Aanleiding
De fiscale eenheid X heeft een verzoek om vooroverleg ingediend voor aanpassing van de gemaakte afspraken van dochtermaatschappij Y voor toepassing van de innovatiebox over de periode 2022 tot en met 2028.
Feiten
X dient het verzoek in voor haar eind 2024 verworven en aansluitend in haar fiscale eenheid gevoegde dochtermaatschappij Y. Y is een industriële onderneming met [301 – 500] personeelsleden in Nederland, met een jaarlijkse omzet van [€ 51 miljoen – € 150 miljoen].
X maakt onderdeel uit van een internationaal concern, en fungeert als tussenhoudster voor een groep Nederlandse industriële bedrijven. De producten van X worden wereldwijd verkocht. De aandelen in X worden gehouden door een buitenlandse moedermaatschappij.
Y is eigenaar van de door haar voortgebrachte immateriële activa, welke kwalificeren voor toepassing van de innovatiebox. Research & Development vormt voor Y een kernfunctie, en Y bepaalt tot de overname haar voordeel uit hoofde van toepassing van de innovatiebox op basis van de afpelbenadering. Na de overname zijn door een toenemende administratieve integratie en verwevenheid van Y met X de voordelen van Y niet meer separaat op die voet bepaalbaar. X verzoekt om het voordeel van Y met ingang van 2025 op pragmatische gronden te bepalen op basis van een kostengerelateerde methode, waarvoor de benodigde gegevens wel beschikbaar zijn. Deze methode wordt ook elders in de fiscale eenheid van X toegepast.
Als gevolg hiervan zijn partijen in overleg getreden om te bezien op welke wijze het veranderde feitencomplex invloed heeft op de eerder gemaakte afspraken over de toepassing van de afpelmethode zoals vastgelegd in een eerder tot stand gekomen overeenkomst om te komen tot een adequate aanpassing gedurende de resterende looptijd van de vaststellingsovereenkomst.
Rechtskader
Het verzoek van X om toepassing van de innovatiebox ziet op de artikelen 12b tot en met 12bg van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb).
Voorts zijn het Innovatieboxbesluit 2021 en het Innovatieboxbesluit 2025, hierna (gezamenlijk) te noemen "besluit innovatiebox", het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, paragraaf 3 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht en de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) aan de orde.
Overwegingen
1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties.
2. De door X gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. 3. Y beschikt over kwalificerende immateriële activa, maar is om administratieve redenen met ingang van 2025 niet langer in staat het hieraan toe te rekenen voordeel te bepalen op de voet van de afpelmethode. Voor de bepaling van het voordeel bij toepassing van een kostengerelateerde benadering zijn de daarvoor benodigde gegevens wel bepaalbaar en controleerbaar.
4. Gelet op de praktische bepaalbaarheid van de voordelen is het verzoek van X gevolgd om op pragmatische gronden met ingang van 2025 een kostengerelateerde methode te hanteren voor de bepaling van het voordeel uit hoofde van de innovatiebox.
5.Voor het overige zijn de eerder tussen de Belastingdienst en Y tot stand gekomen afspraken onverminderd van toepassing.
Conclusie
Er is overeenstemming bereikt over de aanpassing van de eerder tot stand gekomen afspraken met betrekking tot de innovatiebox. Dit is vastgelegd in een addendum op de bestaande vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2028.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie