rul-20200121-apa-000017

Aanleiding

X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over Verrekenprijzen.

Feiten

De Y groep houdt zich onder andere bezig met de productie en distributie van industriële producten. X (gevestigd in Nederland) en de aan X gelieerde entiteit Z (gevestigd in een ander Europees land) produceren verschillende types producten. X en Z opereren onafhankelijk van elkaar, hebben beide een volledige operationele infrastructuur, historisch gezien eigen klantrelaties opgebouwd en verkopen voornamelijk hun eigen producten aan deze relaties. Beiden zijn als entrepreneur aan te merken. Op verzoek van de klant verkopen X en Z elkaars producten aan bestaande relaties. Dit leidt tussen X en Z tot de over en weer verkoop van elkaars producten bedoeld voor wederverkoop aan ongelieerde afnemers. De interne verrekenprijs die voor de verkoop van elkaars producten gehanteerd wordt is de verkoopprijs minus een bruto marge die partijen in staat stelt een zakelijke netto operationele winstmarge te behalen.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Relevant is hierbij het Besluit van 19 juni 2019, nr. 2019/13003, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden van 31 december 2018, nr. DB 2018/216528. Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd door artikel 8b Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO-commentaar op artikel 9 van het OESO- modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s-lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. De OESO-richtlijnen geven een internationaal geaccepteerde invulling aan het arm’s- lengthbeginsel en worden daarom in het verrekenprijsbesluit van 11 mei 2018 (2018- 6865) als een passende uitleg en verduidelijking van het in artikel 8b Wet Vpb omschreven beginsel gezien.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in Staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. De OESO-richtlijnen schrijven voor dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen het kader van de over en weer verkoop van elkaars producten voor wederverkoop aan ongelieerde afnemers, zijn de wederverkoopfuncties van respectievelijk X en Z als routinematig te beschouwen. X en Z kunnen daarom worden beschouwd als de minst complex e partij in de gelieerde goederentransacties en zijn aangemerkt als tested party.
3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Voor de wederverkoopactiviteiten van X en Z is echter geen CUP aangetroffen.
4. Een andere traditionele methode is de resale price methode die uitgaat van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (transactional net margin Method met in dit geval omzet als maatstaf) een betrouwbaardere uitkomst voor de bepaling van de beloning voor de wederverkoopactiviteiten.
5. De bij het verzoek gevoegde benchmark studie voor de wederverkoopactiviteiten is beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van respectievelijk X en Z.

Conclusie

Partijen hebben vastgesteld dat voor de wederverkoopactiviteiten door respectievelijk X en Z een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de omzet at arm’s length is. Het percentage dat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan de lower quartile 4,09% bedraagt en de upper quartile 7,72%. De in de vaststellingsovereenkomst gehanteerde beloning is vastgesteld op de mediaan (met een afwijking van 10% naar boven of beneden ten opzichte van de mediaan). Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022.