rul-20200324-apa-000007

Aanleiding

X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over Verrekenprijzen.

Feiten

X gevestigd in Nederland is onderdeel van de Z Groep met het wereldwijde hoofdkantoor gevestigd buiten Europa. De Z Groep heeft een centrale organisatiestructuur met principale entiteiten in verschillende regio’s. Y gevestigd in Europa is de principale entiteit voor de regio Europa ten behoeve van een van de divisies van de groep. Y is verantwoordelijk voor het ontwikkelen en handhaven van de strategie, productontwikkeling, handhaven en ontwikkelen van kwaliteitsmaatstaven, inkoop en productie coördinatie. X ondersteunt Y bij het uitvoeren van de supply chain management activiteiten voor de Europese regio. Voorts verleent X operational management en back-office diensten aan Y. De volgende functies worden uitgeoefend door X: (i) supply chain management diensten bestaande uit voorradenbeheer, opslag, planning en management van de inkoop voor alle productiefaciliteiten, logistieke zaken, (klant) orderverwerking en internationale klantenservice, (ii) operational management diensten bestaande uit ondersteuning (door een beperkt aantal personen) op het gebied van operationeel management (commercie en productontwikkeling) en (iii) back-office diensten bestaande uit personeelszaken, financiële administratie, juridische zaken en belastingzaken. X draagt beperkt marktrisico en operationeel risico. X draagt geen voorraadrisico omdat zij geen eigenaar is of wordt van goederen. De omzetten gerelateerd aan de verkoop van goederen worden niet verantwoord in de boeken van X. Voorts verricht X geen commerciële functies in relatie tot de goederen. X is eigenaar van materiële activa waaronder een kantoor, magazijn en opslagfaciliteiten, en logistieke uitrustingen. X maakt geen gebruik van immateriële activa.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Relevant is hierbij het besluit van de Staatssecretaris van 19 juni 2019, nr. 2019/13003, Stcrt. 2019, nr. 35519, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden van de Staatssecretaris van 31 december 2018, nr. DB 2018/216528, Stcrt. 2018, 72064, zoals die is gewijzigd bij artikel VII van de Regeling van de Staatssecretaris van 18 december 2019, nr. 2019-0000199975, Stcrt. 2019, 69810. Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd door artikel 8b Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO-commentaar op artikel 9 van het OESO- modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s-lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. De OESO-richtlijnen geven een internationaal geaccepteerde invulling aan het arm’s- lengthbeginsel en worden daarom in het verrekenprijsbesluit van 11 mei 2018 (2018-6865) als een passende uitleg en verduidelijking van het in artikel 8b Wet Vpb omschreven beginsel gezien.

Overwegingen

4. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met partijen die zijn gevestigd in Staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
5. De OESO-richtlijnen schrijven voor dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen de gelieerde dienstverleningstransacties zijn de functies van X in vergelijking met die van Y als ondersteunend te beschouwen. X kan daarom worden beschouwd als de minst complex e partij in de gelieerde dienstverleningstransacties en is aangemerkt als tested party.
6. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Voor de activiteiten van X is echter geen CUP aangetroffen. Een andere traditionele methode is de (bruto) cost plus methode die uitgaat van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (transactional net margin Method met in dit geval de totale relevante kosten als maatstaf) een betrouwbaardere uitkomst.
7. De bij het verzoek gevoegde benchmark studie voor supply chain management diensten is beoordeeld en passend bevonden.
8. De bij het verzoek gevoegde benchmark studie voor operational management diensten is beoordeeld en passend bevonden.
9. X heeft geopteerd om voor het bepalen van de beloning voor back-office diensten de vereenvoudigde methode toe te passen voor low value-adding diensten in overeenstemming met paragraaf 7.47 en 7.49 OESO-richtlijnen (en zoals geïmplementeerd in paragraaf 6.3 van het verrekenprijsbesluit). De Belastingdienst heeft beoordeeld of voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden. De back-office diensten bestaande uit personeelszaken, financiële administratie, juridische- en belastingzaken zijn binnen de groep ondersteunend van aard, X maakt geen gebruik van waardevolle immateriële activa en draagt geen significante risico’s. Deze categorieën van diensten worden tevens in paragraaf 7.49 OESO-richtlijnen genoemd als diensten die mogelijk in aanmerking komen voor de vereenvoudigde methode. De toepassing van de vereenvoudigde methode voor het bepalen van de beloning voor back-office diensten is passend bevonden.

Conclusie

Partijen hebben vastgesteld dat voor de supply chain management diensten een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de totale kosten at arm’s length is. Het percentage dat in de overeenkomst is opgenomen valt binnen een range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan de lower quartile 1,63% bedraagt en upper quartile 11,37%. De mediaan is in de overeenkomst gehanteerd. Partijen hebben vastgesteld dat voor de operational management diensten een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de totale kosten at arm’s length is. Het percentage dat in de overeenkomst is opgenomen valt binnen een range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan de lower quartile 7,21% bedraagt en upper quartile 21,84%. De mediaan is in de overeenkomst gehanteerd. Partijen hebben vastgesteld dat voor de back-office diensten een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de totale kosten at arm’s length is. Het percentage dat in de overeenkomst is opgenomen is 5% en dit is in overeenstemming met paragraaf 7.61 OESO- richtlijnen. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2023.