-
2130247
In 2008 is instelling X aangemerkt als een Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) en heeft zij een beschikking ontvangen van de Belastingdienst. In 2012 vraagt instelling X om een duplicaat van deze beschikking. Volgens artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is het toegestaan om een duplicaat van de ANBI-beschikking te verstrekken, aangezien het verstrekken van de originele beschikking plaatsvond in het kader van de uitvoering van de belastingwet. De geheimhoudingsplicht staat niet in de weg aan het verstrekken van een duplicaat, omdat de belanghebbende de beschikking al in bezit had. De kennisgroep verwijst ook naar de Belastingdienst, die aangeeft dat kopieën van eerder verstrekte documenten op verzoek kunnen worden geleverd, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die dit verhinderen.
-
2130248
Na het onherroepelijk worden van een ambtshalve aanslag kan er geen bedrag meer aan de fiscale oudedagsreserve (FOR) worden toegevoegd. De ondernemer heeft de keuze om wel of niet te doteren aan de FOR, maar deze keuze moet vóór het vaststellen van de aanslag kenbaar worden gemaakt. Indien er geen aangifte is ingediend, is het voor de inspecteur niet duidelijk welke keuze de belastingplichtige heeft gemaakt, en kan hij hier geen rekening mee houden bij het opleggen van de aanslag. De wetgeving maakt het niet mogelijk om deze keuze na het onherroepelijk worden van de aanslag alsnog te maken. Dit is bevestigd in eerdere rechtspraak en de geldende fiscale regels.
-
2130249
Een curator kan geen verzuimboete op basis van de artikelen 67a en 67b van de AWR opgelegd krijgen voor het niet (tijdig) nakomen van de aangifteplicht van een gefailleerde belastingplichtige. Echter, op grond van artikel 67ca, lid 1, letter a van de AWR kan een verzuimboete wel worden opgelegd aan de curator q.q. voor het niet verzoeken om een aangiftebiljet. De curator is verantwoordelijk voor de objectieve rechtsplichten van de gefailleerde, maar kan alleen aansprakelijk worden gesteld voor de verplichtingen die hem specifiek zijn opgelegd. Bestuurlijke boetes die voortkomen uit de niet-nakoming door de curator q.q. kunnen als boedelschuld worden aangemerkt. Het opleggen van boetes aan de gefailleerde belastingplichtige of inhoudingsplichtige vanwege de curator's nalatigheid is niet mogelijk, omdat de gefailleerde geen beschikkingsmacht heeft over de curator.
-
2130250
Belastingplichtige heeft voor de inkomstenbelasting over de jaren vóór 2007 geen aangifte gedaan en er zijn geen aanslagen opgelegd. Het verzoek om alsnog een beschikking voor restant persoonsgebonden aftrek te ontvangen is niet-ontvankelijk. Volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 kan de inspecteur een beschikking voor persoonsgebonden aftrek alleen vaststellen bij een belastingaanslag. Aangezien er geen aangiften zijn ingediend en dus geen aanslagen zijn vastgesteld, is er geen basis voor de inspecteur om een beschikking af te geven. Dit verschilt van eerdere jurisprudentie waarin wel aangiften waren ingediend.
-
2130251
In dit memo wordt besproken dat bepaalde instellingen en bedrijven recht hebben op een gedeeltelijke teruggaaf van energiebelasting, ondanks dat zij zelf niet belastingplichtig zijn. De vraag is of de beschikking voor deze teruggaaf kan worden aangemerkt als een teruggaafbeschikking volgens artikel 30ha van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Het antwoord is bevestigend. De memo legt uit dat belastingrente vergoed moet worden aan de gebruiker van energie als een teruggaafverzoek niet binnen 8 weken wordt afgehandeld of na een afwijzing alsnog een teruggaafbeschikking wordt afgegeven. Voor de berekening van de belastingrente zijn specifieke tijdvakken vastgesteld, afhankelijk van de verbruiksperiode en de datum van de teruggaafbeschikking. De memo bevat ook voorbeelden die de toepassing van deze regels verduidelijken.
-
2130252
De kennisgroep Formeel Recht van de Belastingdienst heeft haar standpunt over de verrekening van verliezen herzien. Een verliesbeschikking vennootschapsbelasting uit 2005, die ten onrechte niet is verrekend in de jaren 2006 tot en met 2010, kan alsnog worden verrekend met latere jaren, mits dit binnen de wettelijke termijn van negen jaar voor voorwaartse verrekening en de vijfjaarstermijn voor ambtshalve herziening valt. Verliezen dienen te worden verrekend volgens de wettelijke volgorde, waarbij het verlies uit 2005 eerst met de winsten van 2008, 2009 en 2010 kan worden verrekend. Het resterende bedrag kan worden verrekend met winsten na 2010, met de beperking dat het verlies uiterlijk in 2014 moet zijn verrekend.
-
2130253
X doet aangifte voor de belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) en ontvangt een betaalbericht van de Belastingdienst zonder betaaltermijn. Hij betaalt de BPM enkele maanden later en ontvangt zijn kentekenbewijs. Een betaaltermijn kan in het betaalbericht worden opgenomen zonder strijdigheid met de wet. Indien niet aan deze termijn wordt voldaan, kan de Belastingdienst naheffen en een verzuimboete of vergrijpboete opleggen. De BPM moet vóór registratie van het voertuig worden betaald, en de aangifte moet gelijktijdig met de betaling plaatsvinden. Bij niet-betaling kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen, en bij betalingsverzuim kan een verzuimboete worden opgelegd. Het wettelijke betalingsmoment is het moment van aangifte, en een betalingstermijn kan leiden tot een coulancetermijn van zeven dagen voor het opleggen van een verzuimboete.
-
2135351
De Belastingdienst heeft duizenden verzoeken om teruggave van dividendbelasting ontvangen van buitenlandse aandeelhouders. Deze verzoeken zijn vaak gebaseerd op artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting, maar bij afwijzingen stellen verzoekers soms dat artikel 25 van de Wet op de vennootschapsbelasting van toepassing is. Het is niet mogelijk om een eerder verzoek om teruggave op basis van artikel 10 aan te vullen met een verzoek op basis van artikel 25, omdat dit als een nieuw verzoek wordt beschouwd dat een nieuwe dagtekening krijgt. De wetgeving maakt een duidelijk onderscheid tussen verzoekers die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting en degenen die dat niet zijn. Een verzoeker die ten onrechte artikel 10 heeft ingeroepen, kan worden aangemerkt als een verzoeker om uitreiking van een aangifte vennootschapsbelasting, maar dit leidt tot een nieuwe aangifte met een nieuwe dagtekening.
-
2135367
In een memo van de Belastingdienst wordt besproken of een vergrijpboete kan worden gematigd in gevallen van vestzak-broekzaktransacties, waarbij een BV opzettelijk omzetbelasting niet heeft gefactureerd, maar de schatkist per saldo geen nadeel ondervindt. De memo stelt dat de hoogte van de boete afhankelijk is van de feiten en omstandigheden van het geval. Hoewel de BV opzettelijk heeft gehandeld, kan de boete worden verlaagd als er geen benadeling van de fiscus of zelfbevoordeling van de belastingplichtige is. Er wordt verwezen naar eerdere rechtspraak waarin rekening is gehouden met het ontbreken van fiscaal nadeel bij het bepalen van de boete. De uiteindelijke beslissing over de hoogte van de boete moet per geval worden genomen, zonder algemene regels.
-
2135368
Een ondernemer die ervoor heeft gekozen om boekwinst niet in een herinvesteringsreserve (HIR) te reserveren, kan in bezwaar tegen een navorderingsaanslag alsnog om toepassing van de HIR vragen, afhankelijk van of er onherroepelijke fiscale gevolgen zijn ingetreden door zijn keuze. Als de boekwinst is aangegeven in de aangifte, zijn er onherroepelijke gevolgen en kan de ondernemer niet terugkomen op zijn keuze. Als de boekwinst niet is aangegeven en de navorderingsaanslag is opgelegd, zijn er nog geen onherroepelijke gevolgen en kan de ondernemer alsnog een HIR vormen. De foutenleer is niet van toepassing op de HIR, en interne compensatie door de belastingplichtige is niet mogelijk. De Hoge Raad heeft in eerdere arresten bevestigd dat een belastingplichtige vrij is om terug te komen op een keuze zolang deze keuze niet heeft geleid tot onherroepelijke fiscale gevolgen.
-
2135369
In een memo van de Belastingdienst wordt de situatie besproken rondom het opleggen van een vergrijpboete bij het niet tijdig indienen van een suppletie omzetbelasting. De casus betreft een suppletie die na constatering van een fout is ingediend, waarbij de belastingplichtige mogelijk te maken heeft met grove schuld. De memo stelt dat een vergrijpboete kan worden opgelegd op basis van artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. De termijn voor het indienen van de suppletie is niet exact vastgelegd, maar moet plaatsvinden voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur op de hoogte is van de onjuistheid. De memo benadrukt dat het tijdig indienen van een suppletie niet automatisch betekent dat deze ook daadwerkelijk tijdig is ingediend. De inspecteur moet individuele omstandigheden in overweging nemen bij het opleggen van een boete.
-
2135370
De kennisgroep van de Belastingdienst concludeert dat een ANBI commerciële activiteiten mag salderen, mits deze activiteiten niet structureel verliesgevend zijn. Verliesgevende niet-algemeen nuttige activiteiten mogen niet worden gesaldeerd met commerciële activiteiten, omdat deze laatste gericht zijn op het genereren van positieve resultaten ter financiering van de algemeen nuttige doelstellingen. Het is essentieel dat de opbrengsten uit commerciële activiteiten binnen een redelijke termijn aan de doelstellingen van de ANBI worden besteed. Activiteiten die niet direct bijdragen aan het algemeen nut en geen structureel financieel voordeel opleveren, kunnen de ANBI-status in gevaar brengen. De beoordeling of een activiteit structureel verliesgevend is, kan complex zijn, vooral wanneer activiteiten sterk met elkaar verweven zijn.
-
2155532
De inspecteur mag de harde schijf van een in beslag genomen computer of een back-up daarvan niet zonder meer raadplegen. Hij kan echter, indien er een heffingsbelang is, op basis van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) de belastingplichtige verzoeken om zakelijke bestanden te verstrekken. Als de belastingplichtige deze gegevens niet heeft, kan de inspecteur op grond van artikel 48 AWR de gegevensdragers bij de ontvanger opvragen, mits hij de belastingplichtige gelijktijdig in kennis stelt. Dit is bevestigd in een uitspraak van Hof 's-Hertogenbosch.
-
2155533
De dwangsomregeling is van toepassing op een verzoek om herziening van een voorlopige aanslag, zoals vastgesteld door de Kennisgroep Formeel Recht van de Belastingdienst. Een voorlopige aanslag kwalificeert als een beschikking op aanvraag volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het verzoek om herziening kan worden aangemerkt als een aanvraag tot het nemen van een besluit, omdat het gericht is op het verkrijgen van een nieuwe beschikking. Artikel 13, lid 4 van de AWR, dat stelt dat een verzoek om een voorlopige aanslag vast te stellen geen aanvraag is, is niet van toepassing op de herziening van een voorlopige aanslag. Hierdoor voldoet het verzoek aan de voorwaarden van artikel 4:17 van de Awb.
-
2155534
Na het overlijden van de sleutelpersoon van een "éénmans-BV" kan er geen boete meer worden opgelegd, omdat dit in strijd is met het recht op een adequate verdediging en de onschuldpresumptie, zoals vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Indien een boete al is opgelegd en deze nog niet onherroepelijk is, vervalt deze eveneens. De achterblijvende gerechtigden kunnen zich beroepen op de bemoeilijkte verdediging door het overlijden van de sleutelpersoon, wat kan leiden tot het niet opleggen van een boete. Dit is bevestigd in jurisprudentie, waaronder een arrest van de Hoge Raad.
-
2155535
Het afdekken van de ogen of het onzichtbaar maken van het burgerservicenummer (BSN) op een identiteitsbewijs voldoet niet aan de verplichtingen van artikel 28, lid 1, letter f van de Wet op de Loonbelasting en artikel 7.5 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting. Een integrale kopie van het identiteitsbewijs is vereist, inclusief een volledige gezichtsopname en het BSN, om de identiteit van de werknemer vast te stellen en te voldoen aan de informatieplicht volgens de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het BSN is essentieel voor de koppeling aan een persoon en moet zichtbaar zijn voor controle door de inhoudingsplichtige.
-
2155537
De meerderheidsregel binnen de Belastingdienst dient per segment te worden beoordeeld, niet per kantoor. Beslissingen van andere segmenten worden niet meegenomen, tenzij ze specifiek aan het segment zijn toe te rekenen dat met de meerderheidsregel wordt geconfronteerd. De toepassing van de meerderheidsregel is gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel en moet aansluiten bij het ambtsgebied van de inspecteur, dat landelijk is voor elk segment. De huidige structuur van de Belastingdienst, die in segmenten is ingedeeld, ondersteunt deze benadering, hoewel er discussie bestaat over de wenselijkheid van een landelijke werking. Besluiten die door een ander segment zijn genomen, hoeven niet te worden meegenomen, tenzij ze formeel aan het betreffende segment zijn toe te rekenen, zoals bij bezwaarprocedures.
-
2155538
In artikel 2:2, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt 'de belanghebbende' gedefinieerd als degene die wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde. Bij een algehele weigering van een gemachtigde omvat 'de belanghebbende' alle personen waarvoor de gemachtigde optreedt. De wetgeving en de wetsgeschiedenis wijzen erop dat 'de belanghebbende' degene is die bijstand of vertegenwoordiging ontvangt, en niet noodzakelijkerwijs degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken, zoals gedefinieerd in artikel 1:2, lid 1 van de Awb. Het bestuursorgaan moet 'de belanghebbende' onverwijld schriftelijk in kennis stellen van de weigering, zodat deze kan overwegen hoe verder te gaan, bijvoorbeeld met een andere gemachtigde.
-
2214412
Bij een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) aan een afnemer vanwege het gebruik van een valse factuur kan een vergrijpboete worden opgelegd, mits de afnemer zich bewust was van de valsheid. Dit geldt ook voor een leverancier die ten onrechte geen OB in rekening heeft gebracht. Indien er per saldo geen verlies van belastinginkomsten is, kan dit een reden zijn om de boete te matigen. De Hoge Raad heeft in een eerdere uitspraak gesteld dat een boete alleen kan worden opgelegd als er daadwerkelijk te weinig belasting is geheven. De huidige wetgeving maakt het mogelijk om boetes op te leggen bij niet-betaalde belasting, wat de relevantie van de Hoge Raad-uitspraak vermindert. De kennisgroep Formeel Recht heeft bevestigd dat het ontbreken van fiscaal nadeel kan leiden tot matiging van de boete, maar niet tot het niet opleggen ervan.
-
2214413
Een werknemer kan bezwaar maken tegen de inhouding van loonheffing op zijn loon bij de inspecteur van het ressort waar hij woont, volgens artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De inspecteur heeft landelijke competentie, zoals vastgelegd in artikel 3 van de AWR en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (URB 2003). Dit betekent dat een werknemer zijn bezwaar doorgaans indient bij het segment PDB, maar ook een (gemandateerd) inspecteur van een ander segment of kantoor kan beslissen op het bezwaar. De jurisprudentie bevestigt dat de landelijke bevoegdheid van inspecteurs niet beperkt wordt door de ressorteerbepalingen, die enkel aangeven bij welke inspecteur een belastingplichtige zich moet richten voor fiscale zaken.
-
2214414
Op 7 maart 2016 is een suppletie omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2014 ingediend, waarbij een bij te betalen bedrag aan omzetbelasting is vermeld. De belastingplichtige ontdekte de fout bij het opstellen van de aangifte vennootschapsbelasting, maar diende de suppletie pas maanden later in. Er is een vergrijpboete mogelijk op grond van artikel 10a AWR juncto artikel 15 UB OB, maar de beleidsmatige wenselijkheid hiervan ligt bij de staatssecretaris. Er zijn geen exacte termijnen voor het tijdig indienen van een suppletie, maar de omstandigheden van het geval zijn bepalend. Indien de suppletie wordt ingediend nadat de belastingplichtige weet of moet vermoeden dat de inspecteur op de hoogte is van de onjuistheid, is er geen sprake van vrijwillige verbetering. De regelgeving biedt geen specifieke termijnen, waardoor individuele omstandigheden van belang zijn bij de beoordeling van de tijdigheid van de suppletie.