rul-20210914-ibox-000004

Aanleiding

De fiscale eenheid X heeft een verzoek om vooroverleg ingediend voor toepassing van de Innovatiebox over de periode 2021 tot en met 2025, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2020. De aangiften Vennootschapsbelasting zijn ingediend tot en met 2020.

Feiten

X is een dienstverlenende onderneming met ongeveer [301 – 500] personeelsleden in Nederland, met een jaarlijkse omzet van gemiddeld [€ 301 miljoen – € 500 miljoen]. Deze omzet wordt behaald met gebruik van software waarin innovatieve technologie is verwerkt die ontwikkeld is door X. Fiscale eenheid X dient het verzoek in voor de activiteiten van gevoegde dochtermaatschappij Y, waar de ontwikkelactiviteiten plaatsvinden. X is het hoofdkantoor van een internationaal concern dat met in totaal [501 – 1.000] medewerkers aanwezig is in diverse landen. X handelt in een breed scala van diensten en maakt daarbij gebruik van zelf ontwikkelde innovatieve software. Door de software wordt het bedrijfsproces geautomatiseerd en wordt schaalvergroting bereikt. Daarnaast stelt de innovatieve software X in staat om snel te reageren op veranderingen in de markt. X is entrepreneur en eigenaar van de door haar voortgebrachte immateriële activa. Naast het verrichten van ondersteunende activiteiten heeft X ook een entrepreneursrol met als bijbehorende functies Handel, Corporate Excellence, Support en Research & Development. In dat kader beschikt X over een R&D-afdeling en brengt jaarlijks immateriële activa voort waarvoor jaarlijks S&O-verklaringen worden verkregen met over de periode 2017 tot en met 2020 gemiddeld [> 50.000] toegekende en gerealiseerde S&O-uren per jaar. Bij de S&O- activiteiten zijn over die periode gemiddeld [> 50] R&D-medewerkers betrokken. Daarnaast heeft X over diezelfde periode gemiddeld jaarlijks [> € 5 miljoen] uitgegeven aan R&D- werkzaamheden. De daarmee gemoeide kosten bedragen gemiddeld [< 5%] van de omzet. X is voor haar specifieke marktgebied een van de Europese marktleiders. Het succes laat zich ook afmeten aan een structureel hoge winstgevendheid van de onderneming en het feit dat X over de afgelopen jaren sterk is gegroeid. In het verzoek om vooroverleg wordt verzocht om toepassing van de afpelmethode.

Rechtskader

Het verzoek van X om toepassing van de Innovatiebox ziet op de artikelen 12b t/m 12bg van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Voorts zijn het besluit van 6 december 2018 (Stcrt. 2018, nr. 68661) inzake de toepassing van de Innovatiebox, het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, paragraaf 3 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) aan de orde.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties.
2. De door X gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. X kwalificeert niet als een kleinere belastingplichtige als bedoeld in artikel 12ba, tweede lid, van de Wet Vpb, omdat gedurende 2021 en de vier voorafgaande boekjaren tezamen door de groep (waar X gedurende die boekjaren deel van uitmaakt(e)) een netto-omzet als bedoeld in artikel 12ba, tweede lid, onderdeel b, van de Wet Vpb, zal worden behaald die gelijk of hoger is dan € 250.000.
000.
4. X heeft de economische eigendom van één of meer zelf voortgebrachte kwalificerende immateriële activa als bedoeld in artikel 12b van de Wet Vpb. Deze kwalificerende immateriële activa zijn voortgevloeid uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor één of meer S&O-verklaringen zijn afgegeven aan X en hebben de vorm van programmatuur.
5. Door X is op het laagst mogelijke aggregatieniveau en op de meest passende wijze bepaald wat de met de kwalificerende immateriële activa samenhangende voordelen zijn. Het aggregatieniveau is daarbij vastgesteld op het resultaat van de fiscale eenheid, aangezien de immateriële activa tezamen wordt gebruikt bij alle activiteiten van de onderneming, en een lager aggregatieniveau niet mogelijk is gebleken. Gelet op de belangrijke functie van R&D in de onderneming is deze functie aangemerkt als kernfunctie, hetgeen meebrengt dat het gebruik van de afpelmethode hier het meest geschikt is om de kwalificerende voordelen te bepalen.
6. De vaststelling van het voordeel is ontleend aan het gedachtegoed van de Verrekenprijzen en meer in het bijzonder aan een functionele analyse op hoofdlijnen en is door de Belastingdienst beoordeeld op basis van door de belastingplichtige (desgevraagd) verstrekte informatie.
7. Bij de bepaling van de voordelen is het verzoek van X gevolgd om – in lijn met paragraaf 4.6 van het besluit van 6 december 2018 inzake de toepassing van de Innovatiebox – de afpelmethode te hanteren en het fiscaal kwalificerende operationele resultaat van de fiscale eenheid als startpunt te nemen waarbij rekening wordt gehouden met voortbrengingskosten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het binnenlandse en buitenlandse fiscaal operationeel resultaat.
8. Het in het binnenland en buitenland opgekomen fiscaal operationeel resultaat wordt gealloceerd op basis van een relatieve weging van de onderkende kernfuncties. Het buitenlandse fiscaal operationeel resultaat ziet op de aan Nederland toerekenbare beloning voor het ter beschikking stellen van immateriële activa door Y aan de buitenlandse concernonderdelen van X. In de analyse naar het belang van de R&D-functie en de hieraan toe te rekenen beloning zijn de volgende factoren meegewogen. X verricht grote inspanningen op het gebied van R&D ten behoeve van het gehele concern. Dat uit zich onder andere in de relatief en absoluut aanzienlijke omvang van het aantal S&O-uren, maar ook in het aantal medewerkers dat in Nederland betrokken is bij de R&D-activiteiten in verhouding tot het aantal medewerkers dat betrokken is bij de overige (kern-)functies. Tenslotte kan gewezen worden op het verband tussen de technologie als bepalende factor voor de hoge winstgevendheid en de sterke groei van de onderneming.
9. Op basis van deze analyse is geconcludeerd dat een gedeelte van [31% – 45%] van het in het binnenland opgekomen fiscaal operationeel resultaat door X wordt toegerekend aan artikel 12b van de Wet Vpb. De overige winst is toerekenbaar aan de kernfuncties Corporate Excellence, Handel en Support en wordt belast tegen het reguliere tarief.
10. Van het in het buitenland opgekomen fiscaal operationeel resultaat wordt door X [> 60%] toegerekend aan artikel 12b van de Wet Vpb. De overige winst is toerekenbaar aan de kernfunctie Corporate Excellence en wordt belast tegen het reguliere tarief.
11. Er is zeer beperkt sprake van uitbestede R&D-werkzaamheden als bedoeld in artikel 12bb van de Wet Vpb aan een buitenlandse groepsmaatschappij die kan worden aangemerkt als verbonden lichaam. Omdat de Innovatiebox op het resultaat op het niveau van de fiscale eenheid wordt toegepast wordt de nexuscorrectie ook op dat aggregatieniv eau berekend. Dit breukdeel is (met inachtneming van de “uplift” factor van 1,3 als genoemd in artikel 12bb lid 1 van de Wet Vpb) voor het eerste jaar van deze afspraak en de vier boekjaren jaren voorafgaand aan het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2021 vastgesteld op
1. Er is overigens geen sprake van gekochte immateriële activa.

Conclusie

De Belastingdienst is in het vooroverleg tot de conclusie gekomen dat aan de eisen voor de gevraagde toepassing van de Innovatiebox is voldaan. Er is overeenstemming bereikt over de toepassing van de Innovatiebox. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst over een looptijd van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025.