staatssecretaris van 18 december 2019, nr. 2019-0000199975, Stb. 2019, 69810. Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd door artikel 8b van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO-commentaar op artikel 9 van het OESO- modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s-lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. De OESO-richtlijnen geven een internationaal geaccepteerde invulling aan het arm’s- lengthbeginsel en worden daarom in het verrekenprijsbesluit van 11 mei 2018 (2018-6865) als een passende uitleg en verduidelijking van het in artikel 8b Wet Vpb omschreven beginsel gezien.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in Staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de CUP methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Voor de activiteiten van X is echter geen CUP aangetroffen. Een andere traditionele methode is de (bruto) cost plus methode die uitgaat van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (TNMM met in dit geval de operationele winst in verhouding tot de kosten als maatstaf) een betrouwbaardere uitkomst. De bij het verzoek gevoegde benchmark studie is beoordeeld en de uitkomst is passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van X.

Conclusie

Partijen hebben vastgesteld dat voor de activiteiten van X een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de kosten at arm’s length is. Het percentage dat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan de lower quartile 8,9% bedraagt en de upper quartile 26,9%. Vanwege de specifieke functionaliteit van X ten opzichte van de vergelijkbare partijen is een percentage boven de mediaan gehanteerd. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2023.