rul-20211005-ibox-000010

Aanleiding

X heeft een verzoek om vooroverleg ingediend voor toepassing van de Innovatiebox over de periode 2017 tot en met 2020, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2016.

Feiten

X is een industriële onderneming met [301 – 500] personeelsleden in Nederland, met een jaarlijkse omzet van [€ 301 miljoen – € 500 miljoen]. X maakt onderdeel uit van een internationaal concern. X heeft een R&D-afdeling en heeft voor 1 juli 2016 immateriële activa voortgebracht waarvoor destijds S&O-verklaringen zijn verkregen. In het verzoek om vooroverleg wordt door X verzocht om toepassing van de per-activummethode voor een vóór 30 juni 2016 voortgebracht immaterieel activum.

Rechtskader

Het verzoek van X om toepassing van de Innovatiebox ziet op toepassing van het overgangsrecht als bedoeld in artikel 34d, eerste lid, van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Voorts zijn het Besluit van 1 september 2014 (BLKB2014/1054M), het Besluit van 6 december 2018 (Staatscourant 2018, nr. 68661) inzake de toepassing van de Innovatiebox, het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, paragraaf 3 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) aan de orde.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. X heeft de economische eigendom van een zelf voortgebracht kwalificerend immaterieel activum als bedoeld in artikel 12b (oud), eerste lid, van de Wet Vpb, welke voldoet aan de voorwaarden van artikel 12b (oud), tweede lid, van de Wet Vpb. Dit activum is vóór 1 juli 2016 voortgevloeid uit werkzaamheden waarvoor S&O-verklaringen zijn afgegeven aan X.
3. Door X is op de meest passende wijze bepaald wat de uit het kwalificerend immaterieel activum voortvloeiende voordelen zijn. Bij bepaling van de voordelen is het verzoek van X gevolgd om (in lijn met het Besluit van 1 september 2014, onderdeel 6.3.3) de per- activummethode te hanteren en de fiscaal operationele winst (de EBIT) als startpunt te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met voortbrengingskosten. De vaststelling van het voordeel is ontleend aan het gedachtegoed van de Verrekenprijzen en meer in het bijzonder aan een functionele analyse op hoofdlijnen. –Een gedeelte van [5% – 15%] van de operationele winst wordt door X toegerekend aan artikel 12b (oud) van de Wet Vpb. Deze allocatie is gebaseerd op een relatieve weging van de onderkende kernfuncties (waaronder Corporate Excellence, R&D en Marketing en Sales). Daarbij is aansluiting gezocht bij de functionaliteit van X, zoals die onder andere tot uiting komt in de positie van R&D in de onderneming. Deze winstsplitsing is door de Belastingdienst beoordeeld op basis van door de belastingplichtige (desgevraagd) verstrekte informatie.
4. X voldoet niet aan de eisen van artikel 12b van de Wet Vpb, zoals dat artikel luidt met ingang van 1 januari
2017. X voldoet wel aan de eisen voor toepassing van het overgangsrecht van artikel 34d, eerste lid, van de Wet Vpb en kan dat overgangsrecht in casu tot en met 2020 toepassen, indien en voor zover er sprake is van voordelen uit hoofde van het immaterieel activum.

Conclusie

De Belastingdienst is in het vooroverleg tot de conclusie gekomen dat aan de eisen voor de gevraagde toepassing van de Innovatiebox is voldaan. Er is overeenstemming bereikt over de toepassing van de Innovatiebox. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020, en is van overeenkomstige toepassing in de jaren 2017 tot en met 2019, waarvoor de aangiften Vennootschapsbelasting reeds zijn ingediend.