rul-20210119-ibox-000012

Aanleiding

De fiscale eenheid X heeft een verzoek om vooroverleg ingediend voor toepassing van de Innovatiebox over de periode 2017 tot en met 2023, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2017, welke is vervallen als gevolg van een wetswijziging per 1 januari 2017.

Feiten

X is een industriële onderneming met [>1.000] personeelsleden in Nederland, met een jaarlijkse omzet van [€ >1.000 miljoen]. X maakt onderdeel uit van een internationaal concern. X heeft een R&D afdeling en brengt jaarlijks immateriële activa voort waarvoor WBSO verklaringen worden verkregen. Daarnaast zijn er voor zowel de product- als de procestechnologie octrooien en/of andere rechten verkregen. In het verzoek om vooroverleg wordt door X verzocht om toepassing van de afpelmethode voor de immateriële activa die zijn verwerkt in de producten van divisies A en B, en om toepassing van de per activum methode voor product C, waarin een immaterieel activum is verwerkt dat is voortgebracht voor 1 juli 2016.

Rechtskader

Het verzoek van X om toepassing van de Innovatiebox ziet op de art. 12b t/m 12bg van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Daarnaast wordt een verzoek gedaan om toepassing van het overgangsrecht als bedoeld in art. 34d lid 1 en lid 2 van de Wet Vpb. Voorts zijn het Besluit d.d. 6 december 2018 (Staatscourant 2018 nr. 68661 20 december 2018) inzake de toepassing van de Innovatiebox, het Besluit d.d. 19 juni 2019 (nr. 2019/13003), par. 3 van het Besluit d.d. 9 mei 2017 (nr. 2017-1209) en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden d.d. 31 december 2018 (nr. DB 2018/216528, met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) aan de orde.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties. X verricht in het kader van haar operationele bedrijfsvoering een aantal transacties met entiteiten die in landen zijn gevestigd die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden, zoals genoemd in par. 3 van het Besluit van 19 juni
2019. De omvang van deze transacties is beperkt tot een niet substantieel deel (geïnterpreteerd als minder dan 30%) van de omzet van X. De gevraagde zekerheid vooraf heeft voorts geen rechtstreekse betrekking op de fiscale gevolgen van specifieke transacties met deze entiteiten.
2. X kwalificeert niet als een kleinere belastingplichtige als bedoeld in artikel 12ba, lid 2, van de Wet Vpb, omdat gedurende 2019 en de vier voorafgaande boekjaren tezamen de groep (waar X gedurende die boekjaren deel van uitmaakte) een netto-omzet als bedoeld in artikel 12ba, lid 2, onderdeel b, van de Wet Vpb, heeft behaald die gelijk of hoger is dan € 250.000.
000.
3. X heeft inzake divisie A de economische eigendom van één of meer zelf voortgebrachte kwalificerende immateriële activa als bedoeld in artikel 12b van de Wet Vpb. Deze kwalificerende immateriële activa zijn voortgevloeid uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor één of meer S&O-verklaringen zijn afgegeven aan X. In aanvulling daarop is sprake van aan X verleende en door haar aangevraagde octrooien en andere rechten. Divisie B brengt met ingang van 2017 niet langer kwalificerende immateriële activa voort. Met betrekking tot divisie B en product C geldt dat X de economische eigendom heeft v an één of meer zelf voortgebrachte kwalificerende immateriële activa als bedoeld in artikel 12b (oud) lid 1 van de Wet Vpb, welke voldoen aan de voorwaarden van artikel 12b (oud), lid 2 van de Wet Vpb. Deze activa zijn voor 1 juli 2016 voortgevloeid uit werkzaamheden waarvoor octrooien of andere rechten zijn afgegeven aan X.
4. Door X is op het laagst mogelijke aggregatieniveau en op de meest passende wijze bepaald wat de met de kwalificerende immateriële activa samenhangende voordelen zijn. Bij bepaling van de voordelen is het verzoek van X gevolgd om in lijn met par. 4.6 van het Besluit d.d. 6 december 2018 voor een tweetal divisies de afpelmethode te hanteren en de operationele winst (de EBIT) van de divisie A en divisie B als startpunt te nemen, en voor Product C de per activum methode. Bij deze combinatie van methodes wordt rekening gehouden met voortbrengingskosten. De vaststelling van het voordeel is ontleend aan het gedachtegoed van de Verrekenprijzen en meer in het bijzonder aan een functionele analyse op hoofdlijnen. –Daarbij wordt eerst een beloning in aanmerking genomen voor de in de onderneming uitgevoerde routinematige functies. Deze beloning valt niet onder de Innovatiebox. –Vervolgens wordt een gedeelte van [>60%] van de resterende operationele winst door X toegerekend aan artikel 12b van de Wet Vpb. Deze allocatie is gebaseerd op een relatieve weging van de onderkende kernfuncties (waaronder R&D, Corporate Excellence en Marketing en Sales). Daarbij is aansluiting gezocht bij de functionaliteit van X, zoals die o.a. tot uiting komt in de positie van R&D in de onderneming en de voorziene ontwikkelingen daarin, het aantal en de kwaliteit van de WBSO FTE en de absolute en relatieve hoogte en ontwikkeling van operationele (al dan niet gekapitaliseerde) R&D kosten. Deze winstsplitsing is door de Belastingdienst beoordeeld op basis van door de belastingplichtige (desgevraagd) verstrekte informatie.
5. Er is sprake van uitbestede R&D werkzaamheden als bedoeld in artikel 12bb van de Wet Vpb. Omdat de Innovatiebox per divisie c.q. product wordt toegepast wordt de Nexuscorrectie op ditzelfde aggregatieniveau berekend. Dit breukdeel is voor de vier jaren voorafgaand aan het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2017, met inachtneming van artikel 34d, leden 3 en 4, van de Wet Vpb 1969, vastgesteld op
1. Er is overigens geen sprake van gekochte immateriële activa.
6. Voor de toepassing van het overgangsrecht van artikel 34d Wet Vpb wordt voor de divisies A en B een uitgroei gehanteerd voor de toepassing van artikel 12b Wet Vpb, zoals dat artikel luidde op 31 december
2016. De uitgroei is gelijk aan de ingroei die in een eerdere afspraak overeen is gekomen, cf. par. 10.2 van het Besluit d.d. 6 december
2018. Producten van de divisies A en B die onder het overgangsrecht vallen en die met ingang van 1 januari 2021 voldoen aan de voorwaarden van 12b van de Wet Vpb, zoals dat artikel luidt met ingang van 1 januari 2017, al dan niet in combinatie met artikel 34d, lid 2 en lid 5, van de Wet Vpb, worden vanaf 1 januari 2021 aangemerkt als kwalificerende immateriële activa. Voor product C blijft art. 34d lid 1 resp. lid 2 van de Wet Vpb van toepassing zolang er uit hoofde van het immaterieel activum voordelen te onderkennen zijn.
7. Voor Divisie A wordt een ingroei gehanteerd voor de toepassing van artikel 12b Wet Vpb, zoals dat artikel luidt met ingang van 1 januari
2017. Achtergrond van deze ingroei is de aanwezigheid van voordelen welke toerekenbaar zijn aan immateriële activa die zijn voortgebracht voor 1 juli 2016 (het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 12b t/m 12bg en 34d van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969). Deze ingroei is in lijn met de ingroei zoals die in een eerdere afspraak overeen is gekomen. Voor Divisie B wordt geen ingroei gehanteerd voor de toepassing van artikel 12b Wet Vpb, zoals dat artikel luidt met ingang van 1 januari 2017.

Conclusie

De Belastingdienst is in het vooroverleg tot de conclusie gekomen dat aan de eisen voor de gevraagde toepassing van de Innovatiebox is voldaan. Er is overeenstemming bereikt over de toepassing van de Innovatiebox. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst over een looptijd van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2023, en is van overeenkomstige toepassing in de jaren 2017 en 2018, waarvoor de aangiften Vennootschapsbelasting reeds zijn ingediend.