Samenvatting
De syllabus behandelt de toepassing van artikel 15b Wet Vpb, dat een generieke renteaftrekbeperking regelt, inclusief casussen, vragen en administratieve verwerking met betrekking tot renteaftrekken.
Syllabus artikel 15b Wet Vpb (generieke renteaftrekbeperking)
Datum 1 oktober 2025
Voorwoord Dit document gaat in op de toepassing van artikel 15b Wet Vpb en bevat een verzameling van casussen en vragen die de CTC op basis van de specifieke feiten en omstandigheden van die betreffende casus heeft behandeld. De casussen en vragen zijn bewerkt en geanonimiseerd.
Dit document is bedoeld als leerdocument voor de collega’s die in aanraking komen met artikel 15b Wet Vpb. Deze versie geeft de laatste stand van zaken weer en betreft een actualisering van de versie van 28 mei 2024. De versie van 28 mei 2024 kan als ingetrokken worden beschouwd. Neem bij twijfel of een vraag en antwoord van toepassing is in een casus altijd contact op met de CTC.
In het Besluit Earningsstrippingmaatregel 2025 zijn verschillende standpunten opgenomen. Het besluit gaat voor op deze syllabus. Twijfel je over het antwoord in de syllabus ten opzichte van het besluit, neem dan contact op met de CTC.
Contactpersoon Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering (CTC)
Corporate Dienst Vaktechniek
1 Inleiding
Artikel 15b Wet Vpb is per 1 januari 2019 ingevoerd. Het artikel betreft kort gezegd een generieke renteaftrekbeperking op basis waarvan het saldo van de rentelasten en de rentebaten slechts aftrekbaar is tot ten hoogste 24,5% van de gecorrigeerde winst tenzij het saldo niet meer bedraagt dan een bedrag van € 1.000.000. Het percentage van 24,5% is per 1 januari 2025 van toepassing. Voor de jaren 2022 tot en met 2024 bedraagt dit percentage 20%. Voor de jaren 2019 tot en met 2021 bedroeg dit percentage 30%.
Artikel 15b Wet Vpb streeft een tweetal doelen na. Dat betreft enerzijds het doel om te voldoen aan de earningsstrippingmaatregel van ATAD 1 en het onderliggende doel om belastingontwijking te bestrijden, en anderzijds het doel om tot een meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen te komen. In dit verband is de earningsstrippingmaatregel in Nederland robuust geïmplementeerd. Robuust wil zeggen dat er geen gebruik is gemaakt van uitzonderingsmogelijkheden die ATAD 1 biedt.
Omdat er geen uitzonderingen zijn opgenomen konden bij de implementatie van de earningsstrippingmaatregel enkele specifieke bepalingen in de Wet Vpb worden afgeschaft. Het betreft artikel 13l Wet Vpb inzake bovenmatige deelnemingsrente, artikel 15ad Wet Vpb inzake excessieve renteaftrek met betrekking tot overnameholdings en artikel 20, vierde tot en met het zesde lid, Wet Vpb inzake de verliesverrekening van houdster- en financieringsmaatschappijen.
Artikel 15b Wet Vpb kent diverse samenhangende en flankerende maatregelen. In dit verband wordt gewezen op de artikelen 15aha Wet Vpb (voorvoegingsrenten fiscale eenheid), 15ahb Wet Vpb (ontvoegingsrenten fiscale eenheid), 15ba Wet Vpb (regeling ter voorkoming van handel in rentelichamen), 15bb Wet Vpb (vaststellingsbeschikking voortgewentelde rente) en 15bc Wet Vpb (verrekeningsbeschikking voortgewentelde renten). In dit document wordt slechts beperkt ingegaan op deze artikelen. Deze artikelen behoren overigens ook niet tot het werkterrein van de CTC, maar tot die van verschillende Kennisgroepen.
Het vervolg van deze syllabus bestaat uit de volgende hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt de werking van artikel 15b Wet Vpb uiteengezet. Dit hoofdstuk vormt het theoretisch kader en dient ter inhoudelijke inleiding. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de positie van artikel 15b Wet Vpb in de aangifte vennootschapsbelasting. In hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan diverse opgekomen vraagstukken.
Wet van 19 december 2018 tot wijziging van enige wetten in verband met enkele maatregelen voor het bedrijfsleven (Wet bedrijfsleven 2019), Stb. 2018, 505, Kamerstukken 35 028. Wet van 18 december 2024 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2025), Staatsblad 2024, 43, Kamerstuk 36 602. Wet van 22 december 2021 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2022), Staatsblad 2021, 651, Kamerstuk 35 927. Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 39.
2 De werking van artikel 15b Wet Vpb
2.1 Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de werking van artikel 15b Wet Vpb. In paragraaf 2.2 is de wettekst per 1 januari 2025 opgenomen van artikel 15b Wet Vpb en de daarbij relevante bepalingen. In paragraaf 2.3 en verder wordt ingegaan op de uitwerking van de artikelen.
2.2 Wettekst 2025
2.2.1 Artikel 15b Wet Vpb
1. Bij het bepalen van de in een jaar genoten winst komt het saldo aan renten niet in aftrek voor zover dat meer bedraagt dan het hoogste van de volgende bedragen: a. 24,5% van de gecorrigeerde winst; b. € 1.000.000.
2. Het saldo aan renten is het bedrag aan rentelasten ter zake van geldleningen verminderd met het bedrag aan rentebaten ter zake van geldleningen, welke rentelasten en rentebaten zonder toepassing van dit artikel en vóór toepassing van de artikelen 15be en 15bf in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst. Het saldo aan renten bedraagt ten minste nihil.
3. De gecorrigeerde winst, bedoeld in het eerste lid, is de winst zoals die zonder toepassing van het eerste lid wordt bepaald: a. vermeerderd met het bedrag van de afschrijvingen op een bedrijfsmiddel van het jaar zoals dat zonder toepassing van het zevende lid wordt bepaald; b. vermeerderd met het bedrag van de afwaarderingen tot lagere bedrijfswaarde van een bedrijfsmiddel van het jaar en verminderd met het bedrag van de terugnamen van afwaarderingen tot lagere bedrijfswaarde van een bedrijfsmiddel van het jaar; en c. vermeerderd met het saldo aan renten van het jaar, met uitzondering van het in dat saldo begrepen bedrag aan renten ter zake van geldleningen als bedoeld in het zesde lid, onderdeel d; waarbij de gecorrigeerde winst ten minste op nihil wordt gesteld.
4. Onder het saldo aan renten worden niet begrepen rentelasten ter zake van geldleningen en rentebaten ter zake van geldleningen voor zover die deel uitmaken van winst uit een andere staat als bedoeld in artikel 15e waarop de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten van toepassing is.
5. Voor zover in een jaar het saldo aan renten ingevolge het eerste lid niet in aftrek komt, wordt dat voortgewenteld naar het volgende jaar en komt dat in aftrek bij het bepalen van de winst van dat jaar, voor zover het saldo aan renten van dat jaar lager is dan het hoogste van de bedragen, bedoeld in het eerste lid. Het in aftrek brengen van saldi aan renten die ingevolge het eerste lid niet in aftrek zijn gekomen, geschiedt in de volgorde waarin die saldi zijn ontstaan. De inspecteur stelt het voort te wentelen saldo aan renten van een jaar vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
6. Voor de toepassing van dit artikel: a. wordt onder een geldlening verstaan: een vordering of schuld die voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst; b. worden onder rentelasten ter zake van geldleningen mede begrepen: kosten ter zake van geldleningen en ter zake van rechtshandelingen die strekken tot het afdekken van renterisico’s of valutarisico’s ter zake van geldleningen; c. worden onder rentelasten ter zake van geldleningen en rentebaten ter zake van geldleningen mede begrepen: valutaresultaten ter zake van geldleningen, alsmede resultaten ter zake van rechtshandelingen die strekken tot het afdekken van renterisico’s of valutarisico’s ter zake van geldleningen; d. worden onder rentelasten ter zake van geldleningen mede begrepen: renten ter zake van geldleningen die vóór toepassing van het zevende lid als voortbrengingskosten van een activum worden geactiveerd, waarbij buiten beschouwing blijft dat die renten niet als zodanig in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst; e. worden onder rentelasten ter zake van geldleningen mede begrepen: bedragen van dubbel in aanmerking genomen inkomen die op grond van artikel 12af, eerste lid, in aftrek komen bij het bepalen van de winst, voor zover deze bedragen door de toepassing van artikel 12af, tweede of derde lid, worden geacht te bestaan uit renteaftrek, onderscheidenlijk uit rentebaten.
7. Voor zover een bedrag aan renten als bedoeld in het zesde lid, onderdeel d, meer bedraagt dan het hoogste van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden die renten in afwijking van artikel 8 juncto artikel 3.25 en 3.29b van de Wet IB 2001, niet geactiveerd als voortbrengingskosten van het activum en komen die renten niet in aftrek bij het bepalen van de in een jaar genoten winst. Daarbij geldt dat indien het saldo aan renten in een jaar naast uit renten ter zake van geldleningen als bedoeld in het zesde lid, onderdeel d, bestaat uit overige rentelasten ter zake van geldleningen, die overige rentelasten in dat jaar bij voorrang niet in aftrek komen.
2.2.2 Artikel 15ba Wet Vpb
1. Indien aannemelijk is dat in vergelijking met het begin van het oudste jaar waarvan een saldo aan renten als bedoeld in artikel 15b nog niet volledig in aftrek is gekomen, het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd, worden de saldi aan renten die zijn ontstaan vóór het tijdstip waarop de wijziging heeft plaatsgevonden, in afwijking in zoverre van artikel 15b, vijfde lid, niet meer in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst na het tijdstip van de bedoelde wijziging. Het saldo aan renten dat in het jaar waarin de wijziging, bedoeld in de eerste zin, heeft plaatsgevonden, is ontstaan na het tijdstip waarop die wijziging heeft plaatsgevonden, wordt in dat jaar niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst genoten vóór het tijdstip van die wijziging. Voor de toepassing van de eerste en de tweede zin worden het saldo aan renten en de gecorrigeerde winst vóór en na het tijdstip van de wijziging, bedoeld in de eerste zin, in het jaar waarin de wijziging, bedoeld in de eerste zin, heeft plaatsgevonden afzonderlijk bepaald en wordt het bedrag, genoemd in artikel 15b, eerste lid, onderdeel b, in dat jaar naar tijdsgelang in aanmerking genomen.
2. Voor de toepassing van het eerste lid is artikel 20a, tweede tot en met achtste lid, tiende lid, onderdelen a, b en c, en elfde lid, van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van artikel 20a, vierde, zesde, zevende en elfde lid, voor verlies wordt gelezen: saldo aan renten.
2.2.3 Artikel 15bb Wet Vpb
1. De inspecteur stelt het bedrag van het voort te wentelen saldo aan renten, bedoeld in artikel 15b, vijfde lid, vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met de aanslag over het jaar waarin dat saldo is ontstaan. Het bedrag, bedoeld in de eerste zin, wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.
2. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het bedrag, bedoeld in het eerste lid, te hoog is vastgesteld, kan de inspecteur de beschikking, bedoeld in dat lid, herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, derde lid en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.
2.2.4 Artikel 15bc Wet Vpb
1. Het voortgewentelde saldo aan renten dat ingevolge artikel 15b, vijfde lid, in aftrek komt bij het bepalen van de winst van een jaar wordt door de inspecteur, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over dat jaar, vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
2. Het bedrag van het in aftrek gekomen voortgewentelde saldo aan renten wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.
3. Rechtsmiddelen tegen de beschikking, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van de artikelen 15b, vijfde lid, en 15ba.
2.2.5 Artikel 15aha Wet Vpb
1. Voor de toepassing van artikel 15b, vijfde lid, komen de voor het voegingstijdstip van een maatschappij ontstane saldi aan renten die zijn voortgewenteld naar het volgende jaar (voorvoegingsrenten) in aftrek bij het bepalen van de winst van de fiscale eenheid van een jaar voor zover:
a. bij de fiscale eenheid in dat jaar ruimte bestaat voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten; en
b. die maatschappij aannemelijk maakt dat er bij haar in dat jaar ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten zou bestaan, indien zij geen deel zou uitmaken van de fiscale eenheid.
2. Indien een bestaande fiscale eenheid wordt uitgebreid of indien een bestaande fiscale eenheid wordt opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid, komen voorvoegingsrenten van die bestaande fiscale eenheid in aftrek bij het bepalen van de winst van de fiscale eenheid van een jaar voor zover:
a. bij de fiscale eenheid in dat jaar ruimte bestaat voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten; en
b. de maatschappijen die direct voorafgaande aan dat voegingstijdstip tot de bestaande fiscale eenheid behoorden aannemelijk maken dat er in dat jaar ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten zou bestaan, indien zij geen deel zouden uitmaken van de fiscale eenheid.
3. Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing voor zover de ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten ontstaat door rechtshandelingen die in overwegende mate zijn gericht op het verruimen van de mogelijkheid om voorvoegingsrenten in aftrek te brengen. Rechtshandelingen worden geacht in overwegende mate te zijn gericht op het verruimen van de mogelijkheid om voorvoegingsrenten in aftrek te brengen indien de rechtshandeling niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen.
4. Met betrekking tot het in aftrek brengen van voorvoegingsrenten, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt in artikel 15ba voor de belastingplichtige gelezen: de maatschappij, onderscheidenlijk de bestaande fiscale eenheid die wordt uitgebreid, of de bestaande fiscale eenheid die wordt opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid.
5. Voor de toepassing van artikel 15ba, tweede lid, worden de werkzaamheden die na het begin van het oudste jaar, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, binnen een fiscale eenheid van de ene maatschappij zijn overgedragen aan een andere maatschappij, gedurende het bestaan van de fiscale eenheid tussen die maatschappijen nog in aanmerking genomen b ij de overdragende maatschappij.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten verstaan: het bedrag waarmee het hoogste van de bedragen, bedoeld in artikel 15b, eerste lid, het saldo aan renten van het jaar overschrijdt.
2.2.6 Artikel 15ahb Wet Vpb
1. Vanaf het ontvoegingstijdstip van een dochtermaatschappij worden voor de toepassing van artikel 15b, vijfde lid, de volgende voortgewentelde saldi aan renten (ontvoegingsrenten) in aanmerking genomen bij het bepalen van de door die dochtermaatschappij na dat tijdstip genoten winst:
a. de voorvoegingsrenten van die maatschappij; en
b. b.de voortgewentelde saldi aan renten van de fiscale eenheid voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat die saldi bij die maatschappij zouden zijn ontstaan, indien zij geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid, waarbij geen rekening wordt gehouden met het bedrag, genoemd in artikel 15b, eerste lid, onderdeel b.
2. Het eerste lid, onderdeel b, vindt slechts toepassing indien de maatschappij, bedoeld in dat onderdeel, en de moedermaatschappij daarom verzoeken.
3. In afwijking van het eerste lid worden ontvoegingsrenten niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst van de ontvoegde dochtermaatschappij voor zover de ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten ontstaat door rechtshandelingen die in overwegende mate zijn gericht op
het verruimen van de mogelijkheid om ontvoegingsrenten in aftrek te brengen. Rechtshandelingen worden geacht in overwegende mate te zijn gericht op het verruimen van de mogelijkheid om ontvoegingsrenten in aftrek te brengen, indien de rechtshandeling niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen.
4. Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan bij de aangifte van de moedermaatschappij over het laatste jaar waarin de dochtermaatschappij nog deel uitmaakt van de fiscale eenheid. De inspecteur stelt de aan de dochtermaatschappij toe te rekenen voortgewentelde saldi aan renten van de fiscale eenheid vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 15bb, tweede lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing. De voortgewentelde saldi aan renten, bedoeld in de tweede zin, verminderen de voortgewentelde saldi aan renten van de fiscale eenheid en de inspecteur herziet de beschikking, bedoeld in artikel 15b, vijfde lid, dienovereenkomstig.
5. Vanaf het ontvoegingstijdstip, bedoeld in het eerste lid, worden voortgewentelde saldi aan renten die ingevolge artikel 15b, vijfde lid, in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de winst van de ontvoegde dochtermaatschappij, niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst van de fiscale eenheid, onderscheidenlijk de moedermaatschappij.
6. Ten aanzien van een ontvoegde dochtermaatschappij die bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, voortgewentelde saldi aan renten van de fiscale eenheid in aanmerking mag nemen, wordt in artikel 15ba voor de belastingplichtige gelezen: de maatschappij.
2.3 Werking van artikel 15b Wet Vpb
2.3.1 Hoofdregel (op basis van de wettekst 2025)
Op grond van het eerste lid van artikel 15b Wet Vpb komt bij het bepalen van de in een jaar genoten winst het saldo aan renten niet in aftrek voor zover dat meer bedraagt dan het hoogste van de volgende bedragen: a. 24,5% van de gecorrigeerde winst of b. € 1.000.000.
In dit verband wordt ook wel gesproken over de ‘drempel’ van artikel 15b Wet Vpb. In dit document wordt het begrip ‘aftrekruimte’ gehanteerd. De kernbegrippen binnen artikel 15b Wet Vpb betreffen het saldo aan renten en de gecorrigeerde winst. Artikel 15b Wet Vpb is een generieke renteaftrekbeperking en werkt in feite met een rekenregel. Deze rekenregel bestaat uit verschillende stappen, die in het eerste tot en met het derde lid worden beschreven. De rekenregel bestaat kort gezegd uit vier stappen:
In 2019 tot en met 2021: 30% van de gecorrigeerde winst. In 2022 tot en met 2024: 20% van de gecorrigeerde winst.
Eventuele niet aftrekbare rente wordt op grond van het vijfde lid van artikel 15b Wet Vpb onbeperkt voortgewenteld naar de toekomst. Voor zover in een later jaar de aftrekruimte groter is dan het saldo aan renten, wordt de in het verleden in aftrek beperkte rente alsnog in aftrek gebracht.
Hierna wordt nader ingegaan op de hiervoor genoemde kernbegrippen.
2.3.2 Saldo aan renten
2.3.2.1 Wettelijk kader
Het saldo aan renten is blijkens het tweede lid van artikel 15b Wet Vpb het bedrag aan rentelasten ter zake van geldleningen verminderd met het bedrag aan rentebaten ter zake van geldleningen. Artikel 15b Wet Vpb kent een eigen toetsingskader om te bepalen of er sprake is van een rentelast of rentebate. Deze rentelasten en rentebaten tellen alleen mee voor zover ze zonder toepassing van dit artikel en vóór toepassing van de minimumkapitaalregeling banken en verzekeraars (afdeling 2.9b Wet Vpb) in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst. Het tweede lid vermeldt ook dat het saldo aan renten ten minste nihil bedraagt. Op deze wijze wordt duidelijk gemaakt dat de rekenregel van artikel 15b Wet Vpb niet tot gevolg heeft dat een eventueel negatief saldo aan renten (de rentebaten zijn groter dan de rentelasten) zou zijn vrijgesteld.
Het tweede lid spreekt over rentelasten en -baten ter zake van geldleningen. Het begrip geldlening wordt separaat gedefinieerd en wordt verderop behandeld. Van belang is om te benadrukken dat artikel 15b Wet Vpb een generieke maatregel betreft en aldus van toepassing is op rentelasten en -baten op zowel groepsleningen als geldleningen die zijn verstrekt door derden. In tegenstelling tot bijvoorbeeld artikel 10a Wet Vpb zijn de redenen voor het aangaan van de geldlening en de aanwending van de met de geldlening verkregen middelen niet relevant voor de Stap 1: Bepaal het saldo aan de renten: rentelasten minus rentebaten, maar tenminste nihil.
Stap 2: Bepaal de gecorrigeerde winst, maar ten minste nihil:
winst voor minimumkapitaalregel en giftenaftrek + saldo aan renten, met uitzondering van de geactiveerde rente + afschrijvingen + afwaarderingen van bedrijfsmiddelen -/- de terugname van afwaarderingen van bedrijfsmiddelen —————— gecorrigeerde winst
Stap 3: Bepaal de aftrekruimte, dit is de hoogste van: – 24,5 % van de gecorrigeerde winst – € 1.000.0000
Stap 4: De niet aftrekbare rente bedraagt het saldo aan renten verminderd met de aftrekruimte, maar is ten minste nihil. Immers als het saldo aan renten kleiner is dan de aftrekruimte is er geen in aftrek te beperken rente.
toepassing van artikel 15b Wet Vpb. Wel is vereist dat de rentelasten en rentebaten in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de winst. Hiermee wordt de samenloop met andere wettelijke bepalingen geregeld. Dit betekent namelijk dat renten die bijvoorbeeld op grond van artikel 8b, artikel 10, eerste lid, onderdeel d, artikel 10a of artikel 10b van de Wet Vpb niet (meer) in de winst zitte n (c.q. reeds niet in aftrek zijn gekomen op grond van andere renteaftrekbeperkingen) niet als renten voor 15b Wet Vpb worden aangemerkt. Ten aanzien van de objectvrijstelling is expliciet geregeld in het vierde lid van artikel 15b Wet Vpb dat onder het saldo aan renten niet worden begrepen renten die op grond van artikel 15e Wet Vpb zijn vrijgesteld. Dit zijn rentebaten en rentelasten die in het vrijgestelde v.i.-inkomen zijn begrepen.
In het zesde lid van artikel 15b Wet Vpb zijn enkele aanvullende wettelijke ficties opgenomen. Zo bepaalt onderdeel b dat onder rentelasten mede worden begrepen de kosten ter zake van geldleningen en ter zake van rechtshandelingen die strekken tot het afdekken van renterisico’s of valutarisico’s ter zake van geldleningen. In de memorie van toelichting is opgemerkt dat in dit verband gedacht moet worden aan afsluitkosten, advieskosten, kosten van bemiddeling, kosten ter zake van het opstellen van een overeenkomst van geldlening, registratiekosten, afsluitprovisies, garantieprovisies en boeterente.
Onderdeel c bepaalt in vergelijkbare zin dat onder rentelasten en rentebaten mede worden begrepen de valutaresultaten ter zake van geldleningen, alsmede de resultaten ter zake van rechtshandelingen die strekken tot het afdekken van renterisico’s of valutarisico’s ter zake van geldleningen.
In onderdeel d is een bijzondere regeling opgenomen voor rente die geactiveerd is als voortbrengingskosten van een activum. Onder rentelasten ter zake van geldleningen worden mede begrepen renten ter zake van geldleningen die voor toepassing van het zevende lid als voortbrengingskosten van een activum worden geactiveerd. Hierbij blijft buiten beschouwing dat deze renten niet in aanmerking zijn genomen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst. Dit vormt derhalve een uitzondering op de hoofdregel dat de rente in aanmerking genomen moet worden bij het bepalen van de winst. De achtergrond hiervan is het voorkomen dat rentelasten door middel van activering als activum niet onder de reikwijdte van de aftrekbeperking zouden vallen, maar wel door afschrijving ten laste van de winst gebracht zouden kunnen worden. Hoewel gesproken wordt over de renten ter zake van geldleningen, is in de parlementaire geschiedenis bevestigd dat ook (geactiveerde) kosten ter zake van geldleningen onder de bepaling van geactiveerde rente vallen.
Onderdeel e is per 1 januari 2021 toegevoegd aan het zesde lid en bevat een regeling die bepaalt dat onder rentelasten mede worden begrepen bedragen van dubbel in aanmerking genomen inkomen die op grond van artikel 12af, eerste lid, Wet Vpb in aftrek komen bij het bepalen van de winst, voor zover deze bedragen door de toepassing van artikel 12af, tweede of derde lid, Wet Vpb worden geacht te bestaan uit rentelasten, onderscheidenlijk rentebaten. Het gaat derhalve om situaties waarin in eerste instantie een rentebedrag in aftrek is beperkt op grond van de hybride mismatch maatregelen, maar waar dit rentebedrag op een later tijdstip alsnog in aftrek gebracht kan worden omdat sprake is van dubbel in aanmerking genomen inkomen. Uiteraard geldt hier eerst de toerekeningsregeling van artikel 12af Wet Vpb.
Nota naar aanleiding van het Verslag, Kamerstukken II 2018/19, 35030, nr. 7. Overige Fiscale Maatregelen 2021 (Stb. 2020, 542).
Een voorbeeld inzake de toerekeningsregeling van artikel 12af Wet Vpb is te vinden in de parlementaire geschiedenis.
2.3.2.2 Rentebegrip
Het begrip ‘rente’ is als zodanig niet expliciet gedefinieerd in artikel 15b Wet Vpb. In de parlementaire geschiedenis heeft de wetgever echter aangegeven dat conform de ATAD 1 richtlijn aan de begrippen “financieringskosten”, “rentelasten” en “rentebaten” een economische uitleg gegeven moet worden. Hierbij is aangegeven dat rente in feite de vergoeding is voor het ter beschikking stellen van geld.
2.3.3 Overeenkomst van geldlening of daarmee vergelijkbare overeenkomst
Het zesde lid, onderdeel a, definieert het begrip geldlening als een vordering of schuld die voortvloeit uit de overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst. Het eerste lid van artikel 7:129 van het Burgerlijk Wetboek definieert de overeenkomst van geldlening als een kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen. In de parlementaire geschiedenis is ten aanzien van het begrip geldlening het volgende opgemerkt:
Volgens de wetgever kunnen financial lease en huurkoop als vergelijkbaar met een overeenkomst van geldlening worden beschouwd. In welke gevallen sprake is van een met een geldlening vergelijkbare overeenkomst is een rechtsvraag die op basis van de feiten en omstandigheden beantwoord dient te worden. Neem daarom bij twijfel contact op met de CTC. In hoofdstuk 4 wordt nader aandacht besteed aan de vraag of er sprake is van een met een geldlening vergelijkbare overeenkomst in de zin van artikel 15b Wet Vpb.
Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat de fiscale kwalificatie van de geldlening leidend is. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor het antwoord op de vraag of een geldverstrekking fiscaal al dan niet als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, als regel dat de civielrechtelijke vorm van die geldverstrekking beslissend is. Indien de geldverstrekking naar civielrechtelijke
Tweede Kamer, vergaderjaar 2020 –2021, 35 573, nr. 3 Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 39. Kamerstukken II 2018/19, 35030, nr. 3, p. 39. HR 27 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3744, BNB 1988/217, HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:2, BNB 2018/60, HR 15 mei 2020 ECLI:NL:HR:2020:874, BNB 2020/117 en HR 17 mei 2024. ECLI:NL:HR:2024:706. Een geldlening betreft volgens deze definitie een vordering of schuld die voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst. Dat begrip beperkt zich daarmee niet tot geldleningen in civielrechtelijke zin, zoals bankkredieten en obligatieleningen, maar omvat tevens overeenkomsten die vergelijkbaar zijn met een overeenkomst van geldlening. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan financial lease en aan huurkoop. Onder meer reserves en voorzieningen vallen daarentegen niet onder een met een geldlening vergelijkbare overeenkomst. Voor de toepassing van genoemd artikel 15b is de fiscale kwalificatie van de geldverstrekking leidend. Een civielrechtelijke geldlening die fiscaalrechtelijk als eigen vermogen wordt aangemerkt, betreft derhalve geen geldlening voor de toepassing van dat artikel.
maatstaven niet als verstrekking van aandelenkapitaal is aan te merken, heeft voor de fiscale kwalificatie van die geldverstrekking als uitgangspunt te gelden dat bepalend is of er een verplichting tot terugbetaling bestaat, waarbij irrelevant is of deze terugbetaling onzeker of voorwaardelijk is dan wel dat de geldverstrekker in geval van faillissement of ontbinding en vereffening van het vermogen van de geldnemer in gelijke rang deelt met de houders van preferente aandelen in de geldnemer. De vraag of een geldverstrekking fiscaal heeft te gelden als het verstrekken van eigen vermogen of vreemd vermogen behoort tot het werkveld van de Kennisgroep Bijzondere Winstbepalingen VPB.
2.3.4 Gecorrigeerde winst
Het begrip gecorrigeerde winst wordt in het derde lid van artikel 15b Wet Vpb gedefinieerd. Voor het bepalen van de gecorrigeerde winst wordt uitgegaan van de winst, zoals die zonder toepassing van artikel 15b, eerste lid, Wet Vpb wordt bepaald.
Het uitgangspunt is dus de winst voor toepassen van de minimumkapitaalregel en de giftenaftrek. Bij het bepalen van de winst voor toepassen van de minimumkapitaalregel en de giftenaftrek zijn alle andere winstbepalingsregelingen, zowel grondslagverbredend als grondslagversmallend, zoals de niet aftrekbare kosten, de renteaftrekbeperkingen van de artikelen 10a en 10b Wet Vpb, correcties als gevolg van de toepassing van de hybride mismatchmaatrege len, de deelnemingsvrijstelling, de toepassing van de artikelen 13b en 13ba Wet Vpb, een liquidatieverlies, de objectvrijstelling, de investeringsaftrek, de innovatiebox, maar ook de wijzigingen in de toelaatbare fiscale reserves zoals de herinvesteringsreserve, reeds meegenomen.
De gecorrigeerde winst wordt vervolgens als volgt berekend:
De gedachte achter het bepalen van de aftrekruimte aan de hand van de gecorrigeerde winst is dat daardoor de toegestane renteaftrek afhankelijk is van de belastbare economische activiteiten van de belastingplichtige.
Kamerstukken II 2018/19, 35030, 3 De winst voor toepassen van de minimumkapitaalregel en de giftenaftrek wordt:
A.vermeerderd met bedrag van de afschrijvingen op een bedrijfsmiddel van het jaar zoals dat zonder toepassing van het zevende lid wordt bepaald;
B.vermeerderd met het bedrag van de afwaarderingen tot lagere bedrijfswaarde van een bedrijfsmiddel van het jaar en verminderd met bedrag van de terugnamen van afwaarderingen tot lagere bedrijfswaarde van een bedrijfsmiddel van het jaar, en
C.vermeerderd met het saldo aan renten van het jaar, met uitzondering van het in dat saldo begrepen bedrag aan renten ter zake van geldleningen als bedoeld in het zesde lid, onderdeel d (geactiveerde rente);
om tot de gecorrigeerde winst te komen ( waarbij de gecorrigeerde winst ten minste op nihil wordt gesteld).
2.3.4.1 Ad A. afschrijvingen op bedrijfsmiddelen
Allereerst is het begrip bedrijfsmiddel van belang. In artikel 3.30 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) worden de bedrijfsmiddelen omschreven als goederen die voor het drijven van een onderneming worden gebruikt. Of een vermogensbestandsdeel een bedrijfsmiddel vormt is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het specifieke geval. (Rechts)vragen over wat een bedrijfsmiddel is kunnen worden gesteld aan de Kennisgroep Winstbepaling.
2.3.4.2 Ad B. afwaarderingen tot lagere bedrijfswaarde
De waardering van bedrijfsmiddelen geschiedt op basis van goedkoopmansgebruik. Als waarderingsregel is door de Hoge Raad de zogenoemde minimumwaarderingsregel aanvaard. Deze regel bepaalt dat het bedrijfsmiddel wordt gewaardeerd tegen de kostprijs verminderd met de afschrijvingen, tenzij de bedrijfswaarde van het bedrijfsmiddel lager is. De bedrijfswaarde is vervolgens de hoogste van de directe en indirecte opbrengstwaarde. De directe opbrengstwaarde is de waarde van het bedrijfsmiddel bij verkoop aan een derde partij onder normale marktomstandigheden. Onder de indirecte opbrengstwaarde wordt verstaan de waarde, welke een verkrijger, bij overneming van de gehele onderneming, zou toekennen aan het afzonderlijke activum, indien hij zou uitgaan van de overnemingswaarde van het geheel en voornemens zou zijn de uitoefening van de onderneming voort te zetten.
Eventuele terugneming van een eerdere afwaardering naar lagere bedrijfswaarde verlaagt de gecorrigeerde winst. Die eerdere afwaardering heeft namelijk al tot een hogere gecorrigeerde winst geleid en daardoor tot een grotere aftrekruimte. (Rechts)vragen over het leerstuk van afwaarderingen naar lagere bedrijfswaarde kunnen worden gesteld aan de Kennisgroep Winstbepaling.
2.3.4.3 Ad C. vermeerderd met het saldo aan renten
Tot slot wordt het berekende saldo aan renten bijgeteld om tot de gecorrigeerde winst te komen. Hierbij is van belang dat de geactiveerde rente, die op grond van artikel 15b, zesde lid, onderdeel d, Wet Vpb wel tot het saldo aan renten behoort, bij wijze van uitzondering niet wordt bijgeteld bij het bepalen van de gecorrigeerde winst. De reden hiervoor is dat de geactiveerde rente pas bij afschrijving ten laste van de winst wordt gebracht. Indien de geactiveerde renten volledig meegenomen zouden worden, zou dat leiden tot een te hoge gecorrigeerde winst en een te hoge aftrekruimte.
2.3.5 Aftrekruimte (drempel)
In de literatuur en parlementaire geschiedenis wordt gesproken over het begrip ‘drempel’. In feite wordt daarmee de aftrekruimte voor artikel 15b bedoeld. De aftrekruimte (drempel) is de hoogste van 24,5% (per 1 januari 2025) van de gecorrigeerde winst of een bedrag van € 1.000.000.
Er is dus geen sprake van een franchise waarbij de eerste € 1.000.000 altijd aftrekbaar is. De achtergrond van de aftrekruimte van ten minste € 1.000.000 is om tegemoet te komen aan de administratieve en nalevingslasten van de bepaling. In
HR 15 februari 1956, nr. 12 649, BNB 1956/102.
de parlementaire geschiedenis is de werking van de aftrekruimte (op basis van de wettekst 2019) als volgt toegelicht.
Artikel 15b Wet Vpb wordt toegepast per belastingplichtige. Een fiscale eenheid is voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb één belastingplichtige. Voor zover het saldo aan renten hoger is dan de aftrekruimte, is het saldo aan renten niet aftrekbaar.
2.3.6 Toerekenen in aftrek beperkte rente aan te activeren rente
In het zevende lid van artikel 15b Wet Vpb is een bijzondere bepaling opgenomen voor de situatie waarin het saldo aan renten bestaat uit ‘gewone’ rente en uit geactiveerde rente. Voor zover het saldo aan renten zowel gewone renten als geactiveerde renten bevat, worden de gewone renten als eerste in aftrek beperkt en daarna pas de geactiveerde renten.
Voor zover een bedrag aan renten als bedoeld in het zesde lid, onderdeel d, meer bedraagt dan het hoogste van de bedragen in het eerste lid (de aftrekruimte), worden die renten in afwijking van artikel 8 Wet Vpb jo. artikel 3.25 en 3.29b Wet IB, niet geactiveerd als voortbrengingskosten van het activum. Dit betekent dat er een lagere (of geen) activering plaatsvindt van het activum. Met als gevolg een lagere (of geen) afschrijving van het activum. De niet geactiveerde voortbrengingskosten die niet in aftrek komen worden vervolgens aangemerkt als voort te wentelen rente.
2.3.7 Voortwenteling
Voor zover in een jaar het saldo aan renten ingevolge het eerste lid niet in aftrek komt, wordt dat saldo aan renten op grond van het vijfde lid van artikel 15b Wet Vpb onbeperkt in de tijd voortgewenteld. Het saldo aan renten komt in het volgende jaar in aftrek bij het bepalen van de winst van dat jaar, voor zover het saldo aan renten van dat jaar lager is dan de hoogste van de bedragen, bedoeld in het eerste lid (de aftrekruimte). Het in aftrek brengen van saldi aan renten die ingevolge het eerste lid niet in aftrek zijn gekomen, geschiedt in de volgorde waarin die saldi zijn ontstaan. In de parlementaire geschiedenis is (op basis van de wettekst 2019) hierbij het volgende voorbeeld gegeven.
Kamerstukken II 2018/19, 35030, 3. Voor 1 januari 2022 bedroeg de aftrekruimte 30% van de gecorrigeerde winst of een bedrag van € 1.000.000. In de jaren 2022 tot en met 2024 bedroeg de aftrekruimte 20% van de gecorrigeerde winst of een bedrag van € 1.000.000. Bij een saldo aan renten van € 0,7 miljoen en een maximale aftrekcapaciteit (30% van de EBITDA) van € 0,5 miljoen is bij een drempel van € 1 miljoen het totale saldo aan renten van € 0,7 miljoen aftrekbaar.
Bij een saldo aan renten van € 1,7 miljoen en een maximale aftrekcapaciteit (30% van de EBITDA) van € 0,5 miljoen is bij een drempel van € 1 miljoen € 0,7 miljoen in het betreffende jaar van aftrek uitgesloten.
Bij een saldo aan renten van € 1,7 miljoen en een maximale aftrekcapaciteit (30% van de EBITDA) van € 1,5 miljoen, is € 0,2 miljoen in het betreffende jaar van aftrek uitgesloten. Aangezien de drempel van € 1 miljoen lager is dan de aftrekcapaciteit van 30% van de EBITDA is de drempel van € 1 miljoen in dit geval niet relevant.
2.3.8 Overgangsrecht artikel 15ad Wet Vpb (artikel 34h Wet Vpb)
Tot slot wijzen wij op artikel 34h Wet Vpb. Deze bepaling bevat overgangsrecht ten aanzien van de per 1 januari 2019 afgeschafte temporiserende renteaftrekbeperking voor excessief gefinancierde overnameholdings (artikel 15ad Wet Vpb). Kort gezegd bepaalt artikel 34h Wet Vpb dat de op grond van artikel 15ad Wet Vpb in aftrek beperkte rente die per 1 januari 2019 nog niet in aftrek is gebracht, wordt geconverteerd in een voortgewenteld saldo van renten als bedoeld in het vijfde lid van artikel 15b Wet Vpb. Gegevens jaar 1 (in miljoenen euro’s) Gecorrigeerde winst: 100 Saldo aan renten: 50
De belastingplichtige heeft in jaar 1 een saldo aan renten van € 50 miljoen. Op grond van het eerste lid van het voorgestelde artikel 15b Wet Vpb 1969 kan het hoogste van 30% van de gecorrigeerde winst (in het voorbeeld € 30 miljoen) en € 1 miljoen in aftrek worden gebracht. Van het totale saldo aan renten van € 50 miljoen wordt derhalve € 20 miljoen in het betreffende jaar van aftrek uitgesloten. Deze € 20 miljoen kan door de belastingplichtige in het volgende jaar in aftrek worden gebracht, voor zover daarvoor ruimte bestaat.
Gegevens jaar 2 (in miljoenen euro’s)
Gecorrigeerde winst: 200 Saldo aan renten: 100
In jaar 2 kan de belastingplichtige van het saldo aan renten van € 100 miljoen van het betreffende jaar, op grond van het eerste lid van genoemd artikel 15b, maximaal € 60 miljoen ten laste van de winst van het betreffende jaar brengen (namelijk 30% van de gecorrigeerde winst van € 200 miljoen). Het niet-aftrekbare saldo aan renten van € 40 miljoen van jaar 2 kan door de belastingplichtige in aftrek worden gebracht in een volgend jaar. Aan het einde van jaar 2 bedragen de niet- aftrekbare saldi aan renten € 20 miljoen uit jaar 1 en € 40 miljoen uit jaar 2.
Gegevens jaar 3 (in miljoenen euro’s) Gecorrigeerde winst: 250 Saldo aan renten: 50
In jaar 3 kan de belastingplichtige het saldo aan renten van € 50 miljoen van het betreffende jaar volledig in aftrek brengen op grond van het eerste lid van genoemd artikel 15b, omdat 30% van de gecorrigeerde winst € 75 miljoen bedraagt.
Daarnaast resteert € 25 miljoen aan ruimte voor het in aftrek brengen van de niet-aftrekbare saldi aan renten uit de jaren 1 en 2. Het niet- aftrekbare saldo aan renten uit het oudste jaar, in het voorbeeld € 20 miljoen uit jaar 1, wordt eerst in aftrek gebracht. Vervolgens wordt € 5 miljoen van het niet- aftrekbare saldo aan renten uit jaar 2 in aftrek gebracht. Aan het einde van jaar 3 resteert een niet- aftrekbaar saldo aan renten uit jaar 2 van € 35 miljoen (namelijk € 20 miljoen + 40 miljoen -/-€ 25 miljoen= € 35 miljoen).
2.4 Flankerende maatregelen
2.4.1 Artikel 15ba Wet Vpb (handel in rentelichamen)
In artikel 15ba Wet Vpb is een antimisbruikbepaling opgenomen om de handel in rentelichamen tegen te gaan. Deze regeling is in grote lijnen vergelijkbaar met de antimisbruikbepaling om de handel in verlieslichamen tegen te gaan (artikel 20a Wet Vpb). De maatregel is per 1 januari 2020 ingevoerd. De beoordeling van artikel 15ba Wet Vpb vindt plaats in het jaar van de belangwijziging. Als sprake is van een kwalificerende belangwijziging, vindt de beoordeling ook plaats in het jaar waarin voortgewentelde rente in aanmerking wordt genomen. Rechtsvragen en helpdeskvragen over artikel 15ba Wet Vpb behoren tot het werkveld van de Kennisgroep Bijzondere Winstbepalingen Vpb. Neem overigens gerust contact op met de CTC voor ondersteuning bij het bestrijden van mogelijke constructies gericht op het in aftrek brengen van voortgewentelde rente.
2.4.2 Artikel 15bb Wet Vpb en 15bc Wet Vpb (beschikking bij voortwenteling)
Het bedrag van het voort te wentelen saldo aan renten wordt op grond van artikel 15bb Wet Vpb bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. Op grond van artikel 15bc Wet Vpb wordt het voortgewentelde saldo aan renten dat in een jaar in aftrek komt eveneens bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. Beide beschikkingsbedragen worden afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. Mocht het eerstgenoemde bedrag te hoog zijn vastgesteld dan kan de inspecteur die beschikking herzien, waarbij de regels omtrent navordering (nieuw feit, te kwader trouw etc.) van overeenkomstige toepassing zijn.
In artikel 15bc Wet Vpb is expliciet bepaald dat een bezwaar alleen kan zien op de toepassing van het vijfde lid van artikel 15b Wet Vpb dan wel op artikel 15ba Wet Vpb, derhalve op het vast te stellen voort te wentelen saldo aan renten dan wel op het niet langer verrekenbaar zijn van de voortgewentelde rente als gevolg van de toepassing van artikel 15ba Wet Vpb. Rechtsvragen en helpdeskvragen over de toepassing van artikel 15bb Wet Vpb en 15bc Wet Vpb behoren tot het werkveld van de Kennisgroep Bijzondere Winstbepalingen Vpb.
2.4.3 Artikel 15aha Wet Vpb en 15ahb Wet Vpb
De artikelen 15aha Wet Vpb en 15ahb Wet Vpb bevatten bepalingen omtrent de voortwenteling van een saldo aan renten bij voeging in respectievelijk ontvoeging uit een fiscale eenheid. De artikelen zijn inhoudelijk vergelijkbaar met de artikelen 15ae Wet Vpb en 15af Wet Vpb, de reeds bestaande bepalingen omtrent de verrekening van verliezen bij voeging in en ontvoeging uit een fiscale eenheid. De kerngedachte is dat het al dan niet aanwezig zijn van een fiscale eenheid niet moet kunnen leiden tot een verruiming van de aftrekbaarheid van het saldo aan renten.
Artikel 15aha Wet Vpb heeft betrekking op de aftrek van voorvoegingsrente door een fiscale eenheid als sprake is van een voortgewenteld saldo aan renten bij een maatschappij ten tijde van de voeging in een fiscale eenheid. Artikel 15ahb Wet Vpb heeft betrekking op het meegeven van een voortgewenteld saldo aan renten ingeval van ontvoeging van een dochtermaatschappij uit een fiscale eenheid, waarbij op het niveau van de fiscale eenheid aanspraak bestaat op voortgewentelde saldi aan renten.
Rechtsvragen en helpdeskvragen over de toepassing van artikel 15aha Wet Vpb en 15ahb Wet Vpb en de daarop berustende bepalingen in het Besluit fiscale eenheid 2003 behoren tot het werkveld van de Kennisgroep Reorganisatiefaciliteiten en Fiscale eenheden.
3 Artikel 15b Wet Vpb in de aangifte en verdere administratieve
verwerking
3.1 Artikel 15b Wet Vpb in de aangifte
In de aangifte is in een aparte rekenmodule de mogelijkheid opgenomen om het saldo aan renten te bepalen. Deze rekenmodule ontleent zijn gegevens gedeeltelijk aan de aangifte zelf.
Omdat niet elk bedrag in de aangifte kosten respectievelijk opbrengsten van schulden zijn voor de toepassing van artikel 15b, kan belastingplichtige deze handmatig corrigeren in rubriek 1e en/of 1l.
Ook de geactiveerde rente (15b lid 6) wordt apart vermeld (rubriek 1n).
Verder moet rente die op grond van een andere regeling niet tot aftrek komt buiten het saldo renten worden gehouden. Hiervoor is rubriek 1o (10a rente) en rubriek 1p (10b rente).
Alleen in de aangifte 2019 zijn tevens twee rubrieken (1q en 1r) opgenomen om de oude artikel 15ad Wet Vpb renten mee te kunnen nemen (overgangsrecht) .
Generieke renteaftrekbeperking specificatie in de aangifte Vpb 2019 Naam: RSIN/Fiscaal nummer : 1Bepalen Saldo Rente Participeert u in een publiek-private samenwerking 5148 Gegevens ontleent uit de jaarrekening, winst- en verliesrekening, volgnr 1 1aKosten van schulden aan groepsmaatschappijen 4009+ 1bKosten van schulden aan participanten en maatschappijen waarin wordt deelgenomen 4010+ 1cKosten van schulden, andere rentelasten en soortgelijk e k osten 1953+ 1dSom van de kosten van schulden volgens winst- en verliesrekening (1a+1b+1c) 5149 1eC 5150-/- 1fSom van de rente(kosten) van schulden (1d -/- 1e)5151* Gegevens ontleent uit de jaarrekening, winst- en verliesrekening, volgnr 1 1gOpbrengsten van vorderingen op groepsmaatschappijen 4004+ 1hOpbrengsten van vorderingen op participanten en maatschappijen waarin wordt deelgenomen 4005+ 1iOpbrengsten van overige vorderingen 1933+ 1jOpbrengsten van banktegoeden 1928+ 1kSom van de opbrengsten van vorderingen volgens winst- en verliesrekening 5152 1lCorrectie op de opbrengsten van schulden (geen rente ihkv ES maatregel) 5153-/- 1mSom van de renteopbrengsten van vorderingen (1k -/- 1l)5154-/- 1nGeactiveerde rente 15b lid 6 onderdeel d 5155+/+ 1oRente als bedoeld in artikel 10a Vpb (zie fiscale winstberekening)848 -/- 1pVergoedingen en waardemutaties als bedoeld in artikel 10b Vpb (zie fiscale winstberekening)3356-/- 1qRente overnameschulden(2012-2018) 4304+/+ 1rAftrekbare, voorheen getemporiseerde, rente (Wet werken aan winst artikel VIIIc)< 2007 3358+/+ 1sSaldo aan renten 5156 maximum van : 0 of Som van 1f min 1m plus 1n min 1o min 1p plus 1q plus 1r
Vervolgens wordt de gecorrigeerde winst berekend.
Ook hier worden de meeste gegevens direct uit de aangifte gehaald, echter ook hier zijn correcties mogelijk die niet direct uit de aangifte zijn te halen.
Ten slotte wordt niet aftrekbare rente berekend. Vervolgens is in de aangifte vennootschapsbelasting in de vermogensvergelijking bij de Generieke renteaftrekbeperking (onderdeel 15) de niet aftrekbare rente van artikel 15b Wet Vpb (15a) respectievelijk de voortgewentelde rente (15b) te vinden.
15Generieke renteaftrekbeperking 15aNiet aftrekbare rente 5111+ 15bAftrek rente voorgaande jaar (voortwenteling van niet-aftrekbare rente) 5112 – 2Bepalen gecorrigeerde winst 15b (fiscale EBITDA)/ Bepalen grondslag earning stripping 2aWinst als uitgangspunt vóór toepassing renteaftrekbeperking (winst voor toepassing giftenaftrek)5157+ Correcties om te komen tot de gecorrigeerde winst: Afschrijvingen Gegevens ontleent uit de jaarrekening, winst- en verliesrekening, volgnr 1 17aGoodwill, afschrijvingen 520479-DB 17bOverige immateriële vaste activa, afschrijvingen 520480-DB 17cGebouwen en terreinen, afschrijvingen 520481-DB 17dMachines en installaties, afschrijvingen 119562-DB 17eAndere vaste bedrijfsmiddelen, afschrijving 520482-DB 2fSom van de afschrijvingen (som 17a t/m 17e) 5158+/+ Waardeveranderingen 15b-3b 2gAfwaarderingen naar lagere bedrijfswaarde van bedrijfsmiddelen en verminderd 5159+/+ met terugnamen van afwaarderingen naar lagere b edrijfswaarde van b edrijfsmiddelen. 2hSaldo Rente 15b-3c (tenminste nihil) Overname van 1s 5156+/+ 2iIn het b oek jaarjaar geactiveerde rente 15b -3c jo. 15b -6d Overname van 1n 5155-/- 2jGecorrigeerde winst voor de toepassing artikel 15b, ten minste nihil 5160 Som van 2a plus 2f plus 2g min plus 2h min 2i 3Toepassing artikel 15b, berekenen (niet-)aftrekbare rente 3aSaldo rente (neem over) Overname van 1s 5156 3bHoogste van (30% vd gecorrigeerde winst of vast bedrag € 1.000.000) 5161- (NB. Normbedrag bij Fuva omrekenen) 3cNiet aftrekbare rente naar winstberekening overnemen = stallen5111 Maximum van 0 of Som van 3a min 3b 3dIn aanmerking te nemen rente uit voorgaande jaren naar winstberekening overnemen 5112 Als 3c groter is dan 0, dan is 3d leeg. Als 3b groter is dan 3a, dan is 3d k leiner dan of gelijk aan 3b min 3a Bovenmatige deel wordt gecorrigeerd op de belastbare winst én gestald Indien ruimte, dan gestalde rente uit voorgaande jaren inputeren Samenstelling te verrekenen rente voorgaande jaar fiscale eenheid RSIN maatschappij Boekjaar begin Boekjaar eind Verrekening rente 5162 5163 5164 5165
3.2 Artikel 15b Wet Vpb in ABS
In ABS is in de winstbijlage de berekening van artikel 15b Wet Vpb terug te vinden.
Ook is voorzien in het over een voegingstijdstip heen verrekenen van voortgewentelde rente.
Resulaat:
Ook in de Ja/Nee vragen kun je nog 15b rente tegenkomen.
3.3 Beschikkingen 15b Wet Vpb
Rente die in enig jaar niet in aftrek kan worden gebracht, kan in een volgend jaar in aftrek komen indien en voor zover daar ruimte voor bestaat (de voortwenteling van artikel 15b, lid 5, Wet Vpb). Het voort te wentelen saldo aan renten wordt in ieder jaar waarin een dergelijk saldo ontstaat bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld, gelijktijdig met de aanslag over dat jaar (artikel 15b, lid 5, laatste volzin, Wet Vpb en artikel 15bb, lid 1, Wet Vpb). De aanslag inclusief de beschikking is te vinden in DAS. Hieronder staat een voorbeeld van de tekst op de aanslag.
Voorbeeld vaststellingsbeschikking:
En in de Vermogensverglijking (fiscale winstberekening)
Voorbeeld mededeling:
3.4 Verwerking staffels in EVBN
De gestaffelde rente is opgenomen in de administratie van EVBN.
De staffels van de belastingplichtigen zijn te raadplegen via VBN (inloggen met gebruikersnaam en mainframe wachtwoord).
Op de volgende pagina zijn enkele schermpresentaties te zien.
3.5 Afwijkingen van 15b verwerken
Let op: door het corrigeren van de winst wijzigt ook de berekening voor 15b, dit kan leiden tot een andere uitkomst van de berekening van de aftrekruimte van 15b. Check altijd of dit leidt tot een andere renteaftrekbeperking voor artikel 15b Wet Vpb.
Een andere aftrekbeperking voor 15b moet bij het opleggen van de aanslag worden gemuteerd in EVBN.
Ook een afwijkende verrekening van voortgewentelde 15b rente moet worden gemuteerd in EVBN.
4 Vraagstukken
4.1 Inleiding
In dit hoofdstuk staan diverse vraagstukken centraal die opgekomen zijn bij de CTC, al dan niet naar aanleiding van praktijkcasussen. De vraagstukken zijn bewerkt en geanonimiseerd en staan gespecifieerd per lid en onderdeel van artikel 15b Wet Vpb. Houd er rekening mee dat de antwoorden in de betreffende praktijkcasussen zijn gebaseerd op de specifieke feiten en omstandigheden van de behandelde praktijkcasussen. Neem bij twijfel of een vraag en antwoord van toepassing is in een casus, contact op met de CTC.
4.2 Artikel 15b, eerste lid, Wet Vpb (aftrekruimte/drempel)
4.2.1 Aftrekruimte en boekjaar
Hoe wordt de minimale aftrekruimte van artikel 15b, eerste lid, Wet Vpb bepaald bij een kort of een lang boekjaar?
Artikel 15b Wet Vpb wordt toegepast per boekjaar. Dat betekent dat dezelfde regels gelden, ongeacht of sprake is van een boekjaar dat langer of korter is dan 365 dagen. De minimale aftrekruimte van artikel 15b Wet Vpb van € 1.000.000 wordt dus niet naar tijdgelang toegepast.
4.2.2 Aftrekruimte en opknippen
Kan een belastingplichtige zich ‘opknippen’ waarbij activiteiten over meerdere zelfstandige vennootschappen worden ondergebracht om op deze wijze meermaals gebruik te maken van de minimale aftrekruimte van € 1.000.000?
In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat een belastingplichtige zich mogelijk kan opknippen in verschillende vennootschappen om op deze wijze meerdere keren te profiteren van de aftrekruimte. De staatssecretaris van Financiën heeft aangegeven dat het onduidelijk is of, en zo ja in welke mate, dergelijke praktijken zich voor zullen gaan voordoen in de praktijk. De staatssecretaris heeft opgemerkt dat er wettelijke maatregelen kunnen worden genomen indien hier in de praktijk op ingespeeld wordt.
Verder is het de vraag of op gekunstelde wijze opknippen mogelijk kan worden bestreden met het toepassen van antimisbruikbepalingen in bijvoorbeeld de fusie- en splitsingsfaciliteiten of fraus legis. Neem daarom contact op met de Kennisgroep Reorganisatiefaciliteiten en Fiscale Eenheden en de CTC als je een dergelijke casus aantreft.
Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 12, Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 7, p. 21 en Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 14, p. 7. De staatssecretaris van Financiën schrijft in zijn brief van 26 juni 2025 met nummer 2025- 0000178121 dat hij de Tweede Kamer uiterlijk eind 2025 informeert over zijn onderzoek naar drie specifieke antifragmentatie maatregelen.
4.2.3 Aftrekruimte en fiscale eenheid
Moet de aftrekruimte per fiscale eenheid of per afzonderlijke vennootschap worden toegepast?
In de parlementaire geschiedenis is bevestigd dat artikel 15b Wet Vpb op het niveau van de fiscale eenheid wordt toegepast. De spoedreparatiemaatregel fiscale eenheid van artikel 15, zestiende lid, Wet Vpb, is niet van toepassing op 15b Wet Vpb. In artikel 15, zestiende lid, Wet Vpb, is namelijk geen verwijzing opgenomen naar artikel 15b Wet Vpb.
4.3 Artikel 15b, tweede lid, (saldo aan renten)
4.3.1 Rentebegrip algemeen
Hoe dient in het algemeen het begrip rente voor artikel 15b Wet Vpb geduid te worden?
Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever meent dat aan het begrip rente een economische uitleg gegeven moet worden. Hierbij is aangegeven dat rente in feite de vergoeding is voor het ter beschikking stellen van geld. Er kan echter twijfel bestaan of een bepaalde vergoeding of kostenpost rente in de zin van artikel 15b Wet Vpb vormt. In dit hoofdstuk worden enkele voorbeelden gegeven. Benader bij twijfel de CTC.
4.3.2 Belastingschulden en belastingrente
Behoort belasting- en invorderingsrente tot het rentesaldo?
Nee. Bij een belastingschuld is geen sprake van een geldlening of een met een geldlening vergelijkbare overeenkomst. In de parlementaire geschiedenis bij artikel 15ad (oud) en artikel 10d (oud) Wet Vpb
wordt opgemerkt:
‘Belastingschulden behoren niet tot de geldleningen. Ook reserves en voorzieningen vallen niet onder het begrip geldleningen, evenmin als bijvoorbeeld verplichtingen uit hoofde van verzekerings- en pensioenovereenkomsten.’
Dit betekent dus dat belastingrente en invorderingsrente niet tot het rentesaldo behoren.
Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 12. Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, p. 89; Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, p. 24 en Kamerstukken II 2003/04 29 210, nr. 8, p. 17- 18.
4.3.3 Wettelijke rente
Hoort wettelijke rente tot het saldo aan renten voor de toepassing van artikel 15b
Wettelijke rente wordt, ervan uitgaande dat sprake is van een overeenkomst van geldlening of een met een geldlening vergelijkbare overeenkomst (MEGVO), tot het saldo aan rente gerekend. Wettelijke rente, geregeld in artikel 6:119 en 6:119a BW, is een schadevergoeding die verschuldigd wordt omdat een verbintenis niet tijdig wordt nagekomen. Het liquiditeits- of rentenadeel dat hierdoor ontstaat, wordt op forfaitaire wijze vergoed. In lijn met het economische rentebegrip behoort de wettelijke rente tot het saldo aan rente van artikel 15b Wet Vpb. Benadrukt wordt dat eerst de vraag moet worden beantwoord of sprake is van een overeenkomst van geldlening of van een MEGVO. Zie hiervoor de vragen en antwoorden opgenomen in deze syllabus.
4.3.4 Negatieve rente
Is betaalde negatieve rente op bijvoorbeeld spaartegoeden een rentelast voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb?
Ja, het begrip rente moet algebraïsch worden uitgelegd. Voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb behoort daarom ook negatieve rente tot het rentesaldo.
In de memorie van t oelichting is hierover het volgende geschreven:
‘Verder wordt opgemerkt dat de begrippen rentelasten ter zake van geldleningen en rentebaten ter zake van geldleningen algebraïsch worden opgevat. Zo vergroot een eventuele negatieve rentebate ter zake van een verstrekte geldlening het saldo aan renten, terwijl een positieve rentelast ter zake van een verschuldigde geldlening het saldo aan renten verkleint.’
4.3.5 Boeterente
Hoort betaalde boeterente tot het saldo aan renten voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb?
Ja. In de memorie van toelichting is boeterente, samen met afsluitkosten, advieskosten, kosten van bemiddeling, kosten ter zake van het opstellen van een overeenkomst van geldlening, registratiekosten, afsluitprovisies, garantieprovisies, als een voorbeeld gegeven van de kosten ter zake van een geldlening, zoals bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, van artikel 15b Wet Vpb. Artikel 15b, zesde lid, onderdeel b, Wet Vpb, heeft uitsluitend betrekking op rentelasten. Betaalde boeterente is dus geen rente, maar is wel een kostenpost ter zake van geldleningen die bij fictie als rente worden aangemerkt. Daarom behoort betaalde boeterente tot het saldo aan rente.
Kamerstukken II 2018/19, 35030, nr 3.
Let op: ontvangen boeterente behoort niet tot het saldo aan renten (als rentebate), maar behoort wel tot de winst.
4.3.6 IFRS 16 (operational leaseovereenkomsten)
Heeft IFRS 16 (betreft operational leaseovereenkomsten) invloed op de toepassing van artikel 15b Wet Vpb?
Voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb wordt aangesloten bij de winst die is bepaald volgens goed koopmansgebruik. IFRS 16 is op dit punt niet in overeenstemming met goed koopmansgebruik waardoor er geen rentelasten worden onderkend bij operational leaseovereenkomsten. IFRS 16 heeft dus geen invloed op de toepassing van artikel 15b Wet Vpb.
4.3.7 CFC maatregel en rentebegrip
Worden besmette voordelen die op grond van de CFC maatregelen van artikel 13ab Wet Vpb tot de Nederlandse grondslag worden gerekend, bij de Nederlandse belastingplichtige gekwalificeerd als rentebate in de zin van artikel 15b Wet Vpb als die voordelen (deels) bestaan uit rentebaten bij de CFC?
Nee. In de parlementaire geschiedenis is aangegeven dat besmette voordelen die op grond van de CFC maatregel van artikel 13ab Wet Vpb tot de Nederlandse grondslag worden gerekend voor zover die voordelen (deels) bestaan uit rentebaten bij de CFC, bij de Nederlandse belastingplichtige niet kwalificeren als een rentebate bij het berekenen van het saldo aan renten voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb.
4.3.8 Samenhangende waardering geldlening en ander vermogensbestandsdeel
Wordt een valutaresultaat op een geldlening in aanmerking genomen bij het saldo aan renten als sprake is van een samenhangende waardering van die geldlening met een ander vermogensbestanddeel ten aanzien van het valutarisico?
Nee. Indien zich met betrekking tot de waardeontwikkeling van een geldlening en een vermogensbestanddeel een zeer effectieve hedge voordoet, brengt goed koopmansgebruik met zich mee dat de geldlening en het vermogensbestanddeel in samenhang gewaardeerd moe ten worden (vgl. onder andere BNB 2019/58, r.o. 3.1.3). Indien bijvoorbeeld een valutarisico op een dusdanige wijze is afgedekt dat een samenhangende waardering verplicht is, mag het afgedekte valutarisico het fiscale resultaat niet beïnvloeden (vgl. onder andere BNB 2019/58, r.o. 3.2.2).
Volgens het tweede lid ‘[is] het saldo aan renten het bedrag aan rentelasten ter zake van geldleningen verminderd met het bedrag aan rentebaten ter zake van geldleningen, welke (…) in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst.’
Staatscourant 2019, 66228 Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 7.
Op grond van artikel 15b, zesde lid, onderdeel c, Wet Vpb ‘worden onder rentelasten ter zake van geldleningen en rentebaten ter zake van geldleningen mede begrepen: valutaresultaten ter zake van geldleningen (…).’
Onder het saldo aan renten als bedoeld in het tweede lid vallen dus ook valutaresultaten ter zake van geldleningen. Het uitgangspunt voor het saldo aan renten vormen de rentelasten en rentebaten ter zake van geldleningen die in aanmerking worden genomen bi j het bepalen van de in een jaar genoten winst.
Hierdoor worden rentebaten en rentelasten die na toepassing van de overige artikelen inzake de bepaling van de winst aftrekbaar/belastbaar zijn in aanmerking genomen. Hieronder valt onder meer artikel 8, eerste lid, Wet Vpb, waarin o.a. wordt verwezen naar artikel 3.25 Wet IB 2001 op grond waarvan de ‘in een kalenderjaar genoten winst wordt bepaald volgens goed koopmansgebruik’ . Het voorgaande brengt met zich mee dat bij een samenhangende waardering van een geldlening en een vermogensbestanddeel het daaruit voortvloeiende valutaresultaat niet onder de toepassing van artikel 15b Wet Vpb valt, omdat een dergelijk valutaresultaat ter zake van de geldlening door de samenhangende waardering niet tot de fiscale jaarwinst behoort en evenmin tot het saldo aan renten.
4.3.9 Waardemutaties onder pari of boven pari uitgegeven obligatielening
Behoren waardemutaties van een onder pari of boven pari uitgegeven obligatielening tot het saldo van renten?
Ja. Bij een obligatielening die onder pari is uitgegeven is de fiscale boekwaarde lager dan de nominale terugbetalingsverplichting van de obligatie. Bij een obligatielening die boven pari is uitgegeven is de fiscale boekwaarde h oger dan de nominale terugbetalingsverplichting van de obligatie.
Er ontstaat een agio of disagio, dat vervolgens over de looptijd van de obligatie door middel van amortisatie of oprenting ten laste of ten gunste van de winst wordt gebracht. Dit kan op basis van de lineaire methode of de effectieve interestmethode. Op basis van de memorie van toelichting vallen waardemutaties in de fiscale boekwaarden van geldleningen als gevolg van een agio of disagio onder het rentebegrip voor artikel 15b Wet Vpb.
4.3.10 Overdracht vordering met een rente hoger dan de marktrente
Welk bedrag valt bij de overnemer van een vordering met een rente die hoger is dan de op dat moment geldende marktrente voor vorderingen met hetzelfde risico onder het rentesaldo van artikel 15b Wet Vpb?
Een overnemer zal in een zakelijke transactie bereid zijn om meer te betalen voor een vordering dan de nominale waarde van die vordering als deze een hogere rente kent dan de marktrente op dat moment voor vorderingen met eenzelfde risico. De waarde in het economisch verkeer en de kostprijs voor de koper van deze vordering is hoger dan de nominale waarde. Uiteindelijk wordt de nominale waarde afgelost. Het bedrag dat de koper meer heeft betaald, is agio. Dit agio wordt geamortiseerd over de resterende looptijd van de lening. Deze amortisatie/afschrijving is in dit geval een (rente)last. De amortisatie/afschrijving van het agio (-/-) en de ontvangen contractuele rente (+/+) vormen per saldo de effectieve rente c.q. de
Vgl. Kamerstukken II 2018/19 35030, nr. 3, p. 37.
marktrente voor het rentesaldo van artikel 15b Wet Vpb. Dit is in lijn met de situatie van het onder of boven pari uitgeven van een obligatielening.
4.3.11 Overdracht schuld met een rente hoger dan de marktrente
Welk bedrag valt bij de overnemer van een schuld met een rente die hoger is dan de op dat moment geldende marktrente voor schulden met een hetzelfde risico onder het rentesaldo van artikel 15b Wet Vpb?
Een overnemer zal in een zakelijke transactie een hoger bedrag vragen voor een schuld dan de nominale waarde van die schuld, als deze een hogere rente kent dan de marktrente op dat moment voor schulden met eenzelfde risico . De waarde in het economisch verkeer van de schuld is dan hoger dan de nominale waarde. Uiteindelijk wordt de nominale waarde van de schuld afgelost. Het bedrag dat de overnemer meer ontvangt dan de nominale waarde, is agio. Dit agio wordt geamortiseerd over de resterende looptijd van de lening. Deze amortisatie/vrijval is in dit geval een (rente)bate. De amortisatie/vrijval van het agio (+/+) en de betaalde contractuele rente (-/-) vormen per saldo de effectieve rente c.q. de marktrente voor het rentesaldo van artikel 15b Wet Vpb. Dit is in lijn met de situatie van het onder of boven pari uitgeven van een obligatielening.
4.3.12 Sfeerovergang lening (van niet- belast naar belast)
Hoe wordt een sfeerovergang van een lening van de niet-belaste sfeer naar de belaste sfeer behandeld voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb? Dit kan spelen bij bijvoorbeeld een overheidslichaam dat belastingplichtig is geworden voor de Wet Vpb of bij immigratie van een Vpb-plichtig lichaam.
Op het moment van het ontstaan van de belastingplicht dient een openingsbalans opgesteld te worden waarbij vorderingen en schulden tegen de waarde in het economische verkeer worden opgenomen. Deze situatie wordt hetzelfde behandeld als het uitgeven van een lening onder of boven pari. Dat betekent dat eventueel agio of disagio over de looptijd door middel van amortisatie of oprenting ten laste of ten gunste van de winst wordt gebracht en dus als rentelast of rentebate onder de toepassing van artikel 15b Wet Vpb valt. Dit kan op basis van de lineaire methode of de effectieve interestmethode.
4.3.13 Waardemutaties van schuldvorderingen na uitgifte
Valt ook onder het rentebegrip van artikel 15b Wet Vpb het op- of afwaarderen van een schuldvordering na uitgifte?
Nee, in beginsel niet. Het na uitgifte op- of afwaarderen van een schuldvordering wordt onder de huidige wettekst en toelichting in de wetsgeschiedenis behandeld als een waardemutatie die niet als een rentebate of rentelast wordt aangemerkt.
Een vermogenswinst of –verlies als gevolg van de vervreemding van een schuldvordering wordt bij de verkoper niet als rentebate of rentelast aangemerkt, terwijl een (latere) vermogensmutatie bij de koper van de schuldvordering in
bepaalde situaties wel deels of geheel als rente kan worden gezien. Neem bij vragen contact op met de CTC.
4.3.14 Waardemutaties a pari uitgegeven vorderingen na overdracht
Behoren waardemutaties van een a pari uitgegeven vordering na overdracht tot het saldo van renten?
Nee, in beginsel niet. Bij een obligatielening die a pari is uitgegeven is de fiscale boekwaarde gelijk aan de nominale terugbetalingsverplichting van de obligatie. In de parlementaire geschiedenis is ingegaan op de vraag of waardemutaties van vorderingen en schulden onder het rentebegrip vallen. Het antwoord op deze vraag is dat in beginsel waardeveranderingen van vorderingen en schulden geen invloed hebben op het saldo aan renten.
In dit verband is het volgende voorbeeld gegeven:
De leden van de fracties van de VVD en het CDA merken op dat de in ATAD1 neergelegde definities van «financieringskosten» en «rentebaten» wijzen in de richting van een economische invulling van deze begrippen. Deze leden vragen of deze benadering ook door het kabinet wordt gevolgd. Aanvullend merken deze leden op dat, naast de in de memorie van toelichting beschreven situatie waarin het (dis)agio op een geldlening al bij uitgifte aanwezig is, zich in de praktijk tal van situaties voordoen waarbij het (dis)agio optreedt doordat een geldlening door een andere partij dan de oorspronkelijke geldverstrekker wordt verkregen. Vervolgens vragen deze leden, aan de hand van uiteenlopende voorbeelden, om een verduidelijking van de definities «financieringskosten» en «rentelasten en rentebaten».
In de kern komen de vragen neer op de vraag in hoeverre het voor de fiscale winstbepaling gekozen waarderingsstelsel relevant is voor de invulling van de begrippen «financieringskosten» en «rentelasten en rentebaten» voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel. Door de toepassing van de earningsstrippingmaatregel wordt – kort gezegd – de aftrekbaarheid van het verschil tussen de rentelasten ter zake van geldleningen en rentebaten ter zake van geldleningen (saldo aan renten) beperkt. Het gaat hierbij om de rentelasten en rentebaten ter zake van vorderingen en schulden die voortvloeien uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst. Het kabinet onderschrijft dat – conform ATAD1 – een economische uitleg moet worden gegeven aan de begrippen «financieringskosten» en «rentelasten en rentebaten». Rente betreft in feite de vergoeding voor het ter beschikking stellen van geld. Het maakt daarbij niet uit of deze vergoeding in de vorm van een coupon of van een opwaardering wordt genoten. Aan de hand van het navolgende voorbeeld wordt geïllustreerd hoe het voorgaande uitwerkt.
Voorbeeld Bedrijf A geeft in jaar 1 à pari een obligatielening – met een looptijd van 10 jaar – uit met een nominaal bedrag van 100 en een jaarlijkse rentecoupon van 3 aan vennootschapsbelastingplichtige B.
Zie Overdracht vordering met een rente hoger dan de marktrente en Overdracht vordering met een rente hoger dan de marktrente en Waardemutaties a pari uitgegeven obligatielening Kamerstukken I 2018/19, 35030, nr. C.
Bedrijf A neemt jaarlijks de betaalde rente van 3 mee als rentelasten bij het bepalen van het saldo aan renten en B neemt de jaarlijks ontvangen rente van 3 mee als rentebaten bij het bepalen van het saldo aan renten.
In jaar 2 stijgt de marktrente. Als gevolg daarvan waardeert B de vordering op A af tot 80. Ook voor zover deze afwaardering fiscaal in aanmerking zou mogen worden genomen, heeft, dit verlies geen invloed op het saldo aan renten van A en het saldo aan renten van B. [voetnoot]
Eind jaar 3 verkoopt B de vordering op A aan C voor 70. B neemt een extra verlies van 10. Dit heeft geen invloed op het saldo aan renten van A en het saldo aan renten van B. C stelt de vordering te boek voor 70.
In jaar 4 tot en met jaar 10 neemt bedrijf A net zoals in voorafgaande jaren de betaalde rente van 3 als rentelasten mee bij het bepalen van het saldo aan renten. C neemt de ontvangen rente van 3 als rentebaten mee in het saldo aan renten. Voor C is ook de jaarlijkse waardeaangroei naar uiteindelijk 100 in jaar 10 rente, immers C heeft 70 betaald voor de lening die een nominale waarde heeft van 100.
Voetnoot: Ook als B de vordering op A afwaardeert als gevolg van een verminderde kredietwaardigheid van A, verlaagt dit verlies de gecorrigeerde winst van B, maar heeft geen invloed op het rentesaldo van A en het rentesaldo van B. Hetzelfde geldt voor een eventuele latere belaste opwaardering door B van de vordering op A.
In het voorbeeld koopt C de vordering op A van B voor een zakelijke prijs van 70. Deze prijs is lager dan de nominale waarde van de vordering. Dit komt doordat de marktrente voor vorderingen is gestegen. Het is onduidelijk of de uitwerking van het voorbeeld ook geldt wanneer de lagere prijs van de vordering is ontstaan door een daling van de kredietwaardigheid van partij A. De huidige stand van het denken is dat er beoordeeld moet worden wat de oorzaak is van de waardeverandering. Mogelijk dient een onderscheid gemaakt te worden tussen waardeveranderingen als gevolg van ontwikkelingen in de marktrente en waardeveranderingen door andere factoren, zoals de mutatie in de kredietwaardigheid van een belastingplichtige. De CTC verzoekt om casussen waarin deze problematiek speelt te melden.
4.3.15 Overdracht van schulden bij taakoverdracht door woningcorporaties
Is het resultaat bij de overdracht van een schuld te kwalificeren als een rentelast of rentebate voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb, als het resultaat een gevolg is van een gewijzigde marktrente en de overdracht van die schuld plaatsvindt tussen woningcorporaties (hierna: woco’s) in het kader van een taakoverdracht? Nee. Als een woco in het kader van een taakoverdracht woningen en schulden aan een andere woco overdraagt en de overdragende woco daarbij een resultaat (winst of verlies) behaalt op de overgedragen schuld als gevolg van een marktrente die afwijkt van het overeengekomen rentepercentage op die schuld , dan vormt dat resultaat geen rente voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis bij de invoering van artikel 15b Wet Vpb en dan met name het (herhaalde) voorbeeld over de overdracht van een vordering die in waarde is gedaald als gevolg van een wijziging van de marktrente.
Kamerstukken I 2018/19, 35030, nr. E en G.
4.3.16 Waardemutaties extendible lening door een embedded derivaat
Is een waardemutatie van het embedded derivaat in een extendible lening als gevolg van een wijziging in de marktrente een rentelast of -bate voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb?
Ja. Een extendible lening is de naam voor een overeenkomst van geldlening met meerdere rentetijdvakken, waarbij de schuldeiser kan bepalen of een nieuw rentetijdvak ingaat. Een dergelijke optie wordt ook wel embedded derivaat genoemd.
Als voorbeeld kan gedacht worden aan een lening met een totale looptijd van 20 jaar die contractueel is gesplitst in 2 periodes van 10 jaar met elk een eigen rentepercentage. Voor periode 1 geldt bijvoorbeeld een ‘korting’ van 0,5% ten opzichte van de dan geldende marktrente van 4%, waardoor de rente 3,5% bedraagt. Voor periode 2 geldt bijvoorbeeld een ‘premium’ van 0,5%, waardoor de rente voor die periode 4,5% bedraagt. De schuldeiser heeft na 10 jaar het recht (de optie) om de lening al dan niet te verlengen. Deze optie vormt het embedded derivaat.
Het embedded derivaat is dus een onlosmakelijk onderdeel van de bepalingen over de rente en looptijd zoals vastgelegd en opgenomen in de overeenkomst van geldlening.
Commercieel en fiscaal kan het embedded derivaat afzonderlijk, dat wil zeggen apart van de schuld, op de balans gewaardeerd worden tegen de reële waarde c.q. de waarde in het economisch verkeer.
De (reële) waarde van een embedded derivaat fluctueert als gevolg van wijzigingen van de marktrente. Bij een daling van de marktrente (bijvoorbeeld van 4% naar 2%), stijgt de negatieve waarde van het embedded derivaat en wordt een last genomen. Dit omdat de toekomstige verschuldigde rente (bijvoorbeeld 4,5%) nu niet vergeleken wordt met 4%, maar met 2%. I ndien de marktrente weer stijgt, daalt de negatieve waarde van het embedded derivaat.
Deze waardemutaties leiden echter niet tot een hogere of lagere verschuldigde rente over de gehele looptijd van de extendible lening, maar beïnvloeden slechts de timing van het nemen van de overeengekomen rentelast over de looptijd van de extendible lening.
Uitgaande van deze contractuele vormgeving en deze fiscale verwerking behoren waardemutaties van het embedded derivaat bij de extendible lening (zowel positief als negatief) tot het saldo aan rente van artikel 15b Wet Vpb.
In de literatuur wordt bepleit dat de waardemutaties van het embedded derivaat niet tot het saldo aan rente behoort. De CTC is het niet eens met deze uitleg.
Vanwege de al geconstateerde vragen uit de praktijk, wijst de CTC er expliciet op dat zij beschikbaar is voor verdere uitleg en bijstand bij de behandeling van posten waarin deze problematiek zich voordoet.
4.3.17 Bijtellen negatief saldo aan renten volgens het derde lid, onderdeel c.
Kan er voor de toepassing van artikel 15b, derde lid, onderdeel c, Wet Vpb, sprake zijn van een bij te tellen negatief saldo aan renten om tot de gecorrigeerde winst te komen?
Ja. Als sprake is van geactiveerde rente kan het saldo aan renten volgens het tweede lid positief zijn en voor de toepassing van het derde lid, onderdeel c, negatief. Het antwoord hangt af van de feiten en omstandigheden van de betreffende casus. Hieronder wordt aan de hand van een aantal sterk vereenvoudigde voorbeelden gepoogd om het een en ander te verduidelijken. Neem bij vragen contact op met de CTC.
Artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb bepaalt het volgende: ‘Het saldo aan renten is het bedrag aan rentelasten ter zake van geldleningen verminderd met het bedrag aan rentebaten ter zake van geldleningen, welke rentelasten en rentebaten zonder toepassing van dit artikel in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst. Het saldo aan renten bedraagt ten minste nihil.’
Artikel 15b, derde lid, onderdeel c, Wet Vpb bepaalt vervolgens het volgende: ‘De gecorrigeerde winst, bedoeld in het eerste lid, is de winst zoals die zonder toepassing van het eerste lid wordt bepaald: (…) c. vermeerderd met het saldo aan renten van het jaar, met uitzondering van het in dat saldo begrepen bedrag aan renten ter zake van geldleningen als bedoeld in het zesde lid, onderdeel d; waarbij de gecorrigeerde winst tenminste op nihil wordt gesteld.
Voorbeeld 1: zonder geactiveerde rente met een positief saldo aan renten (geen bijzonderheden) Bij belastingplichtige is in 2019 vóór toepassing van artikel 15b Wet Vpb sprake van de volgende gegevens: – Reguliere rentebaten € 2.500.000 (W&V) – Reguliere rentelasten € 4.000.000 (W&V)
Vermogensvergelijking vóór toepassing van 15b Wet Vpb De vermogensvergelijking vóór toepassing van 15b Wet Vpb luidt als volgt. H et beginvermogen is op nihil gesteld. Eindvermogen: -/- € 1.500.000 Beginvermogen: € nihil Mutatie: -/- € 1.500.000 (winst vóór toepassing 15b) Het saldo aan renten bedraagt op grond van artikel 15b, lid 2, Wet Vpb: € 4.000.000 -/- € 2.500.000 = € 1.500.000. Dit saldo aan renten wordt op grond van artikel 15b, lid 3, onderdeel c, Wet Vpb bij de winst vóór 15b opgeteld om tot de gecorrigeerde winst te komen. De gecorrigeerde winst bedraagt dan: -/- € 1.500.000 +€ 1.500.000 = 0. Geen bijzonderheden. De rentebaten en de rentelasten worden één keer in aanmerking genomen bij het bepalen van de aftrekbeperking van artikel 15b Wet Vpb.
Voorbeeld 2: met geactiveerde rente en een positief saldo aan renten
Bij belastingplichtige is in 2019 vóór toepassing van 15b Wet Vpb sprake van de volgende gegevens: – Reguliere rentebaten € 2.500.000 (W&V) – Geactiveerde rente € 4.000.000 (balans)
Vermogensvergelijking vóór toepassing van 15b Wet Vpb De vermogensvergelijking vóór toepassing van 15b Wet Vpb luidt als volgt. H et beginvermogen is op nihil gesteld.
Eindvermogen: € 2.500.000 Beginvermogen: € nihil Mutatie: € 2.500.000 (winst vóór toepassing 15b)
Het saldo aan renten bedraagt op grond van artikel 15b, lid 2, Wet Vpb en artikel 15b, lid 6, onderdeel d, Wet Vpb net als in voorbeeld 1 nog steeds: € 4.000.000 -/- € 2.500.000 = € 1.500.000.
Dit saldo wordt op grond van artikel 15b, derde lid, onderdeel c, Wet Vpb bij de winst vóór 15b ‘opgeteld’ om tot de gecorrigeerde winst te komen. Volgens artikel 15b, derde lid, onderdeel c, Wet Vpb dient de bijtelling van het saldo aan renten echter plaats te vinden met uitzondering van de geactiveerde rente. De vraag is opgekomen of hierbij het saldo aan renten op grond van het tweede lid, eerste en tweede volzin, (dus inclusief de frase ‘ten minste nihil’) moet worden genomen en of dat betekent dat de correctie voor geactiveerde rente van het derde lid, onderdeel c, ook begrensd is tot nihil. De letterlijke tekst van artikel 15b, derde lid, onderdeel c, Wet Vpb laat toe dat wordt uitgegaan van het saldo aan renten volgens het tweede lid, maar dat dit negatief kan worden als gevolg van de correctie voor geactiveerde rente. Het op grond van het derde lid, onderdeel c, bij te tellen saldo aan renten kan dus negatief zijn. Deze uitleg is de juiste omdat dan één keer rekening wordt gehouden met de ontvangen rente, namelijk bij het bepalen van het saldo aan renten. Dat is evenwichtig en past bij doel en strekking van artikel 15b Wet Vpb om het saldo van ontvangen en verschuldigde renten in aftrek te beperken als er geen aftrekruimte is.
De ‘bijtelling’ bedraagt op grond van deze uitleg van artikel 15b, derde lid, onderdeel c, Wet Vpb namelijk € 1.500.000 -/- € 4.000.000 = -/- € 2.500.000.
De gecorrigeerde winst bedraagt dan: € 2.500.000 + € -/- 2.500.000 = 0 (dezelfde uitkomst als voorbeeld 1).
Voorbeeld 3: zonder geactiveerde rente met een negatief saldo aan renten Bij belastingplichtige is in 2020 vóór toepassing van 15b Wet Vpb sprake van de volgende gegevens: – Reguliere rentebaten € 4.000.000 (W&V) – Reguliere rentelasten € 2.500.000 (W&V)
Vermogensvergelijking vóór toepassing van 15b Wet Vpb De vermogensvergelijking vóór toepassing van 15b Wet Vpb luidt als volgt. H et beginvermogen is op nihil gesteld:
Eindvermogen: € 1.500.000 Beginvermogen: € nihil Mutatie: € 1.500.000 (winst vóór toepassing 15b)
Het saldo aan renten bedraagt in beginsel: € 2.500.000 -/- € 4.000.000 = € -/- 1.500.000. Op grond van artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb geldt er echter een minimum van € 0. Het saldo aan renten wordt derhalve op nihil gesteld. Er is derhalve geen sprake van een renteaftrekbeperking.
In 2020 moet nog wel de gecorrigeerde winst worden bepaald als sprake is van een voort te wentelen saldo aan renten uit 2019. Hiervoor wordt het saldo (van € 0) op grond van artikel 15b, derde lid, onderdeel c Wet Vpb, bij de winst vóór 15b ‘opgeteld’ om tot de gecorrigeerde winst te komen. De gecorrigeerde winst bedraagt dan: € 1.500.000 + 0 = € 1.500.000.
Ook in dit geval wordt de verschuldigde en ontvangen rente één keer meegenomen bij het bepalen van de aftrekbeperking van artikel 15b Wet Vpb, zij het dat het saldo dan slechts leidt tot aftrekruimte ter grootte van 30% van dat saldo. In de literatuur is wel bepleit dat het evenwichtiger zou zijn om ook het voortgewentelde saldo aan renten af te zetten tegen de rentebaten van het betreffende jaar, maar daar heeft de wetgever niet voor gekozen.
Voorbeeld 4: met geactiveerde rente en een negatief saldo aan renten Bij belastingplichtige is in 2020 vóór toepassing van 15b sprake van de volgende gegevens: – Reguliere rentebaten € 4.000.000 (W&V) – Geactiveerde rente € 2.500.000 (Balans)
Vermogensvergelijking vóór toepassing van 15b De vermogensvergelijking vóór toepassing van 15b luidt als volgt. Het beginvermogen is op nihil gesteld. Eindvermogen: € 4.000.000 Beginvermogen: € nihil Mutatie: € 4.000.000 (winst vóór toepassing 15b) Het saldo aan renten bedraagt in beginsel: € 2.500.000 -/- € 4.000.000 = € -/- 1.500.000. Op grond van artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb geldt er echter een minimum van € 0. Het saldo aan renten wordt derhalve op € 0 gesteld. Er is derhalve geen sprake van een renteaftrekbeperking. In 2020 moet nog wel de gecorrigeerde winst worden bepaald als sprake is van een voort te wentelen saldo aan renten uit 2019. Hiervoor wordt het saldo (van 0) m.u.v. de geactiveerde rente op grond van artikel 15b, derde lid, onderdeel c, Wet Vpb bij de winst vóór 15b ‘opgeteld’ wordt om tot de gecorrigeerde winst te komen. De ‘bijtelling’ bedraagt dan o.b.v. artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb en artikel 15b, lid 3, onderdeel c, Wet Vpb € 0 -/- € 2.500.000 = -/- € 2.500.000. De gecorrigeerde winst bedraagt dan: € 4.000.000 + € -/- 2.500.000 = € 1.500.000. Ook in dit geval wordt de verschuldigde en ontvangen rente één keer meegenomen bij het bepalen van de aftrekbeperking van artikel 15b Wet Vpb. (Dezelfde uitkomst als voorbeeld 3)
4.3.18 Samenloop artikel 15b en artikel 10a of 10b Wet Vpb
Wat is de invloed van rente die bijvoorbeeld reeds op grond artikel 10a Wet Vpb of 10b Wet Vpb niet aftrekbaar is op het saldo aan renten van artikel 15b Wet Vpb?
Op grond van het tweede lid van artikel 15b Wet Vpb is vereist dat de rentelasten en rentebaten in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de winst. Rente die reeds niet aftrekbaar is op grond van bijvoorbeeld artikel 10a Wet Vpb of 10b Wet Vpb vormt dus geen rente voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb. Deze niet aftrekbare rente is dus geen onderdeel van het saldo aan renten.
4.3.19 Samenloop artikel 15b en de artikelen 12aa tot en met 12ag Wet Vpb (hybride
mismatchmaatregelen/ATAD 2)
Hoe werkt de samenloop tussen de artikelen 12aa tot en met 12ag (hybride mismatchmaatregelen uit ATAD 2) en artikel 15b Wet Vpb?
Indien ter zake van een rentelast de hybride mismatchmaatregelen van toepassing zijn waardoor de rentelast van aftrek wordt uitgesloten vormt die rentelast geen rentelast meer voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb. De rentelast wordt immers niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst. Indien een rentelast in beginsel onder de reikwijdte van de hybride mismatchmaatregelen valt, maar niettemin in aftrek komt, bijvoorbeeld omdat sprake is van dubbel in aanmerking genomen inkomen, wordt die rentelast in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst en vormt die rentelast dus ook een rentelast voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb. Dit volgt uit de volgende passage uit de parlementaire geschiedenis.
“5. Verduidelijken samenloop ATAD2 en earningsstrippingmaatregel […] In het algemeen geldt dat bij de samenloop tussen de hybridemismatchmaatregelen en de earningsstrippingmaatregel (en in gelijke zin de minimumkapitaalregel) de volgorde van de wettelijke bepalingen dient te worden aangehouden. Dit betekent dat bij een mogelijke samenloop tussen deze bepalingen eerst de hybridemismatchmaatregelen worden toegepast en vervolgens de earningsstrippingmaatregel. Rente die niet aftrekbaar is op grond van de hybridemismatchmaatregelen kan vervolgens niet nogmaals van aftrek worden uitgesloten op grond van de earningsstrippingmaatregel. Omgekeerd geldt dat rente die niet in aftrek wordt beperkt op grond van de hybridemismatchmaatregelen alsnog van aftrek kan worden uitgesloten op grond van de earningsstrippingmaatregel.”
MvT, Kamerstukken II 2018/19, 35030, nr. 3, p. 37. Kamerstukken II 2020/21, 35 573, nr. 3, p 7.
4.4 Artikel 15b, derde lid, Wet Vpb (gecorrigeerde winst)
4.4.1 Gecorrigeerde winst (algemeen)
4.4.1.1 Samenloop kwijtscheldingswinstvrijstelling en artikel 15b Wet Vpb
In welke volgorde moeten de kwijtscheldingswinstvrijstelling en artikel 15b Wet Vpb worden toegepast?
Artikel 15b Wet Vpb dient toegepast te worden nádat de kwijtscheldingswinstvrijstelling van artikel 8 Wet Vpb jo. artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 is toegepast. Zie hiervoor het antwoord van de Kennisgroep Winstbepaling (KG:213:2024:4, 20 februari 2024).
4.4.1.2 Samenloop Zeescheepvaart Onbelaste Reserve en artikel 15b Wet Vpb
In welke volgorde moeten de Zeescheepvaart Onbelaste Reserve (hierna: ZOR) en artikel 15b Wet Vpb worden toegepast? Artikel 15b Wet Vpb dient toegepast te worden nádat de ZOR van artikel 8 Wet Vpb jo. artikel 3.23, derde lid, Wet IB 2001 is bepaald en toegepast. Artikel 15b Wet Vpb wordt toegepast ná toepassing van onder andere grondslagverbredingen en vrijstellingen en voorafgaand aan de giftenaftrek en artikelen 15be en 15bf Wet Vpb. Dit antwoord volgt dezelfde systematiek als beschreven in het antwoord van de Kennisgroep Winstbepaling ten aanzien van de kwijtscheldingswinstvrijstelling (KG:213:2024:4, 20 februari 2024).
4.4.1.3 Foutenleer
Een objectsubsidie is ten onrechte in het resultaat geboekt en dit wordt in een later jaar hersteld middels de foutenleer . Wat is de invloed van deze herstelboeking (of afboeking) op de gecorrigeerde winst? Als een objectsubsidie ten onrechte is geboekt in het resultaat en dit op basis van de foutenleer wordt gecorrigeerd door een afboeking op een activum, dan vormt deze afboeking geen afschrijving of afwaardering in de zin van artikel 15b, derde lid, onderdelen a en b, Wet Vpb. De afboeking leidt derhalve niet tot een verhoging van de gecorrigeerde winst. Met andere woorden, de afboeking maakt deel uit van de winst voor giftenaftrek en wordt hier niet uit gecorrigeerd bij de bepaling van de gecorrigeerde winst.
Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p.37. Zie ook het antwoord van de Kennisgroep Winstbepaling KG:213:2023:4.
4.4.2 Artikel 15b, derde lid, onderdeel a, Wet Vpb (afschrijvingen op bedrijfsmiddelen)
4.4.2.1 Waardeverminderingen van voorraden met een zeer lang lopend karakter
Worden waardeverminderingen van voorraden met een zeer langlopend karakter meegenomen bij het bepalen van de gecorrigeerde winst?
Deze vraag is tijdens de parlementaire behandeling aan de orde gekomen. De staatss ecretaris van Financiën heeft geantwoord dat voorraden met een zeer langlopend karakter geen bedrijfsmiddel vormen, omdat de voorraden voor de verkoop zijn bestemd. Omdat de voorraden geen bedrijfsmiddel vormen, wordt niet op de voorraden afgeschreven. Onder omstandigheden kunnen voorraden gewaardeerd worden op lagere marktwaarde, waarbij de waarde op inkoopdatum leidend is. Dit is echter iets anders dan het afwaarderen van een bedrijfsmiddel en leidt dus niet tot een bijtelling bij de winst op grond van artikel 15b, lid 3, onderdeel a, Wet Vpb. Raadpleeg de Kennisgroep Winstbepaling voor de vraag of er sprake is van een bedrijfsmiddel of voorraad.
4.4.2.2 Invloed van artikel 3.30, derde lid, Wet IB 2001 op de gecorrigeerde winst
Moet afschrijving ineens bij een immaterieel activum worden bijgeteld voor de gecorrigeerde winst?
Developmentuitgaven die leiden tot een bedrijfsmiddel moeten worden geactiveerd. De afschrijving van geactiveerde voortbrengingskosten wordt bijgeteld op grond van artikel 15b, derde lid, Wet Vpb om de gecorrigeerde winst te bepalen.
Afschrijving ineens op grond van 3.30, derde lid, Wet IB 2001 betekent niet dat er geen sprake is van een bedrijfsmiddel. Voor het bijtellen van afschrijvingen op grond van artikel 15b, derde lid, Wet Vpb maakt het niet uit of er sprake is van een afschrijving ineens op grond van 3.30, derde lid, Wet IB 2001 of dat er over meerdere jaren wordt afgeschreven.
4.4.2.3 Afschrijving of afwaardering naar lagere bedrijfswaarde van buitenlandse
vermogensbestanddelen toerekenbaar aan een vaste inrichting
Wordt een afschrijving of afwaardering naar lagere bedrijfswaarde op het niveau van een buitenlandse vaste inrichting bij de gecorrigeerde winst geteld?
Nee. De objectvrijstelling (15e Wet Vpb) wordt toegepast voor 15b Wet Vpb. In de winst van waaruit de gecorrigeerde winst berekend moet worden, bevinden zich dus geen afschrijvingskosten, op- en afwaarderingen en rentekosten en -baten meer die betrekking hebben op de buitenlandse vaste inrichting. Deze zijn immers via de objectvrijstelling al geëlimineerd uit de winst.
Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. C. MvT, Kamerstukken II 2018/19, 35030, nr. 3, p. 37.
4.4.2.4 Invloed van de verlengstukwinst van artikel 9, eerste lid, onderdeel g, Wet Vpb
Wat is de invloed van de aftrekbare verlengstukwinst van artikel 9, eerste lid, onderdeel g, Wet Vpb op de aftrekruimte van artikel 15b Wet Vpb?
De verlengstukwinst – uitdelingen van een coöperatie – is aftrekbaar en verlaagt dus de winst. Daarmee drukt de verlengstukwinst ook de gecorrigeerde winst, waardoor sprake is van minder 15b-aftrekruimte.
Van oudsher is de verlengstukwinstaftrek vormgegeven als een aftrekpost, waarbij de omvang van de aftrek afhankelijk is van de maatstaf van de door of jegens de leden verrichte prestaties. Het deel van de verlengstukwinst dat is uitgekeerd aan leden-lichamen (dus kort gezegd het deel dat ziet op vennootschappen) komt in beginsel niet in aftrek. Ervan uitgaande dat de omvang van de prestaties van leden- lichamen en leden-natuurlijk personen vergelijkbaar is, heeft een coöperatie met veel leden-natuurlijke personen dan een grotere aftrek van verlengstukwinst dan een vergelijkbare coöperatie met (naast leden-natuurlijke personen) veel leden- lichamen. Doordat de aftrek van de verlengstukwinst van artikel 9, eerste lid, onderdeel g, Wet Vpb de (gecorrigeerde) winst verlaagt kan een coöperatie met veel leden natuurlijke personen die deels met geldleningen is gefinancierd, dus eerder of tegen een grotere aftrekbeperking door artikel 15b Wet Vpb aanlopen dan een vergelijkbare coöperatie met (vooral) leden-lichamen.
4.4.2.5 Vorming en vrijval fiscale coronareserve en artikel 15b Wet Vpb
In hoeverre kan de vorming in 2019 en vrijval in 2020 van de fiscale coronareserve gevolgen hebben voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb?
De vorming van de fiscale coronareserve in 2019 verlaagt de winst en daarmee de gecorrigeerde winst. De aftrekruimte wordt daardoor lager. De vrijval van de fiscale coronareserve in 2020 verhoogt de winst en daarmee de gecorrigeerde winst. De aftrekruimte wordt daardoor hoger.
4.4.2.6 Afschrijving als gevolg van een lagere boekwaarde door een
renteaftrekbeperking van geactiveerde rente in een eerder jaar
Op welke wijze moet een belastingplichtige bij de bepaling van de gecorrigeerde winst rekening houden met de afschrijving als in een eerder boekjaar sprake is geweest een lagere activering van rente als voortbrengingskosten als gevolg van een renteaftrekbeperking door artikel 15b Wet Vpb?
Op grond van de aanhef van artikel 15b, derde lid, Wet Vpb wordt de gecorrigeerde winst gebaseerd op de winst zoals die in eerste instantie zonder toepassing van artikel 15b Wet Vpb is vastgesteld. Dit betekent dat voor die berekening de winst wordt bepaald zonder de toepassing van artikel 15b, zevende lid, Wet Vpb.
Als de winst vóór toepassing van 15b in het jaar van activeren vastgesteld zou moeten worden met toepassing van het zevende lid dan ontstaat er een cirkelredenering. De winst zou
Bedacht moet worden dat artikel 15b, zevende lid, Wet Vpb een eenmalige toets behelst in het jaar van activeren. Na toepassing van artikel 15b Wet Vpb moeten de boekwaarde en de afschrijving van het betreffende activum worden aangepast. In de daaropvolgende jaren wordt niet meer toegekomen aan de eenmalige toets van artikel 15b, zevende lid, Wet Vpb en dient de afschrijving over de lagere boekwaarde als gevolg van de renteaftrekbeperking van art 15b in Wet Vpb het jaar van activeren als uitgangspunt voor de bepaling van de (gecorrigeerde) winst.
In de literatuur is een andere uitleg bepleit. Deze uitleg stelt kort gezegd dat bij het bepalen van de gecorrigeerde winst in een later jaar uitgegaan mag worden van de oorspronkelijk geactiveerde boekwaarde en de (hogere) afschrijving daarop, ook al wordt deze afschrijving niet feitelijk in de winst en verliesverrekening tot uitdrukking gebracht. In feite wordt er dan een extracomptabele afschrijving in aanmerking genomen. De ze uitleg is onjuist volgens de CTC. Het is namelijk niet in lijn met voorbeeld 4 uit de memorie van toelichting en ook niet in overeenstemming met de bedoeling van artikel 15b Wet Vpb om aan te sluiten bij de winst die in een jaar fiscaal in aanmerking wordt genomen. Tevens wordt in die andere uitleg miskend dat het betreffende deel van de voortbrengingsrentekosten als gevolg van de toepassing van artikel 15b Wet Vpb in het jaar van activeren niet langer het karakter heeft van af te schrijven voortbrengingskosten en alleen in aftrek kan komen als (voortgewentelde) rente.
4.4.2.7 Afschrijving op gekochte goodwill bij een profit split en het bepalen van de
gecorrigeerde winst
Een Nederlandse BV verkrijgt ondernemingsactiviteiten. In hoeverre mag de afschrijving op gekochte goodwill bij een profit split (waarbij de EBIT 75/25 wordt verdeeld) worden meegenomen worden ter bepaling van de gecorrigeerde winst?
Om de afschrijving op gekochte goodwill mee te nemen ter bepaling van de gecorrigeerde winst is een aantal elementen van belang.
Is de gekochte goodwill een bedrijfsmiddel? Ja. Dat betekent dat de afschrijving wordt bijgeteld om tot de gecorrigeerde winst te komen. Neem bij (rechts)vragen over de kwalificatie van gekochte goodwill als bedrijfsmiddel contact op met de kennisgroep winstbepaling.
Wat is de winst/gecorrigeerde winst bij een profit split (waarbij de ebit 75/25 wordt verdeeld)? Indien de gekochte goodwill behoort tot de Nederlandse onderneming van de BV, sluit artikel 15b Wet Vpb aan bij de (gecorrigeerde) winst die in Nederland wordt belast c.q. de afschrijving die in Nederland drukt. In de memorie van toelichting implementatie ATAD1 is de volgende passage opgenomen:
dan afhankelijk zijn van de afschrijving na toepassing van het zevende lid, waarbij de afschrijving na toepassing van het zevende lid afhankelijk is van de toepassing van het eerste lid en daarmee van de gecorrigeerde winst. De gecorrigeerde winst is op haar beurt weer afhankelijk van de winst. Zie tevens: MvT Kamerstukken II 2018/19, 35030, nr 3, voorbeeld 4. G.I. van Eijk en R. Snoeij, Het reilen en zeilen van geactiveerde rente in de earningsstrippingregeling, WFR 2019/162. MvT Kamerstukken II 2018/19, 35030, nr 3, voorbeeld 4. MvT Kamerstukken II 2018/19, 35030, nr. 3.
‘Voor de bepaling van de EBITDA wordt de naar fiscale maatstaven bepaalde winst van de belastingplichtige als uitgangspunt genomen, waardoor vrijgestelde inkomsten niet worden meegerekend. Door de fiscale EBITDA als uitgangspunt te nemen wordt de renteaftrek gekoppeld aan de belastbare economische activiteit van een belastingplichtige’ “In het derde lid van genoemd artikel 15b wordt geregeld dat bij het bepalen van de gecorrigeerde winst het bedrag van de winst – derhalve vóór vermindering met de aftrekbare giften – vóór de toepassing van genoemd artikel 15b als uitgangspunt wordt genomen. Omdat wordt uitgegaan van de winst, maken de voordelen die niet tot de winst behoren geen deel uit van de gecorrigeerde winst. Bij dergelijke voordelen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de grondslagvermindering uit hoofde van de innovatiebox (artikel 12b Wet Vpb 1969), voordelen uit hoofde van een deelneming waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is (artikel 13 Wet Vpb 1969) of winsten waarop de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten toepassing vindt (artikel 15e Wet Vpb 1969).’ Daar past bij dat ‘winst’ van een andere belastingplichtige – bijvoorbeeld de winst van het buitenlandse onderdeel – niet tot de winst van de betreffende belastingplichtige behoort. Verder is het van belang van wie de goodwill is. Voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb wordt gekeken naar de gekochte goodwill die aan de Nederlandse BV kan worden toegerekend op basis van de profit split. Dit betekent dat de afschrijving op de gekochte goodwill die aan de Nederlandse BV toegerekend kan worden volledig op de gecorrigeerde winst wordt gecorrigeerd. Vragen omtrent de zakelijke winstverdeling, toerekening en allocatie behoren tot het werkterrein van de Coördinatiegroep Verrekenprijzen.
4.4.3 Artikel 15b, derde lid, onderdeel b, Wet Vpb (afwaarderingen bedrijfsmiddelen)
4.4.3.1 Verkoop bedrijfsmiddel met een verlies
Wat is het effect op de gecorrigeerde winst als een bedrijfsmiddel wordt verkocht met een verlies?
Bij het bepalen van de gecorrigeerde winst worden bedragen van op- en afwaarderingen van bedrijfsmiddelen die bij het bepalen van de fiscale winst in aanmerking zijn genomen, gecorrigeerd. Boekresultaten als gevolg van bijvoorbeeld een verkoop van een bedrijfsmiddel zijn geen op- en afwaarderingen van bedrijfsmiddelen en worden in beginsel dus niet gecorrigeerd bij het bepalen van de gecorrigeerde winst.
Dit is anders als bij de verkoop van een bedrijfsmiddel een verlies wordt verantwoord en er vlak voor verkoop eerst een afwaardering naar lagere bedrijfswaarde dient plaats te vinden. In zo’n geval wordt de afwaardering bij de winst geteld om tot de gecorrigeerde winst te komen.
Een vereenvoudigd cijfermatig voorbeeld kan dit verduidelijken: In 2019 wordt het bedrijfsmiddel verkocht met een verlies van 125. Dit verlies bestaat voor 100 uit een afwaardering naar lagere bedrijfswaarde en voor 25 uit een boekverlies. In 2019 zijn er daarnaast nog overige baten van 900.
Gecorrigeerde winst in 2019 Winst voor toepassing van 15b: 775 Afwaardering bedrijfsmiddel: 100 +/+ Gecorrigeerde winst: 875
Uiteraard geldt dat de exacte uitwerking afhankelijk is van de specifieke feiten en omstandigheden van de betreffende casus, daarnaast moet belastingplichtige aan kunnen tonen dat de afwaardering naar lagere bedrijfswaarde terecht is. Neem bij (rechts)vragen over het leerstuk van afwaarderen naar lagere bedrijfswaarde contact op met de Kennisgroep Winstbepaling.
4.4.3.2 Verkoop naar lagere bedrijfswaarde afgewaardeerd bedrijfsmiddel met winst
Wat is het effect op de gecorrigeerde winst als een bedrijfsmiddel dat in het verleden is afgewaardeerd naar lagere bedrijfswaarde wordt verkocht met een winst?
Bij het bepalen van de gecorrigeerde winst worden bedragen van op- en afwaarderingen van bedrijfsmiddelen die bij het bepalen van de fiscale winst in aanmerking zijn genomen, gecorrigeerd. Reguliere boekresultaten als gevolg van bijvoorbeeld een verkoop van een bedrijfsmiddel worden niet gecorrigeerd bij het bepalen van de gecorrigeerde winst.
Dit is anders als bij de verkoop van een bedrijfsmiddel dat in het verleden naar lagere bedrijfswaarde is afgewaardeerd, een winst wordt verantwoord, en er vlak voor verkoop een belaste opwaardering dient plaats te vinden. In zo’n geval wordt de eerdere afwaardering naar lagere bedrijfswaarde (deels) teruggenomen. Deze terugname van een eerdere afwaardering verlaagt de gecorrigeerde winst.
Een vereenvoudigd cijfermatig voorbeeld kan dit verduidelijken: In 2018 is een bedrijfsmiddel naar lagere bedrijfswaarde afgewaardeerd met een bedrag van 50. In 2019 wordt het bedrijfsmiddel verkocht met een winst van 100. In 2019 zijn er daarnaast nog overige baten van 900.
Gecorrigeerde winst in 2019 Winst voor toepassing van 15b: 1.000 Opwaardering: 50 -/- Gecorrigeerde winst: 950
Neem bij (rechts)vragen over het leerstuk van afwaarderen naar lagere bedrijfswaarde contact op met de Kennisgroep Winstbepaling.
4.4.3.3 Verkoop naar lagere bedrijfswaarde afgewaardeerd bedrijfsmiddel met winst en
HIR
Wat is het effect op de gecorrigeerde winst als een bedrijfsmiddel dat in het verleden is afgewaardeerd naar lagere bedrijfswaarde wordt verkocht met een winst en er een HIR wordt gevormd?
Als eerste moeten de eerder genomen afwaarderingen worden teruggenomen. Deze terugname verlaagt de gecorrigeerde winst. Voor dit bedrag kan geen HIR worden gevormd.
Vervolgens moet de ruimte voor een HIR worden vastgesteld. Deze ruimte bestaat uit het verschil tussen de verkoopopbrengst en het totaal van de boekwaarde en de terugname. De HIR verlaagt de winst en daarmee de gecorrigeerde winst.
Een vereenvoudigd cijfermatig voorbeeld kan dit verduidelijken: Boekwaarde 1000 afwaardering in jaar 1 200 -/- nieuwe boekwaarde 800
(stel) verkoop in jaar 2 1100
terugtellen afwaardering 200 winst op activa 100 (stel) overig resultaat 700 Saldo fiscale winstberekening 1000
Toepassing HIR 100 -/- Belastbare winst 900
Opwaardering (voor 15b) 200 -/- Gecorrigeerde winst 700
4.4.3.4 Liquidatieverlies
Is een liquidatieverlies een bij te tellen afwaardering van een bedrijfsmiddel? Nee. Voor zover een deelneming in waarde daalt en er een afwaardering plaatsvindt raakt deze de winst niet omdat de deelnemingsvrijstelling hierop van toepassing is. Het liquidatieverlies is een extra- comptabel bepaald be drag dat geen bij te tellen afwaardering of afschrijving is. Dit betekent dat een liquidatieverlies niet bij de winst wordt opgeteld om tot de gecorrigeerde winst te komen.
4.4.3.5 Samenloop opwaardering op grond van artikel 20a Wet Vpb en artikel 15b Wet
Vpb
Vormt een verhoging van de boekwaarde van een bezitting op grond van artikel 20a, twaalfde lid, Wet Vpb een terugname van een afwaardering zoals bedoeld in artikel 15b, derde lid, onderdeel b, Wet Vpb?
Nee, terugnamen van afwaarderingen tot lagere bedrijfswaarde zoals bedoeld in artikel 15b, derde lid, onderdeel b, Wet Vpb zien op herwaarderingen op grond van goedkoopmansgebruik. Artikel 20a, twaalfde lid, Wet Vpb staat een verhoging van de boekwaarde van een bezitting toe die niet in lijn is met goedkoopmansgebruik. Namelijk een herwaardering tot maximaal wev, ongeacht of er ooit een afwaardering
Zie Verkoop naar lagere bedrijfswaarde afgewaardeerd bedrijfsmiddel met winst Zie het besluit van 13 juli 2022, nr. 2022- 4487, paragraaf 2.10.
(tot lagere bedrijfswaarde) heeft plaatsgevonden. Een dergelijke verhoging kwalificeert daarom niet als een terugname van een eerdere afwaardering zoals bedoeld in artikel 15b, derde lid, onderdeel b, Wet Vpb.
4.4.4 Artikel 15b, derde lid, onderdeel c, Wet Vpb (saldo aan renten exclusief geactiveerde
rente)
Gereserveerd.
4.5 Artikel 15b, vierde lid, Wet Vpb (saldo aan rente minus objectvrijstelling)
4.5.1 Allocatie rentebaten en -lasten bij Nederlandse banken met een buitenlandse vaste
inrichting
Hoe kunnen voor de toepassing van artikel 15b, vierde lid, Wet Vpb rentebaten en -lasten worden gealloceerd bij Nederlandse banken met een buitenlandse vaste inrichting?
Artikel 15b, vierde lid, Wet Vpb regelt dat rente die moet worden toegerekend aan een buitenlandse vaste inrichting waarop de objectvrijstelling van toepassing is buiten aanmerking blijft bij het bepalen van het rentesaldo.
Bij banken is doorgaans sprake van een continu wisselende samenstelling van (extern) ingeleende en (extern) uitgezette gelden waarop de verschuldigde respectievelijk ontvangen rente continu fluctueert. In dat geval is het zeer lastig om de (externe) rentebaten en -lasten exact te alloceren aan het (Nederlandse) hoofdhuis en de (buitenlandse) vaste inrichting. Daarom kan – mede vanwege praktische overwegingen – voor het bepalen van het rentesaldo zoals bedoeld in artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb, onder voorwaarden worden aangesloten bij de allocatie die volgt uit de interne beprijzing op basis van het door de bank gehanteerde fund transferpricing systeem (FTP). Deze werkwijze is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval en vereist dat het FTP systeem een arms length passende allocatie van rentebaten en -lasten bewerkstelligt.
De bepaling van artikel 15b, vierde lid, Wet Vpb gaat vooraf aan de bepaling van artikel 15bd, tweede lid, onderdeel a, Wet Vpb (minimumkapitaalregel voor banken). Beide bepalingen zijn tekstueel vergelijkbaar en hebben dezelfde strekking. Ook hanteren de artikelen 15b en 15bd Wet Vpb dezelfde definitie van geldlening. Hetgeen hiervoor is opgemerkt over de allocatie van rentelasten geldt daarom ook voor de toepassing van artikel 15bd, tweede lid, onderdeel a, Wet Vpb.
4.6 Artikel 15b, vijfde lid, Wet Vpb (voort te wentelen rente)
4.6.1 Standaardtekst en beschikkingen
4.6.1.1 Standaardtekst en beschikkingen
Is er een tekst beschikbaar voor het opmaken van de beschikking tot "vaststelling van het voort te wentelen saldo aan renten van een jaar" ex. artikel 15b, vijfde lid,
Op de definitieve aanslag over het jaar waarin het saldo aan renten is ontstaan staat het bedrag aan voort te wentelen saldo aan renten afzonderlijk vermeld (artikel 15bb, eerste lid, Wet Vpb). De behandelaar hoeft normaal gesproken zelf geen beschikking af te geven. In VBN zijn de staffels van de belastingplichtigen te raadplegen. Zie verder ook (de voorbeeldteksten in) paragraaf 3.3 (‘Beschikkingen 15b’).
4.6.1.2 Wordt de voort te wentelen rente geautomatiseerd bijgehouden?
Wordt het bedrag van de voort te wentelen rente (ook) op de "elementenbalk" vermeld en wordt het daarmee ook vermeld bij de aanslag (of slechts bij aparte handmatige beschikking)?
Voortgewentelde rente wordt in EVBN bijgehouden. De beschikkingen worden gelijktijdig met het opleggen van de aanslagen opgelegd. In VBN zijn de staffels te raadplegen. In EVBN is het mogelijk de bedragen van de aanslag te raadplegen. Op het tweede scherm van de aanslag staat de dat jaar gestalde niet aftrekbare rente en het totaalsaldo aan nog te verrekenen rente vermeld.
4.6.2 In aftrek beperkte geactiveerde rente en voortwenteling latere jaren
Kan rente die als voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel in een eerder jaar niet is geactiveerd, omdat deze rente op grond van artikel 15b Wet Vpb in aftrek is beperkt en vervolgens is voortgewenteld, in een later jaar ten laste van de winst worden gebracht?
Ja. Dat kan voor zover het saldo aan renten in het latere jaar lager is dan de aftrekruimte van artikel 15b Wet Vpb.
Rente die als voorbrengingskosten van een bedrijfsmiddel op grond van artikel 15b Wet Vpb niet wordt geactiveerd én niet in aftrek komt, wordt voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb aangemerkt als voort te wentelen rente op basis van artikel 15b, vijfde lid, Wet Vpb. Voortgewentelde rente kan in een volgend jaar worden afgetrokken als er voldoende aftrekruimte is. Het effect kan zijn dat de in aftrek beperkte geactiveerde rente door de toepassing van artikel 15b Wet Vpb onder omstandigheden sneller ten laste van de winst kan worden gebracht dan in de situatie dat de rente zou zijn geactiveerd en zou zijn afgeschreven gedurende de afschrijvingstermijn van het bedrijfsmiddel.
Er hoeft in het latere jaar dus niet beoordeeld te worden of (een deel van) deze voortgewentelde rente toch geactiveerd dient te worden. Zie ook Nota naar aanleiding van het verslag:
‘De NOB vraagt om te bevestigen dat de 40 aan rentelasten uit het voorbeeld op pagina 52 van de artikelsgewijze toelichting in een later jaar in aftrek kan worden gebracht en dat in dat latere jaar niet (opnieuw) hoeft te worden vastgesteld of deze 40 rentelasten dienen te worden geactiveerd in de zin van artikel 8 Wet Vpb 1969,
Kamerstukken II 2018/19, 35030, nr. 7.
in samenhang met de artikelen 3.25 en 3.29b Wet IB 2001. Voorts vraagt de NOB te bevestigen of de cijfermatige uitwerking en toelichting in het voorbeeld een correcte uitwerking is van hetgeen in de artikelen 15b, zesde lid, onderdeel c, en artikel 15b, zevende lid, Wet Vpb 1969 is omschreven. De 40 in het genoemde voorbeeld wordt op grond van artikel 15b, vijfde lid, Wet Vpb 1969 aangemerkt als een saldo aan renten dat wordt voortgewenteld naar het volgende jaar en komt in aftrek bij het bepalen van de winst van dat jaar, voor zover het saldo aan renten van dat jaar lager is dan het hoogste van de bedragen, bedoeld in het artikel 15b, eerste lid, Wet Vpb 1969. De voortgewentelde rente van 40 komt in het volgende jaar in aftrek voor zover in dat jaar binnen de earningsstrippingmaatregel ruimte voor aftrek resteert.’
4.6.3 Verplicht karakter van de voortwenteling
Is het in aftrek brengen van een voortgewenteld saldo aan rente verplicht indien hier in een jaar ruimte voor bestaat?
Ja, het in aftrek brengen van een voortgewenteld saldo aan rente heeft een verplicht karakter.
De wettekst geeft geen keuzemogelijkheid. Ook uit de parlementaire behandeling volgt het verplichte karakter van de voortwenteling.
“'De leden van de fractie van het CDA vragen of belastingplichtigen de drempel van € 1 miljoen kunnen inzetten om voortgewentelde rente mee te verrekenen en of belastingplichtigen hiertoe verplicht zijn. (…). Indien er ruimte is voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten is de belastingplichtige gehouden om deze ruimte ook daadwerkelijk te benutten.”
4.6.4 In aftrek brengen van een voort te wentelen saldo aan rente in een later jaar
Kan de bij beschikking vastgestelde voort te wentelen rente in een later jaar gesaldeerd worden met rentebaten als bedoeld in artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb?
Nee. De bij beschikking vastgestelde voort te wentelen rente kan niet gesaldeerd worden met rentebaten in een later jaar. Deze gestalde rente wordt dus niet tot het rentesaldo van een later jaar gerekend. Voort te wentelen rente kan alleen verrekend worden als er in een later jaar voldoende aftrekruimte op grond van het rentesaldo of de gecorrigeerde winst is.
NnavV, Kamerstukken II 2018/19, 35030, nr. 7, p. 22.
4.7 Artikel 15b, zesde lid, Wet Vpb (Wettelijke definities)
4.7.1 Artikel 15b, zesde lid, onderdeel a, Wet Vpb (geldlening of Met Een Geldlening
Vergelijkbare Overeenkomst (“MEGVO”)
4.7.1.1 Spaardeposito’s en artikel 15b Wet Vpb
Is een spaardeposito een geldlening?
Ja. Een spaardeposito is een geldlening in de zin van artikel 7:129 BW. Ook in de parlementaire toelichting bij artikel 15bd Wet Vpb is expliciet benoemd dat ook spaardeposito’s onder de toepassing van artikel 15bd Wet Vpb vallen. Het rentebegrip van artikel 15b Wet Vpb en 15bd Wet Vpb is gelijk.
4.7.1.2 Extendible lening door een embedded derivaat
Is een extendible lening een overeenkomst van geldlening of een met een geldlening vergelijkbare overeenkomst (MEGVO)?
Ja. Een extendible lening is een naam voor een overeenkomst van geldlening met meerdere rentetijdvakken, waarbij de schuldeiser de optie heeft en dus kan bepalen of een nieuwe rentetijdvak ingaat. Een dergelijke optie wordt ook wel embedded derivaat genoemd. De bijzondere bepalingen omtrent de rente en de looptijd doen niet af aan de juridische kwalificatie als overeenkomst van geldlening. Zie ook het antwoord over de waardemutaties van het embedded derivaat bij een extendible lening in deze syllabus.
4.7.1.3 Vormen van een Met Een Geldlening Vergelijkbare Overeenkomst (“MEGVO”)
Wat zijn evidente voorbeelden van een MEGVO?
In de parlementaire geschiedenis zijn financiële lease en huurkoop als een voorbeeld gegeven. Ook kan gedacht worden aan koop op afbetaling. Deze (evidente) voorbeelden vormen geen limitatieve opsomming. Neem contact op met de CTC als je te maken hebt met een financieringsvorm die mogelijk een MEGVO kan zijn .
4.7.1.4 Concept toetskader voor bepalen of sprake is van een MEGVO in de zin van
artikel 15b Wet Vpb
Welke elementen zijn c.q. kunnen van belang zijn om te bepalen of er sprake is van een met een geldlening vergelijkbare overeenkomst (MEGVO)?
NvW, Kamerstukken II 2019/20, 35 302, nr. 14, p. 1- 3. Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 39.
De volgende elementen/vragen kunnen van belang zijn om te bepalen of sprake is van een MEGVO. – Is er een overeenkomst en weerspiegelt de overeenkomst de feitelijke transactie? – Is er een hoofdsom c.q. wordt er koopkracht afgestaan aan de debiteur? – Is er een (terug)betalingsverplichting? – Wordt er bij debiteur en crediteur een (rentedragende) schuld/vordering onderkend op de fiscale (en commerciële) balans? – Houdt de (initiële) waarde van de geldvordering/- schuld voldoende verband met de waarde van hetgeen verstrekt is? Een geldvordering/-schuldverhouding kan betrekking hebben op een andere prestatie dan de verstrekking van een geldsom (bijv. ingeval van huurkoop), maar de afwikkeling vindt plaats in geld . – Is er rente c.q. een (betalings)verplichting die in economische zin vergelijkbaar is met rente? Kortom wordt er een vergoeding in geld betaald/ontvangen voor het ter beschikking stellen van geld? Het maakt daarbij niet uit dat de rente door jaarlijkse waardering van de vordering/verplichting tot uitdrukking komt of dat de rente zelfstandig wordt geboekt zoals bij een reguliere geldlening. Wel is van belang of debiteur en crediteur een rentelast/bate onderkennen.
Neem contact op met de CTC bij de vraag of er sprake is van een MEGVO .
4.7.1.5 Kortlopend leverancierskrediet en MEGVO
Is er bij een kortlopend leverancierskrediet sprake van een MEGVO?
Nee. Bij een kortlopend leverancierskrediet is geen sprake van een MEGVO. In de parlementaire geschiedenis bij artikel 15ad (oud) en artikel 10d (oud) Wet Vpb 1969 wordt het volgende daarover opgemerkt:
‘Een kortlopend leverancierskrediet is geen geldlening en wordt dus voor de regeling niet als vreemd vermogen aangemerkt.’
4.7.1.6 Consumentenvorderingen
Is er bij consumentenvorderingen sprake van een MEGVO?
Het antwoord op deze vraag is sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Met de term consumentenvorderingen wordt gedoeld op vorderingen op consumenten, maar deze vorderingen kunnen verschillende vormen hebben . De wetgever heeft bevestigd dat bij huurkoop en financiële lease sprake is van een MEGVO. Beide vormen zijn vergelijkbaar met koop op afbetaling. Vorderingen op consumenten die dit karakter hebben, vallen dus onder de reikwijdte van artikel 15b Wet Vpb.
Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, p. 89; Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, p. 24 en Kamerstukken II 2003/04 29 210, nr. 8, p. 17- 18. Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 39.
Denkbaar is dat een consument verplichtingen niet nakomt uit hoofde van een overeenkomst en er een vordering op deze consument ontstaat. Gedacht kan worden aan het niet betalen van rekeningen van een telecomaanbieder. Op basis van de juridische leverings- en betalingsvoorwaarden van de betreffende overeenkomst kan sprake zijn van een voorwaardelijke koop op afbetaling. Een consumentenvordering ontstaan uit hoofde van een overeenkomst die geen financiële lease, huurkoop of koop op afbetaling vormt, transformeert dan bij niet tijdig betalen tot een koop op afbetaling. De leverings- en betalingsvoorwaarden dienen dan de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van een voorwaardelijke koop op afbetaling.
4.7.1.7 Schuld met wettelijke rente bij niet nakomen van een overeenkomst
Is een schuld met wettelijke rente als gevolg van het niet-nakomen van de verplichting tot betaling uit hoofde van een overeenkomst een MEGVO voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb?
Denkbaar is dat verplichtingen uit hoofde van een overeenkomst niet worden nagekomen en er een vordering tot betaling na ingebrekestelling ontstaat. Als er geen bijzondere afspraken zijn gemaakt over verschuldigde rente bij niet- nakoming van de overeenkomst dan geldt de regeling van de wettelijke rente van artikel 6:119 en van artikel 6:119a BW. Wettelijke rente is juridisch gezien een schadevergoeding die verschuldigd wordt omdat een verbintenis niet tijdig wordt nagekomen (verlies van koopkracht). Het liquiditeits- of rentenadeel dat door het niet nakomen van een verbintenis ontstaat, wordt dan door de wettelijk vastgestelde rentevoet op forfaitaire wijze bepaald. Het voorgaande heeft tot gevolg dat er in een overeenkomst mogelijk een voorwaardelijke MEGVO ligt besloten als die overeenkomst niet wordt nagekomen en er als gevolg van het niet nakomen van de daarin besloten verbintenis een betalingsverplichting ontstaat (bijvoorbeeld bij een koopovereenkomst) of reeds aanwezig is (bijvoorbeeld bij een huur- of pachtovereenkomst). Omdat degene aan wie de wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat de onderliggende overeenkomst niet wordt nagekome n in feite de schuldenaar financiert is er sprake van een MEGVO en wordt de wettelijke rente tot het saldo aan renten gerekend.
4.7.1.8 Non-recourse factoring (debiteurenbeheer)
Is bij zogenoemde non-recourse factoring sprake van een overeenkomst van geldlening of een MEGVO?
Nee. Non-recourse factoring (ook wel: old line factoring of factoring zonder verhaal op de leverancier) kenmerkt zich door het feit dat de factormaatschappij (de factor) de debiteurenadministratie voert, de vorderingen bewaakt en int en het kredietrisico overneemt. Het risico op oninbaarheid van de vordering (debiteuren/insolventierisico) wordt aldus gedragen door de factor. De factor neemt het insolventierisico volledig over van de partij die de vorderingen aan de factor overdraagt of levert (de overdrager of leverancier). De factor betaalt aan de leverancier een overeengekomen bedrag voor de overgenomen vordering inclusief het insolventierisico.
Factorovereenkomst De non-recourse factorovereenkomst zal niet kwalificeren als een overeenkomst van geldlening of MEGVO. Bij non-recourse factoring is sprake van de (ver)koop van (een) vordering(en) waarbij geen sprake is van een terugbetalingsverplichting van de factor aan de overdrager. Ook wordt er geen vordering onderkend tussen de overdrager en factormaatschappij.
Overgedragen vorderingen Bij non-recourse factoring is in feite sprake van de verkoop van vorderingen aan de factormaatschappij. Deze vorderingen kunnen zelfstandig bezien wel een geldlening of MEGVO zijn.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat er diverse vormen van factoring zijn. Het is daarom van groot belang om goed inzicht te krijgen in de feiten en omstandigheden. In algemene zin is factoring een vorm van werkkapitaalverschaff ing waarbij de factor een debiteurenportefeuille (vorderingen) overneemt van een overdragende partij. De gedachte hierbij is dat de overdrager/leverancier sneller de liquide middelen ontvangt dan bij het zelfstandig innen van de vorderingen het geval zal zijn. De overdrager/leverancier betaalt hiervoor een prijs. In de praktijk wordt onderscheid gemaakt tussen diverse vormen van factoring, waarbij kenmerkende verschillen bijvoorbeeld het niveau van de dienstverlening door de factor (bijv. het volledig overnemen van de administratie) maar ook de risicoallocatie tussen de factor en de leverancier, zoals het debiteuren/insolventierisico, zijn.
4.7.1.9 Recourse factoring
Is bij recourse factoring sprake van een overeenkomst van geldlening of een MEGVO?
Er is mogelijk sprake van een MEGVO. Bij recourse factoring (ook wel: factoring met verhaal op de leverancier) blijft het faillissementsrisico achter bij de afnemer van de factoringsdienst (i.e. de oorspronkelijke crediteur). Dit kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het feit dat de oorspronkelijke crediteur een garantie afgeeft. Slechts het juridisch eigendom gaat over naar de factormaatschappij. Recourse factoring heeft kenmerken van een korte termijn lening. Er is geen sprake van een overeenkomst van geldlening, maar afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval is er mogelijk sprake van een MEGVO.
Opgemerkt wordt dat factoring in de praktijk diverse vormen kan aannemen. De CTC verzoekt dergelijke casusposities voor te leggen.
4.7.1.10 Interest rate swaps (renteswapovereenkomsten)
Zijn renteswapovereenkomsten een MEGVO?
Zie ook de uitspraak van Rechtbank Zeeland-Westbrabant van 14 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2388.
Nee. Renteswapovereenkomsten zijn derivaten die veelal in een aparte overeenkomst zijn vastgelegd. Dergelijke overeenkomsten kunnen volgens het hiervoor behandelde toetskader niet als een overeenkomst van geldlening of als een MEGVO beschouwd te worden. Zo is er geen hoofdsom en wordt er geen koopkracht gecreëerd.
4.7.1.11 Securities lending en MEGVO
Is er bij securities lending sprake van een MEGVO?
In beginsel niet. Het verschil tussen een overeenkomst van geldlening en securities lending is de aard van het uitgeleende. Er wordt bij securities lending geen geld uitgeleend maar aandelen. Hoewel er net als bij een geldlening sprake is van een verbruikleenovereenkomst bij securities lending en de securities lending op geld kan worden gewaardeerd, is geen sprake van een MEGVO omdat de transactie niet ziet op de verstrekking van geld en niet in geld wordt afgewikkeld. Securities lending zal normaal gesproken ook beperkt zijn tot financiële partijen die actief zijn op aandelenbeurzen, e.d. Op basis van de hiervoor genoemde criteria is er bij securities lending daarom geen sprake van een met een geldlening vergelijkbare overeenkomst. Dit is anders als een securities lending overeenkomst in feite een vermomde geldlening is. Neem bij twijfel contact op met de CTC.
4.7.1.12 DBFMO en MEGVO
Is er bij een DBFMO,-contract (Design Build Finance Maintain Operate) sprake van een MEGVO?
Een Design, Build, Finance, Maintain and Operate-contract (DBFMO-contract) is een contractsvorm waarbij de opdrachtnemer verantwoordelijk is voor het ontwerp, de bouw, de financiering, het onderhoud en de exploitatie van een Publiek-Private Samenwerking (PPS)-project. Hierbij kan worden gedacht aan een penitentiaire inrichting of een kantoor van de Rijksoverheid. De opdrachtgever betaalt vanaf het moment dat het project voor gebruik beschikbaar is periodiek een zogenoemde beschikbaarheidsvergoeding. Onderdeel van het DBFMO-contract is het zogenoemde ‘financieel model.’ Uit dit financieel model volgt welke componenten van de beschikbaarheidsvergoeding betrekking hebben op de aflossing van de hoofdsom en de in rekening gebrachte rente. Opdrachtnemer en opdrach tgever verwerken die componenten ook als zodanig. Gelet op het voorgaande omvat een DBFMO -contract op basis van het hiervoor uiteengezette beoordelingskader ook een met een geldlening vergelijkbare overeenkomst.
4.7.1.13 Rekening- courantverhoudingen en een schuldverhouding voortvloeiend uit een
cashpool-overeenkomst
Is er bij een rekening-courantverhouding met een groepsmaatschappij en een schuldverhouding voortvloeiend uit een cashpool- overeenkomst sprake van een MEGVO?
Dit hangt af van de feiten en omstandigheden van het geval. In de parlementaire geschiedenis wordt bij artikel 10d (oud) Wet Vpb opgemerkt:
‘Niet alleen leningen van een vast bedrag maar ook vorderingen in rekening-courant kunnen onder het begrip geldlening vallen. Of de schuldverhouding voortvloeiend uit een cashpool-overeenkomst onder het begrip geldlening valt, is afhankelijk van de wijze waarop die overeenkomst is vormgegeven.'
De specifieke feiten en omstandigheden zijn van belang voor de vraag of sprake is van een MEGVO. Neem bij twijfel contact op met de CTC.
4.7.1.14 Betalingskorting bij een snelle betaling door een debiteur – rente?
Is er bij een betalingskorting bij een snelle betaling door een debiteur sprake van rente?
Nee. Bij een vordering die nog niet uit de betalingstermijn is gelopen, is geen sprake van een geldlening of een MEGVO. De betalingskorting die dan eventueel wordt verleend is dan ook niet aan te merken als rentelast of rentebate in de zin van artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb.
4.7.1.15 Overeenkomst tot verkoop van toekomstige royaltykasstromen
Is een overeenkomst tot verkoop van toekomstige royaltykasstromen een MEGVO?
Het betreft hier een overeenkomst op grond waarvan een partij rechten op toekomstige kasstromen, zijnde de te ontvangen royalty’s, verkoopt aan een niet – gelieerde partij en het bedrag/de koopprijs ineens wordt ontvangen. Op basis van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval heeft de Kennisgroep Winstbepaling geoordeeld dat de verkopende partij de ontvangst van de koopsom uit de overeenkomst heeft gerealiseerd en derhalve tot de winst dient te rekenen. Zie het antwoord van de Kennisgroep Winstbepaling, KG:213:2025:9.
Het vorengaande betekent dat geen sprake is van een MEGVO. Denkbaar is dat vergelijkbare overeenkomsten bestaan voor andere vormen van toekomstige kasstromen. De CTC verzoekt dergelijke casussen te melden.
NV, Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 25, p. 30.
4.7.1.16 Uitgestelde betaling deel koopsom sociale huurwoning en MEGVO?
Vormt een uitgestelde betaling voor een deel van de koopsom van een sociale huurwoning van een woningcorporatie die wordt verkocht aan de huurder een MEGVO?
Dergelijke casus(sen) beantwoordt de CTC aan de hand van het toetsingskader van een MEGVO.
Het antwoord zal telkens afhangen van de relevante feiten en omstandigheden van de individuele casus.
Zo is geen sprake van een MEGVO als de resterende koopsom wordt vastgesteld op basis van de werkelijke waarde van de woning op het moment van tussentijdse betaling of doorverkoop van deze woning. De woningcorporatie houdt dan namelijk belang bij de waardeontwikkeling van de woning. De waardeontwikkeling is in economische zin niet vergelijkbaar met rente en er is geen rentecomponent te onderkennen in deze latere betaling of bij doorverkoop.
Er zijn ook andere situaties denkbaar. De CTC verzoekt om contact op te nemen bij vergelijkbare casus.
4.7.1.17 Erfpachtovereenkomst en MEGVO?
Vormt een erfpachtovereenkomst een MEGVO?
Aan de CTC zijn verschillende vragen voorgelegd over het onderkennen van een rentebate in ontvangen erfpachtcanon betalingen.
Dergelijke casus beantwoordt de CTC aan de hand van het toetsingskader van een MEGVO.
Het antwoord zal telkens afhangen van de relevante feiten en omstandigheden van de individuele casus.
Een erfpachtovereenkomst kan in beginsel niet kwalificeren als een MEGVO omdat erfpacht een vergoeding voor het gebruik van grond is. Vormt een erfpachtovereenkomst echter een onderdeel van een meer omvattende financiële overeenkomst, let dan goed op.
Indien sprake is van kenmerkende elementen uit het Fagoed arrest (HR 10 april 1996, nr. 30 637, BNB 1996/274) – dus verkoop en verplichte terugkoop op termijn – dan kan sprake zijn van een terugbetalingsverplichting. Denk hierbij aan een terugkoopverplichting van de bloot eigendom, na ommekomst van een vooraf vastgestelde (niet eeuwigdurende) termijn. Is geen terugkoopverplichting van de bloot eigendom overeengekomen dan zal er geen sprake zijn van een MEGVO omdat er geen terugbetalingsverplichting is.
Er zijn ook andere situaties denkbaar. De CTC vraagt in die gevallen om contact op te nemen.
4.7.2 Artikel 15b, zesde lid, onderdeel b, Wet Vpb (kosten ter zake van geldleningen en
ter zake van rechtshandelingen die strekken tot het afdekken van renterisico’s of valutarisico’s ter zake van geldleningen)
4.7.2.1 Voorbeelden van kosten ter zake van geldleningen
Wat zijn voorbeelden van kosten ter zake van geldleningen?
Op grond van artikel 15b, zesde lid, onderdeel b, Wet Vpb worden onder rentelasten mede kosten ter zake van geldleningen begrepen. In de parlementaire geschiedenis zijn afsluitkosten, advieskosten, kosten van bemiddeling, kosten ter zake van het opstellen van een overeenkomst van geldlening, registratiekosten, afsluitprovisies, garantieprovisies en boeterente als voorbeelden genoemd.
4.7.2.2 Commitment fees
Zijn commitment fees kosten ter zake van een geldlening in de zin van artikel 15b, zesde lid, onderdeel b, Wet Vpb?
Nee. Een commitment fee is een vergoeding die wordt betaald aan de kredietverstrekker over het deel van een geldlening dat (nog) niet is uitgeleend, maar waarvoor de kredietverstrekker wel een bedrag beschikbaar moet houden. Commitment fees en bereidstellingsprovisies komen in de praktijk onder meer voor bij revolving credit facilities en overbruggingsfinancieringen. In feite worden er kosten betaald, terwijl er (nog) geen geldmiddelen op de overeenkomsten worden verstrekt. Als op grond van de overeenkomst(en) pas een geldlening tot stand komt voor zover er geld wordt getrokken, zijn commitment fees op basis van de wettekst en toelichting geen rente of kosten ter zake van een geldlening voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb.
4.7.2.3 Artikel 15b Wet Vpb en kosten van een revolving credit facility
Hoe werkt artikel 15b Wet Vpb uit met betrekking tot betaalde fees voor revolving credit facilities (niet zijnde commitment fees).
De CTC verzoekt dergelijke casusposities te voor te leggen.
4.7.2.4 Afschrijving van vóór 1 januari 2019 geactiveerde financieringskosten ter zake
van een geldlening
Wordt de jaarlijkse afschrijving/vrijval van vóór 1-1-2019 geactiveerde en/of gepassiveerde (eenmalige) financieringskosten ter zake van een geldlening gekwalificeerd als een rentelast in de van artikel 15b lid 6, onderdeel b, Wet Vpb?
Ja. In dit antwoord worden twee methoden beschreven . Beide methoden leiden tot het constateren van een jaarlijkse rentelast na 1-1-2019 in de zin van artikel 15b, lid 6, onderdeel b, Wet Vpb . Hieronder volgt een voorbeeld.
Optie 1: De (eenmalige) financieringskosten van € 30.000.000 worden in of voor 2018 apart op de balans geactiveerd als transitorische post die gedurende de looptijd van de lening (20 jaar) wordt afgeschreven. Afschrijving: € 1.500.000 A/geact. financieringskosten: € 1.500.000 De jaarlijkse afschrijving van € 1.500.000 kwalificeert per 1 januari 2019 als rentelast voor artikel 15b, lid 6, onder b, Wet Vpb.
Optie 2: De (eenmalige) financieringskosten van € 30.000.000 worden in of voor 2018 van de nominale waarde van de schuld afgeboekt, de schuld groeit gedurende de looptijd vervolgens weer aan naar de nominale waarde. De schuld dient jaarlijks aan te groeien met € 30.000.000/20 = € 1.500.000. (Financierings- )kosten: € 1.500.000 a/ Schuld: € 1.500.000 Het jaarlijks in aanmerking genomen bedrag van € 1.500.000 kwalificeert per 1 januari 2019 als rentelast voor artikel 15b, lid 6, onder b, Wet Vpb. Ook is het belastingplichtigen toegestaan om de kosten in het jaar waarin de uitgaaf plaatsvindt ineens te nemen. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:469.
4.7.2.5 Garantstellingsvergoeding bij de betaler en artikel 15b Wet Vpb
Valt een garantstellingsvergoeding bij de betaler onder het bereik van artikel 15b Ja. Artikel 15b, zesde lid, onderdeel b, Wet Vpb bevat voor rentelasten een uitbreiding die als volgt is toegelicht in de memorie van toelichting:
‘Het zesde lid, onderdeel b, van genoemd artikel 15b regelt dat voor de toepassing van dat artikel mede onder rentelasten ter zake van geldleningen worden begrepen kosten ter zake van geldleningen alsmede ter zake van rechtshandelingen die strekken tot het afdekken van renterisico’s of valutarisico’s ter zake van geldleningen. Hierbij moet primair worden gedacht aan juridische financieringskosten ter zake van geldleningen alsmede ter zake van bedoelde afdekkingsinstrumenten. Dit betreffen bijvoorbeeld afsluitkosten, advieskosten, kosten van bemiddeling, kosten ter zake van het opstellen van een overeenkomst van geldlening, registratiekosten, afsluitprovisies, garantieprovisies en boeterente.’
Raadpleeg bij twijfel of de fiscale verwerking gevolgd kan worden de Kennisgroep Winstbepaling
De betaalde garantievergoeding loopt dus als kostenpost mede mee als rentelast in het saldo aan renten voor artikel 15b Wet Vpb en wordt mogelijk dus in aftrek beperkt.
4.7.2.6 Garantstellingsvergoeding bij de ontvanger en artikel 15b Wet Vpb
Valt een garantstellingsvergoeding bij de ontvanger onder het bereik van artikel 15b
Nee. Ontvangen garantstellingsvergoedingen vallen niet onder het economische rentebegrip, omdat het geen vergoeding voor het verstrekken van vermogen vormt, maar een vergoeding voor het garant staan voor de nakoming van de verplichtingen van het lichaam dat de schuld heeft opgenomen. Kortom er is geen sprake van een rentebate in de zin van artikel 15b Wet Vpb.
4.7.2.7 Obligo
Is obligo betaald door een wo ningcorporatie ter aanzuivering van het risicokapitaal van het WSW aan te merken als kosten ter zake van een geldlening, zoals bedoeld in artikel 15b, zesde lid, onderdeel b, Wet Vpb?
Nee. Een woningcorporatie is voor de financiering aangewezen op de kapitaalmarkt. Om de kapitaalmarkt toegankelijk te maken is het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (hierna: WSW) opgericht. Het WSW fungeert als een waarborgmaatschappij. Als een bij het WSW aangesloten woningcorporatie een lening bij een bank aangaat, dan staat het WSW borg. Als in enig jaar het risicokapitaal van het WSW te laag wordt moeten de bij WSW aangesloten woningcorporaties op grond van artikel 18 van het Reglement van Deelneming het risicokapitaal van WSW aanvullen. Deze verplichte bijstorting wordt in dit Reglement het obligo genoemd. Het Reglement van Deelneming is in zoverre geen geldlening of MEGVO. Het obligo vormt daarom geen kosten ter zake van een geldlening zoals bedoeld in artikel 15b, zesde lid, letter b, Wet Vpb.
4.7.3 Artikel 15b, zesde lid, onderdeel c, Wet Vpb (valutaresultaten ter zake van
geldleningen, alsmede resultaten ter zake van rechtshandelingen die strekken tot het afdekken van renterisico’s of valutarisico’s ter zake van geldleningen)
4.7.3.1 Gepassiveerd agio op een renteswap
Kan de jaarlijkse vrijval van de gepassiveerde waarde van een renteswap worden aangemerkt als een rentebate voor de bepaling van de aftrekbeperking ingevolge artikel 15b Wet Vpb?
Ja, onder bepaalde omstandigheden. Deze omstandigheden betreffen een situatie waarin ingevolge een wetswijziging belastingplicht voor de Wet Vpb is ontstaan. Daardoor is op de openingsbalans de negatieve waarde van een afgesloten
Het Reglement van Deelneming is vastgesteld door WSW en ziet op de relatie tussen WSW en de deelnemende corporaties.
renteswap gepassiveerd. De marktrente op het moment van het opstellen van de openingsbalans was namelijk lager dan de rente uit hoofde van de swap- overeenkomst. De waarde van de swap is dan gelijk aan de contante waarde van het verschil tussen de betalingen die uit hoofde van de overeenkomst betaald dienen te worden en de contractuele rente. De marktrente vormt de verdisconteringsfactor. Het betreft een zogenoemde cash-flow hedge. Uiteindelijk is aan het einde van de looptijd van het contract de waarde nihil. De negatieve waarde die op de openingsbalans wordt opgenomen, zal namelijk amortiseren of vrijvallen gedurende de looptijd.
De eerste vraag is of een dergelijk derivaat een overeenkomst van geldlening of een Met Een Geldlening Vergelijkbare Overeenkomst (“MEGVO”) vormt. Hier is geen sprake van. De swap is een separaat contract en staat deze los van een geldlening. De swap is geen MEGVO.
Artikel 15b, zesde lid, onderdeel c, Wet Vpb bepaalt echter dat onder rentelasten ter zake van geldleningen en rentebaten ter zake van geldleningen mede zijn begrepen resultaten ter zake van rechtshandelingen die strekken tot het afdekken van renterisico’s ter zake van geldleningen.
De swap is een voorbeeld van een dergelijke rechtshandeling. De vervolgvraag is of de swap strekt tot het afdekken van renterisico’s ter zake van geldleningen. Het derivaat was in casu afgesloten ter afdekking van het renterisico op een tweetal leningen. Voor zover de vrijval (ook wel amortisatie) betrekking heeft op de afdekking van leningen met een variabele rente waardoor sprake is van een perfecte hedge kan de vrijval worden bestempeld als een rentebate in de betekenis van artikel 15b, zesde lid, onderdeel c, Wet Vpb. Voor zover dit niet het geval is, is sprake van een speculatief deel van de swap en kan de vrijval niet worden aangemerkt als rentebate in zin van artikel 15b Wet Vpb omdat geen rente- of valutarisico’s ter zake van een geldlening worden afgedekt.
4.7.3.2 Resultaat renteswapovereenkomst door ander dan belastingplichtige aangegaan
Kwalificeert het resultaat op een renteswapovereenkomst ook als rentelast of rentebate ter zake van een geldlening indien de geldlening door een ander dan de belastingplichtige wordt aangegaan?
Nee. Het resultaat op de renteswapovereenkomst kwalificeert enkel als rentelast of rentebate indien sprake is van een rechtshandeling die strekt tot het afdekken van renterisico’s (of valutarisico’s) ter zake van een geldlening. Hiervoor moet zowel de renteswapovereenkomst als de geldlening waarop de renteswap betrekking heeft door dezelfde belastingplichtige zijn aangegaan.
4.7.3.3 Artikel 15b en resultaten op de waardering van een interest rate swap met
mandatory break clausule als gevolg van een wijziging in de marktrente
Is het resultaat van een interest rate swap met een mandatory breakclausule, die op de fiscale balans gewaardeerd wordt, als gevolg van wijzigingen in de marktrente aan te merken als rente voor artikel 15b Wet Vpb?
Ja. Indien de interest rate swap dient om het renterisico op een geldlening af te dekken is het gehele resultaat aan te merken als rente voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb.
Een interest rate swap die is afgesloten ter zake van een geldlening met het oogmerk om een renterisico op die geldlening af te dekken valt onder de reikwijdte van artikel 15b, zesde lid, onderdeel c, Wet Vpb. Een dergelijke combinatie van een geldlening en een interest rate swap wordt ook een swapcombinatie genoemd (zie hiervoor HR 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:312, BNB 2022/61 ). In de interest rate swap overeenkomst kan een zogenoemde mandatory break clausule opgenomen zijn. Een dergelijke clausule bepaalt dat de interest rate swap bijvoorbeeld 10 jaar na de datum van afsluiten verplicht wordt beëindigd, ondanks het feit dat de looptijd van de swap bijvoorbeeld 40 jaar is.
De Kennisgroep Winstbepaling heeft een standpunt ingenomen over de waardering van een interest rate swap met een mandatory break clausule. Kort gezegd is daarbij het standpunt ingenomen dat een belastingplichtige de waardeverandering van een interest rate swap mag nemen voor zover deze last betrekking heeft op de periode ná de mandatory break tot aan de einddatum van de interest rate swap (de mandatory break last).
Het feit dat een interest rate swap een mandatory break datum kent, brengt niet met zich mee dat de swap als zodanig speculatief is geworden of zijn doel niet meer bereikt. De last die genomen mag worden tijdens de periode waarin sprake is van een swapcombinatie is een resultaat op een rechtshandeling die strekt tot het afdekken van renterisico’s en valt daarom onder artikel 15b, zesde lid, onderdeel c, Wet Vpb. Dit is in lijn met de parlementaire geschiedenis, waarin het volgende is opgenomen.
“Het zesde lid, onderdeel c, van genoemd artikel 15b regelt dat onder rentelasten ter zake van geldleningen en rentebaten ter zake van geldleningen ook de valutaresultaten ter zake van geldleningen worden begrepen. Het gaat hierbij zowel om de valutaresultaten op de hoofdsom als om valutaresultaten op de rentetermijnen. Daarnaast worden in het zesde lid, onderdeel c, van genoemd artikel 15b de (positieve en negatieve) resultaten op de afdekkingsinstrumenten van renterisico’s of valutarisico’s ter zake van geldleningen onder de reikwijdte van het begrip rentelasten ter zake van geldleningen, onderscheidenlijk rentebaten ter zake van geldleningen, gebracht.”
N.B. Vanwege de geconstateerde vragen uit de praktijk over interest rate swaps, wijst de CTC er expliciet op dat zij beschikbaar is voor verdere uitleg en bijstand bij de behandeling van posten waarin deze problematiek zich voordoet.
Zie hiervoor het antwoord van de Kennisgroep Winstbepaling (KG:213:2024:1) , 4 januari 2024. Kamerstukken II, 2018–2019, 35 030, nr. 3, p. 39.
4.7.3.4 Artikel 15b Wet Vpb en resultaten bij afkoop, doorzak of overdracht van een
interest rate swap met mandatory break clausule
Is het resultaat dat wordt behaald op een interest rate swap met een mandatory break clausule bij afkoop, doorzak of overdracht daarvan een resultaat in de zin van artikel 15b, zesde lid, letter c, Wet Vpb?
Ja. Het afkopen, ‘doorzakken’ of overdragen leidt tot het nemen van resultaat. Dit resultaat betreft de afwikkeling van een swapcombinatie en valt daarmee binnen de periode dat sprake is van een swapcombinatie. Een dergelijk resultaat is aan te merken als resultaat op een rechtshandeling die strekt tot het afdekken van renterisico’s en valt daarom onder artikel 15b, zesde lid, onderdeel c, Wet Vpb .
N.B. Vanwege de geconstateerde vragen uit de praktijk over interest rate swaps, wijst de CTC er expliciet op dat zij beschikbaar is voor verdere uitleg en bijstand bij de behandeling van posten waarin deze problematiek zich voordoet.
4.7.3.5 Artikel 15b Wet Vpb en de amortisatie van agio op een nieuwe vastrentende
lening na doorzak van een interest rate swap
Is de amortisatie (bate) op het agio van een nieuw afgesloten vastrentende lening na de doorzak van een interest rate swap een rentebate voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb?
Ja. De amortisatie van het agio op de nieuw afgesloten vastrentende lening is een bate en deze bate is aan te merken als rentebate voor artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb. Dit is te vergelijken met de situatie waarin een belastingplichtige een lening aangaat boven of onder pari. De amortisatie van een lening met agio dan wel de oprenting van een lening met disagio behoort volgens de parlementaire geschiedenis tot het rentebegrip van artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb.
N.B. Het antwoord op deze vraag over de interest rate swap met een mandatory break clausule bewerkstelligen een evenwichtige uitwerking. Zoals hiervoor vermeld wordt de last die is genomen als gevolg van de negatieve waarde van de interest rate swap als rentelast in aanmerking genomen voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb. Het agio op de nieuwe vastrentende lening is ontstaan als gevolg van de doorzak. De negatieve waarde van de interest rate swap is doorgezakt/verdisconteerd in de nieuwe vastrentende lening. De amortisatie van dit agio wordt als rentebate in aanmerking in aanmerking genomen.
Vanwege de geconstateerde vragen uit de praktijk over interest rate swaps, wijst de CTC er expliciet op dat zij beschikbaar is voor verdere uitleg en bijstand bij de behandeling van posten waarin deze problematiek zich voordoet.
Met een doorzak wordt bedoeld de situatie waarin de swapcombinatie wordt omgezet in een lening met een vaste rente. Zie Kamerstukken II 2018/19, 35030, nr. 3, p. 37 en Kamerstukken I 2018/19, 35030, nr. C, p. 10.
4.7.3.6 Samenloop artikel 13ba Wet Vpb en artikel 15b Wet Vpb
Kwalificeert een correctie op grond van artikel 13ba, eerste lid, Wet Vpb ter zake van een teruggenomen valutaverlies op een vordering als een rentebate ter zake van geldleningen in de zin van artikel 15b, zesde lid, onderdeel c, Wet VPB?
Nee, een correctie door artikel 13ba, eerste lid, Wet Vpb is geen onderdeel van het saldo aan rente in de zin van artikel 15b Wet Vpb.
De correctie door artikel 13ba Wet Vpb vormt geen valutawinst, maar is een bijtelpost gelijk aan de eerder genomen afwaardering. De correctie kwalificeert daardoor niet als rentebate, maar als een verplichte bijtelpost bij het bepalen van de winst voor giftenaftrek.
Het maakt voor het antwoord niet uit of de afwaardering en de correctie door 13ba Wet Vpb in hetzelfde jaar of in verschillende jaren plaatsvindt.
Voorbeeld In 2022 wordt door belastingplichtige (X) een lening verstrekt aan een dochtervennootschap waarin een deelneming wordt gehouden (Y). Op deze vordering wordt een valutaverlies geleden. X heeft USD als functionele valuta. De lening luidt in EUR. Deze EUR-vordering wordt in 2022 overgedragen aan Y ten titel van storting van kapitaal. Door toepassing van artikel 13ba Wet Vpb vindt bij storting van de vordering een correctie plaats ter grootte van het geleden valutaverlies. Deze correctie is geen rentebate in de zin van artikel 15b, zesde lid, onderdeel c, Wet Vpb.
4.7.4 Artikel 15b, zesde lid, onderdeel d, Wet Vpb (geactiveerde rente)
4.7.4.1 Tijdstip toepassen artikel 15b Wet Vpb op rente die wordt geactiveerd als
voortbrengingskosten Op welk moment wordt rente die wordt gekwalificeerd als voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel aangemerkt als rentelast voor de toepassing van artikel 15b Op het moment van activeren wordt rente, die aan te merken is als voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel, aangemerkt als rentelast voor de toepassing van artikel 15b, zesde lid, onderdeel d, Wet Vpb.
4.7.4.2 Rente die als voortbrengingskosten is geactiveerd vóór invoering van artikel 15b
Wet Vpb (1 januari 2019)
Vallen rentelasten die vóór 1-1- 2019 als voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel zijn geactiveerd onder het bereik van artikel 15b, lid 6, onderdeel d,
In de wettekst wordt gesproken over voortbrengingskosten van een activum daarom wordt er vanuit gegaan dat er sprake is van een bedrijfsmiddel.
Nee. De toets ten aanzien van de geactiveerde rente als voorbrengingskosten van een bedrijfsmiddel zoals bedoeld in artikel 15b, lid 6, onderdeel d, Wet Vpb wordt eenmalig aangelegd in het jaar van activeren.
De afschrijvingslast als gevolg van vóór 1-1- 2019 als voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel geactiveerde rente geldt hierdoor niet als rentelast voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb.
Let op: indien sprake is van geactiveerde financieringskosten of andere kosten die tot het saldo aan renten gerekend kunnen worden, maar die geen voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel vormen, valt de afschrijving wel onder het bereik van artikel 15b Wet Vpb.
4.7.5 Artikel 15b, zesde lid, onderdeel e, Wet Vpb (bedragen van dubbel in aanmerking
genomen inkomen)
Gereserveerd.
4.8 Artikel 15b, zevende lid, Wet Vpb (rekenregel geactiveerde rente)
4.8.1 Uitwerking rekenregel als het in aftrek beperkte positieve saldo aan renten bestaat
uit reguliere rente en geactiveerde rente
Hoe moet de tweede volzin van artikel 15b, zevende lid, Wet Vpb over de toerekening van geactiveerde rente en gewone rente worden uitgelegd als het in aftrek beperkte positieve saldo aan renten bestaat uit reguliere rente en geactiveerde rente?
Aan de hand van een voorbeeld wordt uitgelegd hoe de tweede volzin van artikel 15b, zevende lid, Wet Vpb uitgelegd moet worden als het in aftrek beperkte positieve saldo aan renten bestaat uit een saldo van reguliere rentebaten en –lasten en geactiveerde rentelasten .
Wettekst artikel 15b, zevende lid, Wet Vpb De wettekst van artikel 15b, zevende lid, Wet Vpb luidt als volgt, de tweede volzin is onderstreept. ‘Voor zover een bedrag aan renten als bedoeld in het zesde lid, onderdeel d, meer bedraagt dan het hoogste van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden die renten in afwijking van artikel 8 juncto artikel 3.25 en 3.29b van de Wet IB 2001, niet geactiveerd als voortbrengingskosten van het activum en komen die renten niet in aftrek bij het bepalen van de in een jaar genoten winst. Daarbij geldt dat indien het saldo aan renten in een jaar naast uit renten ter zake van geldleningen als bedoeld in het zesde lid, onderdeel d, bestaat uit overige rentelasten ter zake van geldleningen, die overige rentelasten in dat jaar bij voorrang niet in aftrek komen.’ De tweede volzin van artikel 15b, zevende lid, Wet Vpb moet zo worden uitgelegd dat ‘overige rentelasten’ wordt uitgelegd als ‘rentesaldo van gewone rentelasten en rentebaten’.
Voorbeeld Bij een belastingplichtige is in 2019 vóór toepassing van 15b Wet Vpb sprake van de volgende gegevens: – Reguliere rentebaten € 250.000 (W&V) – Reguliere rentelasten € 400.000 (W&V) – Geactiveerde rente € 2.400.000 (Balans)
Vermogensvergelijking vóór toepassing van 15b De vermogensvergelijking vóór toepassing van 15b Wet Vpb luidt als volgt, het beginvermogen is op nihil gesteld: Eindvermogen: -/- € 150.000 Beginvermogen: € ———- -/- Mutatie: -/- € 150.000
De mutatie bedraagt: -/- € 150.000. Dit is in het voorbeeld tevens de per saldo ten laste van het resultaat/vermogen gebrachte rente. De geactiveerde rente heeft immers geen invloed gehad op het eindvermogen.
Toepassing 15b, Wet Vpb Voor artikel 15b Wet Vpb geldt dat er sprake is van een saldo aan renten van € 2.550.000. Dit saldo aan renten bestaat namelijk uit: – Saldo reguliere rente, artikel 15b, lid 6, onderdeel b, Wet Vpb: € 150.000 (W&V) (€ 400.000 -/- € 250.000) – Geactiveerde rente, artikel 15b, lid 6, onderdeel d, Wet Vpb: € 2.400.000 (balans) Belastingplichtige kan in dit geval € 1.000.000 rente van het totale saldo aan renten in aftrek brengen. Dit betekent dat een bedrag van € 2.550.000 -/- € 1.000.000 = € 1.550.000 van het saldo aan renten in 2019 niet aftrekbaar is. De vraag is opgekomen hoe het niet-aftrekbare bedrag van € 1.550.000 volgens de tweede volzin van artikel 15b, lid 7, Wet Vpb moet worden toegerekend aan de reguliere rente en aan de geactiveerde rente. De 15b correctie in de vermogensvergelijking staat vast, die bedraagt: € 1.550.000. De tweede volzin wordt als volgt geïnterpreteerd. Daarbij geldt dat indien het saldo aan renten in een jaar naast uit renten ter zake van geldleningen als bedoeld in het zesde lid, onderdeel d, bestaat uit overige rentelasten (lees: een rentesaldo van gewone rentelasten en rentebaten) ter zake van geldleningen, die overige rentelasten (lees: dat rentesaldo van gewone rentelasten en rentebaten) in dat jaar bij voorrang niet in aftrek komen.’ Het rentesaldo van gewone rentelasten en rentebaten bedraagt € 150.000. Dit betekent dus dat van de niet-aftrekbare 15b , Wet Vpb rente van € 1.550.000 bij voorrang € 150.000 wordt toegerekend aan het rentesaldo van de gewone rentelasten en rentebaten. Het restant van de niet- aftrekbare rente wordt voor € 1.400.000 toegerekend aan de geactiveerde rente.
Schematisch overzicht:
Doordat er € 1.400.000 niet-aftrekbare rente wordt toegerekend aan de geactiveerde rente neemt de activering op de balans af met € 1.400.000 en wordt dit bedrag alsnog in aanmerking genomen als rentelast in de W&V, dit betekent echter dus ook dat het eindvermogen in de vermogensvergelijking afneemt met hetzelfde bedrag.
Het overzicht na toepassing van 15b bij belastingplichtige is dus als volgt: – Reguliere rentebaten € 250.000 (W&V) – Reguliere rentelasten € 400.000 (W&V) – Alsnog in aanmerking genomen rentelast: € 1.400.000 (W&V) – Geactiveerde rente € 1.000.000 (Balans)
Vermogensvergelijking na toepassing van 15b Eindvermogen: € 1.550.000 -/- (-/- € 150.000 -/- € 1.400.000) Beginvermogen: € ———- Mutatie: € 1.550.000 -/- Correctie 15B: € 1.550.000 +/+ Belastbare winst € 0
Conclusie: De daadwerkelijk per saldo in aftrek gebrachte rente van € 150.000 is gecorrigeerd door toepassing van artikel 15b Wet Vpb. Belastingplichtige heeft als gevolg van de artikel15b -correctie op de geactiveerde rente in de toekomst echter een lagere afschrijving doordat de activering is afgenomen, de artikel 15b-correctie komt dus in feite (deels) tot uitdrukk ing in de toekomst. Dit strookt met de wetsgeschiedenis waarin is aangegeven dat bij voorrang niet aftrekbare reguliere rente in aftrek wordt beperkt door artikel 15b Wet Vpb.
4.9 Capita Selecta
4.9.1 Verschil tussen een artikel 10a-correctie of artikel 15b-correctie
Wat is het verschil tussen een artikel 10a-correctie en een artikel 15b-correctie?
Niet aftrekbare 15b rente: € 1.550.000 € 150.000 rentesaldo van de gewone rentelasten en rentebaten € 1.400.000 geactiveerde rente
Van belang is dat een rentecorrectie op basis van artikel 10a Wet Vpb een definitieve uitsluiting van de aftrekbaarheid van de rentelasten betekent en dus een totaalwinstcorrectie is. Een rentecorrectie op basis van artikel 15b Wet Vpb is temporiserend door de onbeperkte voortwenteling van niet-aftrekbare rente naar de toekomst en is dus in feite een verschuiving in de tijd.
Een tweetal voorbeelden kan dit verduidelijken.
Voorbeeld 1 In dit voorbeeld is er in 2022 sprake van een artikel 10a-correctie van € 50 miljoen. De belastbare winst voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb is € 55 miljoen.
Afschrijving bedrijfsmiddelen: € 180 miljoen Rentelasten € 250 miljoen Rentebaten € 75 miljoen Het saldo aan rente n bedraagt € 125 miljoen (€ 250 – € 50 – € 75). De gecorrigeerde winst bedraagt € 360 miljoen (€ 55 + € 125 + € 180)
De maximale aftrekcapaciteit van de belastingplichtige is 20% van € 360 miljoen, dus € 72 miljoen. De belastingplichtige kan van het totale saldo aan renten van € 125 miljoen maximaal € 72 miljoen aan renten in aftrek brengen.
Het resterende bedrag van € 53 miljoen wordt in het betreffende jaar van aftrek uitgesloten op grond van artikel 15b Wet Vpb maar komt voor voortwenteling in aanmerking. Op basis van artikel 10a Wet Vpb is de € 50 miljoen gecorrigeerd zodat de totale rentecorrectie in het betreffende jaar € 103 miljoen bedraagt.
Voorbeeld 2 In dit voorbeeld is er in 2022 geen sprake van een 10a-correctie van € 50 miljoen. In feite verschuift de 10a-correctie dan naar een 15b-correctie.
Belastbare winst voor de toepassing van artikel 15b: € 5 miljoen
Afschrijving bedrijfsmiddelen: € 180 miljoen Rentelasten € 250 miljoen Rentebaten € 75 miljoen
Saldo aan renten € 175 miljoen (€ 250 – € 75)
Gecorrigeerde winst: € 360 miljoen (€ 5 + € 175 + € 180)
De maximale aftrekcapaciteit van de belastingplichtige is 20% van € 360 miljoen, dus € 72 miljoen. De belastingplichtige kan van het totale saldo aan renten van € 175 miljoen maximaal € 72 miljoen aan renten in aftrek brengen. De niet aftrekbare maar voort te wentelen 15b-rente bedraagt € 103 miljoen.
4.9.2 Gevolgen onjuiste rubricering eenmalige financieringskosten in de aangifte voor
saldo aan renten artikel 15b Wet Vpb
In hoeverre kan een onjuiste rubricering in de aangifte VPB ten aanzien van eenmalige financieringskosten tot een onjuiste uitkomst voor artikel 15b Wet Vpb leiden?
Bij een groot bedrag aan geactiveerde financieringskosten (anders dan als voorbrengingskosten van een bedrijfsmiddel geactiveerde rente) is het voor de correcte uitkomst van 15b Wet Vpb van belang dat er in de aangifte VPB een juiste rubricering plaatsvindt. Om dit te verduidelijken volgt een voorbeeld.
Voorbeeld Belastingplichtige activeert financieringskosten van € 20 mio als transitorische post en ‘schrijft deze post af’ over de looptijd (20 jaar) van de aangetrokken bankfinanciering. Dit betekent een activering van de financieringskosten in 2021 die gedurende 20 jaar lineair worden afgeschreven.
Activa Passiva
Financieringskosten
€ 20.000.000
Er ontstaat een jaarlijkse ‘afschrijvingslast’ op deze geactiveerde financieringskosten van € 20.000.000 / 20 = € 1.000.000. Deze ‘afschrijving’ wordt door belastingplichtige vanaf de aangifte 2021 gerubriceerd als ‘afschrijvingslast.’
Gegevens: – Belastbare winst € 15.000.000 – Afschrijvingslasten € 101.000.000 (1,0 mio is afschrijving geact. Fin. Kosten) – Rentelast: € 100.000.000 – Rentebate: € 50.000.000 1: Belastingplichtige kwalificeert de last van € 1.000.000 per abuis als afschrijvingslast c.q. niet als rentelast voor de berekening van de gecorrigeerde belastbare winst. De 15b-berekening gaat dan niet goed. De gecorrigeerde belastbare winst wordt dan: € 166.000.000 (15+101+50). Het saldo aan renten bedraagt: € 50.000.000. Het bedrag van: € 166.000.000 * 0, 2 = € 33.200.000 zou dan aftrekbaar zijn. Niet aftrekbaar op grond van 15b is dan: € 16.800.000.
2: Belastingplichtige kwalificeert de last van € 1.000.000 correct als rentelast voor de berekening van de gecorrigeerde belastbare winst. De gecorrigeerde belastbare winst wordt dan eveneens: € 166.000.000 (15+100,0+51). Het saldo aan renten bedraagt dan echter € 51.000.000 (101-50). Het bedrag van: € 166.000.000 * 0,2 = € 33.200.000 is aftrekbaar. Niet aftrekbaar is dus: € 17.800.000.
4.9.3 Toepassingsbereik artikel 15b Wet Vpb en objectvrijstelling
Wat is het toepassingsbereik van artikel 15b Wet Vpb bij een Nederlands hoofdhuis en een buitenlandse vaste inrichting?
Het toepassingsbereik van artikel 15b Wet Vpb ziet alleen op het Nederlandse hoofdhuis. In de memorie van toelichting wordt opgemerkt: ‘Het saldo aan renten voor zover dat is toe te rekenen aan een buitenlandse vaste inrichting en de winst die is toe te rekenen aan een buitenlandse vaste inrichting blijven hierdoor voor de
MvT, Kamerstukken II, 2018-2019, 35 030, nr. 3, p. 38.
toepassing van genoemd artikel 15b, zowel bij de berekening van het saldo aan renten als bij de bepaling van de gecorrigeerde winst, buiten beschouwing.’
4.9.4 Samenloop artikel 15b Wet Vpb en het tonnageregime: gecorrigeerde winst en
rentesaldo
Hoe wordt de gecorrigeerde winst en het rentesaldo bepaald als een deel van de winst wordt bepaald met toepassing van het tonnageregime?
Rentebaten en rentelasten die onder het tonnageregime vallen zijn geen rente voor de toepassing van artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb. Deze rente wordt namelijk niet als zodanig in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst. De winstbepaling op basis van het tonnageregime geschiedt namelijk forfaitair op basis van het tonnage van het schip.
Aan de hand van een voorbeeld is voorgaande als volgt uit te werken:
Totaal Tonnageregime Regulier regime Omzet 1000 700 300 Rentelasten 400 280 120 Winst 600 420 180
Het saldo aan rente bedraagt in dit voorbeeld 120.
Het deel van de winst dat volgens het tonnageregime wordt bepaald wordt als een forfaitair bedrag (T) aangegeven. T behoort op grond van de wet tot de winst. Bij de berekening van de gecorrigeerde winst wordt uitgegaan van de winst voor giftenaftrek. De winst voor giftenaftrek (en voor toepassing van artikel 15b) is dan dus 180 + T. De gecorrigeerde winst in dit voorbeeld is dan (180+T) + 120 (saldo aan rente). Vragen inzake het tonnageregime liggen op het werkterrein van de Kennisgroep Bijzondere Winstbepalingen.
4.9.5 Het Unierecht en de toepassing van artikel 15b op woningcorporaties
Noopt het Unierecht tot een specifieke vrijstelling van woningcorporaties van de earningsstrippingregeling?
Nee. Zie hiervoor het gepubliceerde Standpunt van de Kennisgroep Internationaal Belastingrecht (hierna: IBR Vpb/winst)(KG:040:2025:1, 12 maart 2025).
4.9.6 Samenloop artikel artikel 15b Wet Vpb en het tonnageregime: aftrekruimte
Hoe moet de aftrekruimte van € 1 miljoen van artikel 15b Wet Vpb toegepast worden als een deel van de winst wordt bepaald met toepassing van het tonnageregime?
De minimale aftrekruimte blijft € 1 miljoen. De aftrekruimte van € 1 miljoen wordt dus niet deels toegerekend aan het tonnageregime.
4.9.7 Toepassingsbereik artikel 15b Wet Vpb en EU recht
Is artikel 15b Wet Vpb in strijd met de vrijheid van vestiging?
Nee. Zie hiervoor het gepubliceerde Standpunt van de Kennisgroep IBR Vpb/winst (KG:040:2024:3, 6 februari 2024). NB. Casusposities waar een beroep wordt gedaan op het PRA -arrest en/of het Lexel- arrest moeten worden gemeld via deze Link Vragen met betrekking tot het EU-recht behoren tot het gebied van de Kennisgroep IBR Vpb/winst.
Geef een reactie