rul-20260804-atr-000009

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030.

Feiten

X1 en X2 zijn coöperaties opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. X1 en X2 fungeren gezamenlijk als een platform waar arbeid en kapitaal samen komen. X1 en X2 behoren tot een Nederlands concern met een hoofdkantoor in Nederland, dat actief is in de dienstverlenende sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [11 – 25] werknemers.

Het doel van X1 en X2 is om gezamenlijk te investeren in verschillende portfoliovennootschappen met kapitaal ingebracht door hun leden (investeerders). Het personeel in Nederland werkt voor rekening en risico van X1 en X2, heeft professionele kennis en ervaring, is verantwoordelijk voor de selectie en aansturing van de investeringen en zal in dat kader verantwoordelijk zijn voor strategische beslissingen. X1 en X2 hebben eigen kantoorruimte ter beschikking.

X1 en X2 zullen geen stukken uitgeven die in fiscale zin kwalificeren als schriftelijke aandeelbewijzen of daarmee vergelijkbare stukken. Daarnaast zijn lidmaatschapsrechten in X1 en X2 slechts overdraagbaar na voorafgaande schriftelijke toestemming daartoe door alle leden van respectievelijk X1 en X2. In casu mag deze schriftelijke toestemming achterwege blijven in het geval van een overgang van lidmaatschapsrechten onder algemene titel of een overgang van lidmaatschapsrechten onder bijzondere titel krachtens erfrecht. X1 en X2 zullen de samenstelling van het ledenbestand bijhouden in een ledenregister.

Y is een commanditaire vennootschap aangegaan naar het recht van Nederland. Het doel van Y is om investeerders gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie (EU), waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden, samen te brengen (poolen) om zodoende door hen ingelegd kapitaal te investeren. Het geïnvesteerde kapitaal in Y wordt gebruikt om te participeren in uitsluitend X2. Voor doeleinden van dit verzoek wordt ervan uitgegaan dat Y transparant is. De beherend vennoot van Y is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. Y oefent geen activiteiten uit in Nederland die het beleggingscriterium ontstijgen. Y drijft geen onderneming.

Geen investeerder in X1 houdt een belang in X1 waarmee een zodanige invloed op de besluiten in X1 kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald. Er is geen indicatie dat een van de investeerders van X1 gevestigd is in een staat die is opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

Geen investeerder in X2 zal via Y een indirect belang houden in X2 waarmee een zodanige invloed op de besluitvorming van X2 kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald. Er is geen indicatie dat een van de investeerders die via Y zal investeren in X2 gevestigd zal zijn in een staat die is opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

Rechtskader

Het verzoek ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat geen sprake is van een vaste inrichting in Nederland op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a of artikel 17a van de Wet Vpb ten aanzien van de buitenlandse commanditaire vennoten van Y.

Het verzoek ziet daarnaast op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat er geen sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, omdat X1 en X2 niet kwalificeren als houdstercoöperatie zoals gedefinieerd in artikel 1, achtste lid van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB).

Tevens ziet het verzoek om zekerheid vooraf op de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g van de Wet bronbelasting 2021 (Wet BB). Deze zekerheid wordt gevraagd voor de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van X1 en X2.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.

2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

Buitenlandse belastingplicht commanditaire vennoten Y

3. De buitenlandse commanditaire vennoten houden een belang in Y en kunnen mogelijk op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a of 17a van de Wet Vpb buitenlands belastingplichtig worden. Op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a van de Wet Vpb kan sprake zijn van buitenlandse belastingplicht indien een onderneming, of een gedeelte daarvan, in Nederland wordt gedreven door middel van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger. Y drijft geen onderneming in Nederland. De buitenlandse commanditaire vennoten hebben geen

aanwezigheid of een vaste vertegenwoordiger in Nederland en om deze reden kan bevestigd worden dat de buitenlandse commanditaire vennoten geen vaste inrichting of vaste vertegenwoordiging hebben in Nederland.

4. Eveneens is gekeken naar de uitbreiding van het Nederlandse ondernemingsbegrip in artikel 17a van de Wet Vpb. In dat artikel wordt het Nederlandse ondernemingsbegrip uitgebreid met een zevental categorieën. Beoordeeld is of de in het buitenland gevestigde commanditaire vennoten met betrekking tot hun belang in Y voldoen aan deze uitbreidingen. In het gegeven geval wordt niet voldaan aan de bedoelde uitbreidingen van de Nederlandse onderneming.

Inhoudingsplicht van X1 en X2

5. Op basis van artikel 1, tweede lid van de Wet DB worden kwalificerende lidmaatschapsrechten in een houdstercoöperatie gelijkgesteld met aandelen in vennootschappen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet DB en wordt een houdstercoöperatie gelijkgesteld met die vennootschappen. Daarmee is een houdstercoöperatie in beginsel inhoudingsplichtig voor de heffing van dividendbelasting.

6. Een houdstercoöperatie is in artikel 1, achtste lid van de Wet DB gedefinieerd als een coöperatie waarvan de feitelijke werkzaamheid in het voorafgaande jaar voor 70% of meer (hoofdzakelijk) heeft bestaan uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van met haar verbonden lichamen of natuurlijke personen. In eerste aanleg wordt aan de hand van het balanstotaal bekeken of aan de grens van 70% wordt voldaan. Ook andere factoren spelen een rol, zoals de soorten van activa en passiva op de balans, omzet, activiteiten waaruit de winst afkomstig is en de tijdsbesteding van werknemers. Het betreft een doorgaans-toets, waardoor er afhankelijk van de omstandigheden in het voorafgaande jaar gedurende een korte periode of gedurende een beperkt aantal korte perioden kan worden afgeweken van de grens van 70%. Een coöperatie die zich actief bezighoudt met het beheer van haar investeringen en die in verband hiermee voldoende (kwalitatieve en kwantitatieve) aanwezigheid heeft in Nederland (zoals personeel, kantoorruimte en actieve betrokkenheid bij de onderneming van de deelnemingen), kwalificeert niet als houdstercoöperatie.

7. Op basis van de toekomstige balans van respectievelijk X1 en X2 kunnen zij worden aangemerkt als een houdstercoöperatie. Dit betekent dat het van belang is om naar de overige factoren te kijken, waaronder de werkzaamheden van het aanwezige personeel. Zoals in de feiten omschreven gaat het aanwezige personeel van de groep in Nederland voor rekening en risico van het fonds, bestaande uit X1 en X2, werkzaamheden uitoefenen. Zij zullen deze werkzaamheden verrichten vanuit een kantoor in Nederland. Op grond van de beschreven feiten en omstandigheden is vastgesteld dat er voldoende kwalitatieve en kwantitatieve aanwezigheid is in Nederland. Dit betekent dat X1 en X2 niet aangemerkt kunnen worden als houdstercoöperaties in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB. Er is derhalve geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting.

Kwalificerende eenheid bronbelasting bij X1

8. Vervolgens is beoordeeld of er op basis van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g, van de Wet BB sprake is van een kwalificerende eenheid ten aanzien van de leden van X1. Van een kwalificerende eenheid is sprake als lichamen gezamenlijk handelen met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een van die lichamen te ontgaan. In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat een kwalificerende eenheid slechts geconstateerd wordt als er sprake is van een misbruiksituatie. Het gaat daarbij om de

situatie waarbij investeringen in Nederland (mede) zijn vormgegeven door middel van een constructie om bronbelastingheffing te ontwijken.

9. Op basis van alle relevante feiten en omstandigheden is aannemelijk gemaakt dat er in het voorliggende geval geen sprake is van een misbruiksituatie. Het gezamenlijk handelen van de investeerders heeft niet als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van bronbelasting bij één van de investeerders van X1 te ontgaan. Bovendien is er ook geen indicatie dat één van de leden van X1 gevestigd zal zijn in een staat die is opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er is daarom geen sprake van een kwalificerende eenheid als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g, van de Wet BB ten aanzien van de investeerders in X1.

Kwalificerende eenheid bronbelasting bij X2

10. Tot slot is beoordeeld of er op basis van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g, van de Wet BB sprake is van een kwalificerende eenheid ten aanzien van de leden van X2. Van een kwalificerende eenheid is sprake als lichamen gezamenlijk handelen met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een van die lichamen te ontgaan. In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat een kwalificerende eenheid slechts geconstateerd wordt als er sprake is van een misbruiksituatie. Het gaat daarbij om de situatie waarbij investeringen in Nederland (mede) zijn vormgegeven door middel van een constructie om bronbelastingheffing te ontwijken.

11. Op basis van alle relevante feiten en omstandigheden is aannemelijk gemaakt dat er in het voorliggende geval geen sprake is van een misbruiksituatie. Het gezamenlijk handelen van de investeerders heeft niet als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van bronbelasting bij de investeerders van X2 te ontgaan. Bovendien is er ook geen indicatie dat één van de investeerders (via Y) van X2 gevestigd zal zijn in een staat die is opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er is daarom geen sprake van een kwalificerende eenheid als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g, van de Wet BB ten aanzien van de investeerders in X2.

Conclusie

De in het buitenland gevestigde commanditaire vennoten in Y drijven geen onderneming in Nederland door middel van een vaste inrichting met betrekking tot hun belang in Y.

Op grond van het voorgaande kwalificeren X1 en X2 niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting.

Er is ten aanzien van de investeerders van zowel X1 als van X2 geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB.

Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 16 maart 2026 tot en met 31 december 2030.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *