rul-20191209-atr-000002

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de afwezigheid van een Vaste inrichting voor de Vennootschapsbelasting in Nederland. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2022/2023.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van een land buiten de Europese Unie, een land waarmee Nederland een verdrag is overeengekomen (“verdragsland A”) en is feitelijk aldaar gevestigd. X is een organisatie welke actief is in diverse Europese landen. De activiteiten van X bestaan uit het organiseren van evenementen, mogelijk ook in Nederland. Indien er activiteiten in Nederland plaats zullen vinden zal dit eenmalig en kortstondig zijn.

Rechtskader

Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat geen sprake is van een Vaste inrichting in Nederland ziet op de toepassing van artikel 17, derde lid, onderdeel a of 17a van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969. Als sprake is van een Vaste inrichting op basis van deze artikelen, dient op basis van de relevante bepalingen van het Belastingverdrag tussen Nederland en Verdragsland A te worden bepaald of Nederland wel kan heffen. Relevant hierbij is het besluit van 19 juni 2019 (nummer 2019/13003), waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter en de Regeling laagbelastende staten en niet niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden van 31 december 2018, nr. DB 2018/216528.

Overwegingen

1. In paragraaf 3 van het Besluit van 19 juni 2019 is onder a. aangegeven dat toegang tot het vooroverleg te verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een Ruling met een internationaal karakter slechts wordt aangegaan als sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. In dezelfde paragraaf 3 onder a, laatste zin wordt hierop een uitzondering gemaakt, welke inhoudt dat de bepaling inzake de economische nexus naar zijn aard niet van toepassing is indien zekerheid wordt gevraagd over de aan- of afwezigheid van een Vaste inrichting in Nederland.
2. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting is niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in Staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Uit praktische overwegingen wordt direct getoetst of er op basis van de relevante bepalingen van het toepasselijke Belastingverdrag geheven kan worden.
4. Op grond van de relevante bepalingen van het toepasselijke Belastingverdrag en het bijbehorende OESO commentaar is sprake van een Vaste inrichting als X een vaste bedrijfsinrichting heeft waarin gedurende een bepaalde tijd de activiteiten van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Als deze activiteiten echter van ondersteunende aard zijn, zal geen sprake zijn van een Vaste inrichting.
5. De activiteiten die X mogelijk zal verrichten in Nederland zijn kortstondig en eenmalig en voldoen niet aan de vereisten voor de aanwezigheid van een Vaste inrichting in de zin van de relevante bepalingen van het toepasselijke Belastingverdrag. Hierdoor zullen de activiteiten van X in Nederland niet leiden tot een Vaste inrichting zoals bedoeld in het toepasselijke Belastingverdrag.
6. Er zal tevens geen sprake van een persoon welke namens X bevoegd is overeenkomsten af te sluiten en dat recht gewoonlijk zal uitvoeren. Hierdoor zal geen sprake zijn van een vaste vertegenwoordiger van X in Nederland.

Conclusie

X zal geen Vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in Nederland hebben op basis van de relevante bepalingen van het toepasselijke Belastingverdrag. Indien de voorgenomen activiteiten in Nederland daadwerkelijk plaats zullen vinden, zal dit worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.