rul-20210316-ibox-000008

Aanleiding

De fiscale eenheid X heeft een verzoek om vooroverleg ingediend voor toepassing van de Innovatiebox over de periode 2017 tot en met 2023. De aangiften Vennootschapsbelasting zijn ingediend tot en met 2018.

Feiten

X is een dienstverlenende onderneming met [26 – 75] personeelsleden in Nederland, met een jaarlijkse omzet van [€ 6 miljoen – € 15 miljoen]. Deze omzet wordt voornamelijk behaald via licentie opbrengsten uit eigen IP. Fiscale eenheid X dient het verzoek in voor de activiteiten van gevoegde dochtermaatschappij Y en Z, waar de ontwikkelactiviteiten plaatsvinden. Z is door partij X verworven in het jaar 2019. X maakt onderdeel uit van een (inter)nationaal concern. De aandelen in X worden voor meer dan 25% gehouden door een buitenlandse moedermaatschappij. X is entrepreneur en eigenaar van de door haar voortgebrachte immateriële activa in Y en wordt, door het verkrijgen van S&O-verklaringen vanaf 2020 middels ingroei, entrepreneur en eigenaar van de nieuw voortgebrachte en doorontwikkelde immateriële activa in Z. Daarbij zijn de volgende kernfuncties onderkend: Sales & Marketing, Corporate Excellence, (niet kwalificerende) R&D en Research & Development. In dat kader beschikt X over een R&D-afdeling en brengt jaarlijks immateriële activa voort waarvoor jaarlijks S&O-verklaringen worden verkregen met over afgelopen jaren tot en met 2020 gemiddeld [10.000 – 20.000] toegekende en gerealiseerde S&O-uren per jaar. In totaal zijn in Nederland ongeveer [21 – 50] medewerkers betrokken bij R&D. Voor een gedeelte van de als R&D aangemerkte werkzaamheden zijn geen S&O-verklaringen verkregen. De jaarlijkse R&D-kosten bedragen de afgelopen jaren gemiddeld [5% – 10%] van de omzet. De omzet groeit jaarlijks met ongeveer 10%. In het verzoek om vooroverleg wordt verzocht om toepassing van de afpelmethode.

Rechtskader

Het verzoek van X om toepassing van de Innovatiebox ziet op de artikelen 12b t/m 12bg van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Daarnaast wordt een verzoek gedaan om toepassing van het overgangsrecht als bedoeld in artikel 34d, eerste lid, van de Wet Vpb. Voorts zijn het besluit van 6 december 2018 (Stcrt. 2018, nr. 68661) inzake de toepassing van de Innovatiebox, het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, paragraaf 3 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) aan de orde.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties.
2. De door X gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. X kwalificeert als een kleine belastingplichtige als bedoeld in artikel 12ba, tweede lid van de Wet Vpb, omdat gedurende 2019 en de vier voorafgaande boekjaren tezamen de groep (waar X gedurende die boekjaren deel van uitmaakte) een netto-omzet als bedoeld in artikel 12ba, tweede lid, onderdeel b, van de Wet Vpb, zal zijn behaald die lager is dan € 250.000.000 en over dezelfde periode voordelen uit kwalificerende immateriële activa heeft behaald van minder dan € 37.500.
000.
4. X heeft de economische eigendom van één of meer zelf voortgebrachte kwalificerende immateriële activa als bedoeld in artikel 12b van de Wet Vpb. Deze kwalificerende immateriële activa zijn voortgevloeid uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor één of meer S&O-verklaringen zijn afgegeven aan X.
5. Door X is op het laagst mogelijke aggregatieniveau en op de meest passende wijze bepaald wat de met de kwalificerende immateriële activa samenhangende voordelen zijn. Het aggregatieniveau is daarbij vastgesteld op de EBIT, aangezien de immateriële activa worden verwerkt in alle kwalificerende producten, en een lager aggregatieniveau derhalve niet mogelijk is gebleken. Gelet op de belangrijke functie van R&D in de onderneming is deze functie aangemerkt als kernfunctie, hetgeen meebrengt dat het gebruik van de afpelmethode hier het meest geschikt is om de kwalificerende voordelen te bepalen.
6. De vaststelling van het voordeel is ontleend aan het gedachtegoed van de Verrekenprijzen en meer in het bijzonder aan een functionele analyse op hoofdlijnen en is door de Belastingdienst beoordeeld op basis van door de belastingplichtige (desgevraagd) verstrekte informatie.
7. Bij de bepaling van de voordelen is derhalve het verzoek van X gevolgd om – in lijn met paragraaf 4.6 van het besluit van 6 december 2018 inzake de toepassing van de Innovatiebox – de afpelmethode te hanteren en de fiscale kwalificerende operationele winst (de EBIT) van de fiscale eenheid als startpunt te nemen waarbij rekening wordt gehouden met voortbrengingskosten.
8. Er zijn geen routinematige functies onderkend.
9. De EBIT wordt gealloceerd op basis van een relatieve weging van de onderkende kernfuncties. Hierbij hebben met name de hoge R&D-uitgaven en het aantal personeelsleden dat zich (deels met gebruikmaking van S&O) bezighoudt met R&D een belangrijke rol gespeeld. Daarbij worden voordelen uit immateriële activa die niet zijn voortgevloeid uit S&O-werkzaamheden niet meegenomen in de Innovatiebox.
10. Op basis daarvan is geconcludeerd dat een gedeelte van [16% – 30%] van de operationele winst door X wordt toegerekend aan artikel 12b van de Wet Vpb. De resterende operationele winst ter grootte van [70% – 84%] is toerekenbaar aan de overige kernfuncties, te weten (strategische) Marketing & Sales, Corporate Excellence en Niet kwalificerende R&D. Deze winst wordt belast tegen het reguliere tarief. Daarbij vindt voor het gedeelte van de operationele winst van Z dat wordt toegerekend aan artikel 12b van de Wet Vpb een ingroei plaats in 3 jaar vanaf het jaar 2020 (aanvang S&O- verklaringen).
11. Er is geen sprake van uitbestede R&D-werkzaamheden als bedoeld in artikel 12bb van de Wet Vpb. Er is voorts geen sprake van gekochte immateriële activa.

Conclusie

De Belastingdienst is in het vooroverleg tot de conclusie gekomen dat aan de eisen voor de gevraagde toepassing van de Innovatiebox is voldaan. Er is overeenstemming bereikt over de toepassing van de Innovatiebox. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst over een looptijd van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2023 en is van overeenkomstige toepassing in de jaren 2017 en 2018 waarvoor de aangiften Vennootschapsbelasting reeds zijn ingediend.