rul-20230228-ibox-000006

Aanleiding

De fiscale eenheid X heeft een verzoek om vooroverleg ingediend voor toepassing van de Innovatiebox over de periode 2022 tot en met 2026, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2021.

Feiten

X is een industriële onderneming met [> 1.000] personeelsleden in Nederland, met een jaarlijkse omzet van [€ > 1.000 miljoen]. Deze omzet wordt behaald door business units die ieder beschikken over eigen gepatenteerde producten waarin technologie is verwerkt die is ontwikkeld door X. X behaalt omzet met transacties met een entiteit in een laagbelastende jurisdictie, maar dat is minder dan 30% van de omzet waar het verzoek om vooroverleg op ziet. De fiscale eenheid X dient het verzoek in voor de activiteiten van de gevoegde dochter­ maatschappij Y, waar de ontwikkelactiviteiten plaatsvinden. De fiscale eenheid X heeft transacties met buitenlandse groepsvennootschappen (met een (in­)directe verbondenheid groter dan 25%) die onder andere de producten van X produceren en wereldwijd verkopen. Daarnaast heeft X R&D­ werkzaamheden uitbesteed aan gelieerde vennootschappen. X is eigenaar van de door haar voortgebrachte immateriële activa. X heeft een entrepreneursrol met als bijbehorende functies (strategische) Marketing & Sales, Corporate Excellence en Research & Development. In dat kader beschikt X over R&D­faciliteiten en brengt jaarlijks immateriële activa voort waarvoor S&O­ verklaringen worden verkregen met over de periode 2017 tot en met 2021 gemiddeld [> 50.000] toegekende en gerealiseerde S&O­uren per jaar. Bij de S&O­ activiteiten zijn over die periode gemiddeld [> 50] R&D­medewerkers betrokken. Daarnaast heeft X over diezelfde periode gemiddeld jaarlijks [> € 10 miljoen] uitgegeven aan R&D­werkzaamheden. De succesvol afgeronde S&O­projecten hebben geleid tot meerdere aangevraagde en verleende patenten. Er zijn thans ook patenten in aanvraag. De patenten zien in hoofdzaak op product­ technologie en incidenteel op procestechnologie. X is voor haar specifieke marktgebied een van de marktleiders. Het succes laat zich ook afmeten aan een structureel hoge winstgevendheid van de onderneming. In het verzoek om vooroverleg wordt verzocht om toepassing van de afpelmethode.

Rechtskader

Het verzoek van X om toepassing van de Innovatiebox ziet op de artikelen 12b tot en met 12bg van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Voorts is het Innovatieboxbesluit 2021 (hierna te noemen “besluit Innovatiebox”), het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, paragraaf 3 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht en de Regeling laagbelastende staten en niet ­coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) aan de orde.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of de transactie(s).
2. X verricht in het kader van haar operationele bedrijfsvoering directe transacties met entiteiten gevestigd in landen die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet­coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden, zoals genoemd in paragraaf 3 van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. De omvang van deze transacties vormt een niet ­substantieel deel (geïnterpreteerd als minder dan 30%) van de omzet waar het verzoek om vooroverleg op ziet.
3. X kwalificeert niet als een kleinere belastingplichtige als bedoeld in artikel 12ba, tweede lid, van de Wet Vpb, omdat gedurende 2022 en de vier voorafgaande boekjaren tezamen de groep (waar X gedurende die boekjaren deel van uitmaakte) een netto­omzet als bedoeld in artikel 12ba, tweede lid, onderdeel b, van de Wet Vpb, heeft behaald die gelijk is aan of hoger is dan € 250.000.
000.
4. X heeft de economische eigendom van één of meer zelf voortgebrachte kwalificerende immateriële activa als bedoeld in artikel 12b van de Wet Vpb. Deze kwalificerende immateriële activa zijn voortgevloeid uit speur ­ en ontwikkelingswerk waarvoor één of meer S&O­ verklaringen zijn afgegeven aan X. In aanvulling daarop is sprake van aan X verleende en door haar aangevraagde octrooien.
5. Door X is op het laagst mogelijke aggregatieniveau en op de meest passende wijze bepaald wat de met de kwalificerende immateriële activa samenhangende voordelen zijn. Het aggregatieniveau is daarbij vastgesteld op de fiscale operationele winsten (EBIT) van de business units van X, aangezien de immateriële activa worden verwerkt in de kwalificerende producten, en een lager aggregatieniveau derhalve niet mogelijk is gebleken. Gelet op de belangrijke functie van R&D in de onderneming is deze functie aangemerkt als kernfunctie, hetgeen meebrengt dat het gebruik van de afpelmethode hier het meest geschikt is om de kwalificerende voordelen te bepalen.
6. De vaststelling van de kwalificerende voordelen is ontleend aan het gedachtegoed van de Verrekenprijzen en meer in het bijzonder aan een functionele analyse op hoofdlijnen en is door de Belastingdienst beoordeeld op basis van door de belastingplichtige (desgevraagd) verstrekte informatie.
7. Bij de bepaling van de kwalificerende voordelen is derhalve het verzoek van X gevolgd om ­ in lijn met paragraaf 4.6 van het besluit Innovatiebox ­ de afpelmethode te hanteren en de fiscale EBIT’s van de business units van X als startpunt te nemen waarbij rekening wordt gehouden met voortbrengingskosten.
8. De fiscale EBIT’s van de business units worden gealloceerd op basis van een relatieve weging van de onderkende kernfuncties. In de analyse naar het belang van de R&D­functie zijn de volgende factoren meegewogen. X verricht grote inspanningen op het gebied van R&D. Dat uit zich onder andere in de relatief aanzienlijke omvang van het aantal S&O­uren, maar ook in het aantal medewerkers dat betrokken is bij de R&D­ activiteiten in verhouding tot het aantal medewerkers dat betrokken is bij de overige (kern­)functies. Voorts is sprake van unieke technologie hetgeen blijkt uit de patent ­portefeuille. Tenslotte is er het verband tussen de technologie als bepalende factor voor de hoge winstgevendheid van de onderneming.
9. Op basis van deze analyse is geconcludeerd dat ­ in lijn met de voorafgaande afspraak – een gedeelte van [46% ­ 60%] van de operationele winst van de business units wordt toegerekend aan artikel 12b van de Wet Vpb. De overige operationele winst is toerekenbaar aan de kernfuncties (strategische) Marketing & Sales en Corporate Excellence, en wordt belast tegen het reguliere tarief.
10. Er is sprake van uitbestede R&D­ werkzaamheden, als bedoeld in artikel 12bb van de Wet Vpb, aan buitenlandse groepsmaatschappijen die kunnen worden aangemerkt als verbonden lichaam. Omdat het aggregatieniveau voor toepassing van de Innovatiebox is vastgesteld op de EBIT van de verschillende business units, wordt de nexuscorrectie ook op dat aggregatieniveau berekend. Dit breukdeel wordt vastgesteld per business unit en kan voor het eerste jaar van deze afspraak gemiddeld worden berekend op [0,51 – 0,75]. Er is beperkt sprake van gekochte immateriële activa. Daarmee wordt rekening gehouden bij de nexusberekening.

Conclusie

De Belastingdienst is in het vooroverleg tot de conclusie gekomen dat aan de eisen voor de gevraagde toepassing van de Innovatiebox is voldaan. Er is overeenstemming bereikt over de toepassing van de Innovatiebox. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2026.