rul-20200519-atr-000003

Aanleiding

Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf ten aanzien van de vraag of er sprake is van subjectieve belastingplicht voor de Dividendbelasting. Tevens is verzocht om zekerheid vooraf over de buitenlandse belastingplicht.

Feiten

X is een Coöperatie opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. X behoort tot een internationaal concern, dat actief is in de handelssector. Het concern is, via diverse Nederlandse vennootschappen, actief in Nederland. De lidmaatschapsrechten van X zijn in handen van twee leden, beide leden zijn gevestigd in een staat buiten de Europese Unie waarmee Nederland een Belastingverdrag heeft gesloten. De activa van X bestaan voor 70% of meer uit deelnemingen. Het verzoek is ingetrokken.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat er geen sprake is van subjectieve belastingplicht voor de Dividendbelasting, omdat X niet kwalificeert als houdstercoöperatie zoals gedefinieerd in artikel 1, achtste lid, van de Wet op de Dividendbelasting 1965 (Wet DB). Het verzoek ziet daarnaast op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat de leden van X niet onderworpen zijn aan Nederlandse Vennootschapsbelasting als buitenlands belastingplichtige op grond van artikel 3, lid 1 in combinatie met artikel 17, lid 3, onderdeel b van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969. Relevant is hierbij het besluit van de Staatssecretaris van 19 juni 2019, nr. 2019/13003, Stcrt. 2019, nr. 35519, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden van de Staatssecretaris van 31 december 2018, nr. DB 2018/216528, Stcrt. 2018, 72064, zoals die is gewijzigd bij artikel VII van de Regeling van de Staatssecretaris van 18 december 2019, nr. 2019-0000199975, Stcrt. 2019, 69810.

Overwegingen

Het beleid om zekerheid vooraf te krijgen indien sprake is van een Ruling met een internationaal karakter is sinds 1 juli 2019 gewijzigd met bovengenoemd besluit. In het voorliggende geval is er twijfel of er wellicht sprake is van een structuur die is opgezet met als beweegreden belastingbesparing als bedoeld in paragraaf 3, onderdeel b, ten eerste, van het hiervoor aangehaalde besluit. In samenhang met de hiervoor vermelde beweegreden was het onduidelijk in hoeverre X al dan niet als een houdstercoöperatie kwalificeert. Op basis van artikel 1, eerste lid in samenhang met artikel 1, tweede lid van de Wet DB zijn houdstercoöperaties inhoudingsplichtig voor de heffing van Dividendbelasting. Een houdstercoöperatie is in artikel 1, achtste lid van de Wet DB gedefinieerd als een Coöperatie waarvan de feitelijke werkzaamheid in het voorafgaande jaar voor 70% of meer (hoofdzakelijk) bestaat uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van met haar verbonden lichamen of natuurlijke personen. Of een Coöperatie voldoet aan de definitie van een houdstercoöperatie wordt in beginsel bepaald op basis van de balans. Ook andere factoren mogen in aanmerking worden genomen, z oals de aard van haar activa, passiva, omzet en winst genererende werkzaamheden en de tijdsbesteding van werknemers. X heeft een balanstotaal aan deelnemingen van meer dan 70% en kwalificeert daarmee in beginsel als een houdstercoöperatie. Tijdens de initiële behandeling van dit verzoek is niet duidelijk geworden in hoeverre de weging van de andere factoren tot een andere conclusie kan leiden. Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Een verdere inhoudelijke analyse is daardoor achterwege gebleven.

Conclusie

Er is geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen omdat het verzoek is ingetrokken.