AI-samenvatting
Dit document behandelt de vraag of een belastingplichtige onder artikel 20 lid 6 Vpb kan vallen zonder 25 werknemers in een vaste inrichting. De conclusie is dat de belastingplichtige ten minste 25 werknemers moet hebben om niet onder de houdsterverliesregeling te vallen.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Helpdeskvraag**
Ik krijg een vraag van een belpl waarin hij een beroep doet op art. 20 lid laatste volzin Vpb om niet onder de houdsterverliesregeling te vallen. Om aan de 25 werknemers te komen heeft hij de werknemers van een vaste inrichting nodig. Ik vraag me af of dat wel de bedoeling is. Op basis van de tekst kunnen we weinig, maar aangezien de resultaten van de VI middels de objectvrijstelling geen effect hebben op het Nederlandse resultaat, lijkt me dit een onwenselijke situatie. Ben je dit al eerder tegengekomen?
**GO Eindhoven**
**GEACCEPTEERD ANTWOORD**
Betreft: Werknemers artikel 20 inclusief werknemers VI
14 jul 2017
Op 14 juli informeerde ik de vraagsteller. Onze KG heeft eerder het standpunt ingenomen dat bij de beoordeling van artikel 20 je de werknemers van de vaste inrichting meetelt. Helaas is dit niet als zodanig als helpdeskvraag geregistreerd. Ik kan je dus geen eerder uitgewerkt standpunt sturen. Een van mijn collega’s heeft echter een toelichting geformuleerd die ik hieronder voor je heb opgenomen. Ik vertrouw erop je hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Indien je naar aanleiding van het vorenstaande nog vragen hebt, neem dan contact met mij op.
Groet
**Hierbij mijn korte reactie**
**Wettekst 20 lid Vpb**
Indien de feitelijke werkzaamheid van een belastingplichtige gedurende een deel van het jaar uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van met hem verbonden lichamen en de belastingplichtige gedurende een ander deel van het jaar geen of nagenoeg geen werkzaamheden verricht of uitsluitend of nagenoeg uitsluitend werkzaamheden verricht in het kader van de voorbereiding of de beëindiging van werkzaamheden bestaande uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van verbonden lichamen, wordt ook dat andere deel van het jaar voor de toepassing van het vierde lid aangemerkt als een deel van het jaar waarin de feitelijke werkzaamheid van de belastingplichtige uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van met hem verbonden lichamen. De feitelijke werkzaamheid van de belastingplichtige bedoeld in het vierde lid wordt in ieder geval geacht niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend te bestaan uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van met hem verbonden lichamen indien ten minste 25 werknemers, berekend op basis van volledige werktijd, andere dan de genoemde werkzaamheden uitoefenen.
**Wetsgeschiedenis**
De werkzaamhedentoets dient plaats te vinden op het niveau van de belastingplichtige; dit kan ook een fiscale eenheid zijn. Werkzaamheden van deelnemingen van de belastingplichtige die geen deel uitmaken van de fiscale eenheid blijven buiten beschouwing. Bij verrekening van houdsterverliezen over het tijdstip van voeging en ontvoeging heen vindt de werkzaamhedentoets plaats op het niveau van de gevoegde maatschappij, zoals ook het geval is bij de toepassing van artikel 20a. De artikelen 15ae en 15af zijn daartoe aangepast.
Tweede Kamer vergaderjaar 2003-2004 29 210 nr 23
**Antwoord**
Gezien de wettekst en de wetgeschiedenis gaat het om de belastingplichtige inclusief de vaste inrichting. Volledigheidshalve: de regeling kan ook ten nadele van belastingplichtige werken. Voorbeeld: Het ene jaar 24 fte’s die zich bezig houden met andere werkzaamheden (houdster). Het jaar erop 25 fte’s (geen houdster), met als gevolg beperking verliesverrekening zie Pancham en Kampschroer WFR 2013 1929 punt. Bij de beoordeling van de activiteiten van de belastingplichtige wordt ook naar de activiteiten van de vaste inrichting gekeken (WFR 2013 1929 en Vernoij WFR 2005 726). In de periode voorafgaand aan de objectvrijstelling (art. 15e) geldt vanaf 2012 is dit uitgangspunt extra logisch, aangezien het resultaat van de vaste inrichting onderdeel uitmaakte van de wereldwinst. De bepalingen van voor 2012 gelden ook in de periode vanaf 2012; de wet is immers niet aangepast.
Geef een reactie