rul-20191016-apa-000012

Aanleiding

X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over Verrekenprijzen. X verzoekt voorts om een bevestiging dat de activiteiten die worden bestreken door de APA niet leiden tot een Vaste inrichting van de buitenlandse opdrachtgever.

Feiten

X is een in Nederland gevestigde entiteit van de B groep. De B groep is een industriële onderneming. C (gevestigd in Europa) is onderdeel van de B groep en verantwoordelijk voor de handel in bepaalde industriële producten in de door de groep aangewezen gebieden. D (eveneens onderdeel van de B groep en gevestigd in hetzelfde land als C) verleent logistieke ondersteuning aan C en overige groepsmaatschappijen. De activiteiten van X concentreren zich enerzijds op de handel in industriële producten in de door de groep aangewezen gebieden en anderzijds het verlenen van ondersteunende diensten aan C en D. Het verzoek om zekerheid vooraf heeft uitsluitend betrekking op de te hanteren Verrekenprijzen voor de ondersteunende dienstverlening door X aan C en D. X verleent de volgende ondersteunende diensten: 1. Ondersteuning aan C met betrekking tot haar handelsactiviteiten. De ondersteuning bestaat uit verschillende operationele en commerciële ondersteuning, (financiële) administratie en assistentie op het gebied van wet- en regelgeving. 2. Ondersteuning aan D op het gebied van logistiek en administratie. De ondersteuning bestaat uit het onderhouden en updaten van logistieke documentatie, controleren van betalingen, coördineren van betrekkingen met derde partijen, etc. 3. Ondersteuning aan C en D gerelateerd aan juridische zaken die opkomen uit de logistieke processen waarvoor C en D verantwoordelijk zijn. Dit betreft bijvoorbeeld het afhandelen en monitoren van juridische geschillen. Het is tevens de verwachting dat X de ondersteunende diensten zoals omschreven onder (3) aan twee andere groepsmaatschappijen zal verlenen. Bij het verlenen van de ondersteunende diensten door X zijn diverse teams en personeelsleden van X betrokken. X draagt nauwelijks risico’s en gebruikt geen immateriële activa bij het verlenen van de diensten. X heeft een inschatting gemaakt van de verwachte tijdsbesteding tussen haar handelsactiviteiten en dienstverleningsactiviteiten gedurende de looptijd van de APA. Een nadere inschatting heeft X gemaakt van de tijdsbesteding tussen het verlenen van diensten genoemd onder (1) en (2 en 3). Voorts belast X diverse door derden in rekening gebrachte kosten door aan relevante groepsmaatschappijen (bijvoorbeeld verzekeringskosten). Tevens huurt X een beperkt aantal materiële activa van derde partijen die gezamenlijk door X en C worden gebruikt ten behoeve van de eigen ondernemingsactiviteiten, en X belast het deel van de huurkosten door aan C naar rato van gebruik. X verricht in relatie tot de voornoemde kosten geen waardetoevoegende activiteiten.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Relevant is hierbij het Besluit van 19 juni 2019, nr. 2019/13003, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden van 31 december 2018, nr. DB 2018/216528). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd door artikel 8b Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO-commentaar op artikel 9 van het OESO- modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s-lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. De OESO-richtlijnen geven een internationaal geaccepteerde invulling aan het arm’s-lengthbeginsel en worden daarom in het verrekenprijsbesluit van 11 mei 2018 (2018-6865) als een passende uitleg en verduidelijking van het in artikel 8b Wet Vpb 1969 omschreven beginsel gezien.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in Staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. De OESO-richtlijnen schrijven voor dat een arm’s length beloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen de gelieerde dienstverleningstransacties zijn de functies van X in vergelijking met die van C en D (alsmede de twee andere groepsmaatschappijen) als ondersteunend te beschouwen. X kan daarom worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde dienstverleningstransacties en is aangemerkt als tested party.
3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s length resultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Voor de activiteiten van X is echter geen CUP aangetroffen. Een andere traditionele methode is de (bruto) cost plus methode die uitgaat van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (transactional net margin Method met in dit geval de totale relevante kosten als maatstaf) een betrouwbaardere uitkomst.
4. De bij het verzoek gevoegde benchmark studies zijn beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van X in relatie tot de ondersteunende dienstverlening. X heeft separate benchmark studies uitgevoerd voor de diensten zoals hierboven in de feiten beschreven onder (1) en (2 en 3). X heeft de uitkomsten van de twee benchmark studies gecombineerd op basis van een weging gerelateerd aan de geschatte tijdsbesteding van de verlening van diensten onder (1) en (2 en 3).
5. Omdat de activiteiten van X zich concentreren op enerzijds de handel in industriële producten en anderzijds het verlenen van ondersteunende diensten, heeft X de totale relevante kostenbasis geïdentificeerd gerelateerd aan de dienstverleningstransacties. De geïdentificeerde kostenbasis is beoordeeld en passend gevonden.
6. Kosten die enkel door X worden doorbelast kunnen op grond van paragraaf 2.98 van de OESO-Richtlijnen buiten de kostengrondslag worden gelaten omdat deze geen relevante indicator zijn voor de waarde van de door hem uitgeoefende functies, de gebruikte activa en de gelopen risico’s.
7. De feiten en omstandigheden gerelateerd aan het verlenen van ondersteunende diensten door X aan C geven geen aanleiding tot het onderkennen van een Vaste inrichting van C in Nederland op grond van het relevante Belastingverdrag.

Conclusie

Partijen hebben vastgesteld dat voor de ondersteunende diensten verleend door X aan C en D (alsmede de twee andere groepsmaatschappijen) een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de totale relevante kosten van X at arm’s length is. Het percentage dat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen valt binnen een range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan het laagste kwartiel 3,7% bedraagt en het hoogste kwartiel 10,4%. De mediaan is in de vaststellingsovereenkomst gehanteerd. In de overeenkomst is tevens bevestigd dat de ondersteunende dienstverlening door X aan C niet leidt tot een Vaste inrichting van C in Nederland. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst over een looptijd van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2023.