Aanleiding
Er is door X een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf dat haar fiscale vestigingsplaats niet in Nederland ligt. Zij wenst ook zekerheid over haar inhoudingsplicht voor de dividendbelasting.
Feiten
X is een rechtspersoon opgericht naar het recht van Nederland. Het economisch eigendom van de aandelen in X hoort toe aan natuurlijke personen woonachtig in een lidstaat van de Europese Unie (EU-lidstaat A). Het juridisch eigendom wordt gehouden door een andere rechtspersoon opgericht naar Nederlands recht.X houdt alle aandelen in een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in EU-lidstaat A. Deze vennootschap is de tophoudster van een concern actief in de industriële sector.
X verricht geen andere activiteiten dan het houden van deze aandelen. Vanaf haar oprichting houdt zij kantoor in EU-lidstaat A. Zij houdt geen kantoor in Nederland. X heeft geen band met Nederland anders dan haar oprichting naar Nederlands recht. In Nederland worden geen activiteiten uitgeoefend door werknemers voor X.
Rechtskader
Het verzoek van X ziet op artikel 2, vijfde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, artikel 1, derde lid van de Wet op de dividendbelasting 1965 en de uitwerking van het inwonersartikel en dividendartikel opgenomen in het belastingverdrag dat overeengekomen is tussen Nederland en de EU-lidstaat A.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter (Besluit), waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. In paragraaf 3, onderdeel a van het Besluit is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter slechts
wordt aangegaan als de verzoeker deel uitmaakt van een concern dat in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uitoefent en er bovendien voor rekening en risico van de verzoeker bedrijfseconomische activiteiten worden uitgeoefend waarvoor op concernniveau voldoende relevant personeel in Nederland aanwezig is.
2. X voldoet hier niet aan, sinds haar oprichting heeft zij geen andere band met Nederland dan haar oprichting naar Nederlands recht en verricht zij geen bedrijfseconomische activiteiten in Nederland. Ook zijn er elders in het concern geen werknemers in Nederland die bedrijfseconomische activiteiten uitoefenen voor rekening en risico van X. De uitzondering opgenomen in hetzelfde onderdeel van het Besluit is eveneens niet van toepassing nu de gevraagde zekerheid niet ziet op artikel 17 of 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Conclusie
Het verzoek is afgewezen. Er is geen zekerheid vooraf gegeven. Het voorgaande zal in beginsel worden beoordeeld in het kader van het reguliere toezicht.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie