rul-20240402-ibox-000003

Aanleiding

X heeft een verzoek om vooroverleg ingediend voor toepassing van de Innovatiebox over de periode 2023/2024 tot en met 2027/2028, aansluitend op een eerdere afspraak voor de jaren 2017/2018 tot en met 2022/2023.

Feiten

X is een industriële onderneming met [26 – 75] personeelsleden in Nederland, met een jaarlijkse omzet van [€ 16 miljoen – € 50 miljoen]. X is al enkele decennia actief en is een toonaangevende marktleider in haar segment. X behaalt haar omzet nagenoeg geheel buiten Nederland, met name in Europa en Azië. X behaalt geen omzet uit landen die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. In nagenoeg de gehele omzet zijn kwalificerende voordelen uit kwalificerende immateriële activa te onderkennen. Er zijn nog enkele bijzondere producten die vóór 1 januari 2010 op de markt zijn gekomen (en die zijn te volgen in de administratie), waarvan de opbrengsten buiten de toepassing van de Innovatiebox blijven. X maakt onderdeel uit van een internationaal concern. In aanvang is X lange tijd zelfstandig geweest binnen een Nederlands concern, maar daarna overgenomen door Y, een buitenlands concern. Y oefent ook een industriële onderneming uit. X blijft zelfstandig opereren. Er is maar een zeer beperkte integratie tussen X en Y. Het is voor X lastig om in Nederland personeel te vinden dat in Nederland R&D-werkzaamheden kan uitvoeren. Een buitenlandse groepsmaatschappij van Y kan voor een klein deel voorzien in de R&D-werkzaamheden van X. Er vindt daarmee een zeer geringe uitbesteding plaats van R&D-werkzaamheden. X heeft een grote R&D-afdeling, waar een belangrijk deel van het personeelsbestand werkzaam is. X brengt jaarlijks immateriële activa voort waarvoor S&O-verklaringen worden verkregen. Per jaar worden [20.000 – 50.000] S&O-uren aangevraagd, verleend en gerealiseerd. Het opleidingsniveau van de personeelsleden van de R&D-afdeling is WO/HBO, meer dan 75% van de R&D ligt bij software en minder dan 25% bij hardware. De R&D-werknemers besteden jaarlijks gemiddeld 1.250 S&O-uren aan het zelf voortbrengen van immateriële activa. Naast S&O-verklaringen zijn er ook patenten verleend voor voortgebrachte immateriële activa. De R&D-kosten bedragen jaarlijks gemiddeld [11% – 15%] van de omzet. X is voor haar specifieke marktgebied een van de Europese marktleiders en heeft innovatieprijzen ontvangen. Het succes laat zich ook afmeten aan een structureel hoge winstgevendheid van de onderneming en het feit dat X gedurende de afgelopen jaren sterk is gegroeid. Naast de R&D-afdeling heeft X een productieafdeling; de productiefunctie kan als kernfunctie worden aangemerkt. Verder is er een routinematige functie in de vorm van een supportafdeling waar enkele accountmanagers werken die tevens salesactiviteiten verrichten. Tot slot is er een kernfunctie Corporate Excellence te onderkennen. De distributie wordt verzorgd door onafhankelijke derden in de landen waar afzet plaatsvindt. Als er service nodig is aan de geleverde producten wordt deze verleend door ongelieerde derden. In het verzoek om vooroverleg wordt verzocht om ongewijzigde toepassing van de afpelmethode, aangezien feiten en omstandigheden niet wezenlijk zijn gewijzigd ten opzichte van de voorafgaande vaststellingsovereenkomst.

Rechtskader

Het verzoek van X om toepassing van de Innovatiebox ziet op de artikelen 12b tot en met 12bg van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Voorts zijn het Innovatieboxbesluit 2021, hierna te noemen “besluit Innovatiebox”, het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, paragraaf 3 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) aan de orde.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of de transactie(s).
2. De door X gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. X kwalificeert niet als een kleinere belastingplichtige als bedoeld in artikel 12ba, tweede lid, van de Wet Vpb, omdat gedurende 2023/2024 en de vier voorafgaande boekjaren tezamen de groep (waar X gedurende die boekjaren deel van uitmaakte) naar verwachting een netto-omzet als bedoeld in artikel 12ba, tweede lid, onderdeel b, van de Wet Vpb, zal behalen die gelijk is aan of hoger is dan € 250.000.
000.
4. X heeft de economische eigendom van één of meer zelf voortgebrachte kwalificerende immateriële activa als bedoeld in artikel 12b van de Wet Vpb. Deze kwalificerende immateriële activa zijn voortgevloeid uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor één of meer S&O-verklaringen zijn afgegeven aan X die de vorm hebben van programmatuur of waarin programmatuur het zwaartepunt is dan wel mede programmatuur wordt ontwikkeld. In aanvulling daarop is sprake van aan X verleende octrooien.
5. Door X is op het laagst mogelijke aggregatieniveau en op de meest passende wijze bepaald wat de met de kwalificerende immateriële activa samenhangende voordelen zijn. Het aggregatieniveau is daarbij vastgesteld op de fiscale operationele winst (EBIT) van X, aangezien de immateriële activa worden verwerkt in de kwalificerende producten, en een lager aggregatieniveau derhalve niet mogelijk is gebleken. Gelet op de belangrijke functie van R&D in de onderneming is deze functie aangemerkt als kernfunctie, hetgeen meebrengt dat het gebruik van de afpelmethode hier het meest geschikt is om de kwalificerende voordelen te bepalen.
6. De vaststelling van de kwalificerende voordelen is ontleend aan het gedachtegoed van de Verrekenprijzen en meer in het bijzonder aan een functionele analyse op hoofdlijnen en is door de Belastingdienst beoordeeld op basis van door de belastingplichtige (desgevraagd) verstrekte informatie.
7. Bij de bepaling van de kwalificerende voordelen is derhalve het verzoek van X gevolgd om – in lijn met paragraaf 4.6 van het besluit Innovatiebox – de afpelmethode te hanteren en de fiscale EBIT van X als startpunt te nemen waarbij rekening wordt gehouden met voortbrengingskosten.
8. Deze EBIT wordt geschoond voor elementen die niet samenhangen met de kwalificerende activiteiten (de resultaten met betrekking tot producten die vóór 1 januari 2010 op de markt zijn gekomen). De daarmee samenhangende niet- kwalificerende voordelen vallen niet onder de Innovatiebox en worden belast tegen het reguliere tarief.
9. Daarbij wordt eerst een beloning in aanmerking genomen voor de in de onderneming uitgevoerde routinematige functie in de vorm van sales-activiteiten, waarvoor een omzetgerelateerde beloning van [< 5%] in aanmerking is genomen. Deze beloning valt niet onder de Innovatiebox en wordt belast tegen het reguliere tarief.
10. De restwinst wordt vervolgens gealloceerd op basis van een relatieve weging van de onderkende kernfuncties. In de analyse naar het belang van de R&D-functie zijn de volgende factoren meegewogen. X verricht grote inspanningen op het gebied van R&D. Dat uit zich onder andere in de relatief aanzienlijke omvang van het aantal S&O-uren, maar ook in het aantal medewerkers dat betrokken is bij de R&D-activiteiten in verhouding tot het aantal medewerkers dat betrokken is bij de overige (kern-)functies.
11. Op basis van deze analyse is geconcludeerd dat een gedeelte van [40% – 60%] van de resterende, operationele winst door X (in lijn met de eerdere afspraken) wordt toegerekend aan artikel 12b van de Wet Vpb. De overige operationele winst is toerekenbaar aan de kernfuncties Productie en Corporate Excellence, en wordt belast tegen het reguliere tarief.
12. Er is in beperkte mate sprake van uitbestede R&D-werkzaamheden, als bedoeld in artikel 12bb van de Wet Vpb, aan een buitenlandse groepsmaatschappij die kan worden aangemerkt als verbonden lichaam. Omdat het aggregatieniveau voor toepassing van de Innovatiebox is vastgesteld op de EBIT van X, wordt de nexuscorrectie ook op dat aggregatieniveau berekend. Dit breukdeel is voor het eerste jaar van deze afspraak vastgesteld op [0,76 – 1]. Er is geen sprake van gekochte immateriële activa.

Conclusie

De Belastingdienst is in het vooroverleg tot de conclusie gekomen dat aan de eisen voor de gevraagde toepassing van de Innovatiebox is voldaan. Er is overeenstemming bereikt over de toepassing van de Innovatiebox. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 2023/2024 tot en met 2027/2028.